23 AUGUSTUS 2026

De Kerk van Petrus is trouw

In Caesarea was Petrus, door God geïnspireerd, de eerste die zijn geloof beleed in de godheid van Jezus. Daarom stelde Christus hem aan tot hoofd van zijn Kerk, zijn plaatsbekleder op aarde, de Pontifex-Koning van een nieuwe gemeenschap : de Kerk. Omdat zij eerst het Koninkrijk van God heeft gezocht, werd zij bovendien de grote beschavende kracht van de verloste mensheid. Nu wij het besef van onze verbondenheid met de Kerk grotendeels zijn kwijtgeraakt, is het goed ons opnieuw de grondbeginselen ervan voor ogen te houden, zoals de H. Petrus en zijn opvolgers, trouw aan Christus eerder dan aan de mensen, die hebben vastgelegd.

Wijselijk begint de catechismus met de Kerk te omschrijven als de gemeenschap die Jezus Christus heeft gesticht op Petrus en de apostelen ; tot leven gewekt door de H. Geest op de dag van Pinksteren, tegelijk een menselijke én goddelijke instelling, een zichtbaar en hiërarchisch sociaal lichaam, bestemd om zich uit te breiden tot de uiteinden van de aarde en te blijven bestaan tot het einde van de tijden. Zo weet men tenminste waarover men spreekt !

De Kerk is, zoals Bossuet het zo treffend verwoordde, “Jezus Christus verspreid en meegedeeld.

Deze gemeenschap brengt haar leden voort tot het leven, een “bovennatuurlijk” leven, een leven van goddelijke genade, door het geloof in Jezus Christus en door het doopsel. Zo vormt zij van uit haar eigen substantie een nieuw volk. Het zijn niet wij die de Kerk uitvinden en opbouwen... “Onder de adem van de H. Geest” is het de Kerk die ons baart, leven geeft en ons naar het eeuwige leven voert.

Deze “heilige natie”, geboren uit de gekruisigde Jezus, heeft haar heilige stichters, de apostel Petrus en de Twaalf van wie hij de Prins, het Hoofd was. Jezus gaf hun de H. Geest en alle macht om zijn volk en de schapen van zijn kudde te onderwijzen, te heiligen en te besturen, in zijn navolging en in zijn Naam. Hij zal met hen blijven tot het einde van de eeuwen en dus zullen de poorten van de hel zijn Kerk niet overweldigen.

De paus en de bisschoppen, die respectievelijk de H. Petrus en de apostelen opvolgen, genieten niet van alle gaven die de H. Geest deze laatsten had geschonken om de Kerk te stichten. Maar zij erven minstens hun essentiële, overdraagbare bevoegdheden :

  • de macht om de goddelijke Openbaring te onderwijzen ; deze Openbaring werd afgesloten bij de dood van de laatste apostel, in een strikte maar relatieve onfeilbaarheid gegarandeerd door de hulp van de H. Geest, namelijk een onfeilbaarheid die beperkt is tot een object en tot precies afgebakende vormen ;
  • de macht om de huidige en toekomstige leden van de Kerk het leven te geven en te heiligen door de sacramenten, toegediend op een geldige en effectieve manier met eerbied voor de materie en de vorm die op goddelijke wijze zijn ingesteld ;
  • tenslotte de macht om het volk van God te regeren en te oordelen volgens de kerkelijke instellingen bepaald door Christus en de apostelen, die de heilige en niet te hervormen traditie van de katholieke christelijke gemeenschap uitmaken.

De Kerk, het volk van God dat door de H. Geest leven heeft, bezit zichtbare tekenen van haar goddelijke oorsprong en stichting. Zij schittert door haar vier kenmerken of volmaaktheden die enkel van God kunnen komen en haar alléén toebehoren. Allen moeten daaraan herkennen dat zij de Ark van de redding is van elke persoon en van alle volkeren. Deze kenmerken zijn :

“De Rooms-katholieke Kerk is één, omdat de christenen die haar samenstellen dezelfde waarheden geloven, dezelfde sacramenten ontvangen en gehoorzamen aan hetzelfde Hoofd, de paus.

- “Zij is heilig, omdat haar stichter heilig is, zijn leer en zijn sacramenten heilig zijn en omdat zij altijd heiligen gevormd heeft.

- “Ze is katholiek, omdat zij werd opgericht voor de mensen van alle tijden en van alle landen.

- “Zij is apostolisch, omdat zij als eerste leiders de apostelen heeft gehad, bestuurd wordt door hun opvolgers en omdat ze de leer van de apostelen gelooft en onderwijst.”

Buiten de Kerk is er geen redding mogelijk” : dit motto is een zekerheid. Ze geldt voor al degenen die de Kerk voldoende gekend en benaderd hebben, maar weigerden binnen te gaan, voor al degenen die zich van haar hebben afgescheiden of  zich hebben zien uitsluiten wegens hun ketterij, schisma of ergerniswekkend gedrag.

Dit motto geldt echter nog veel meer, ook al is het onzichtbaar voor onze ogen, voor de talloze menselijke wezens die lid van de Kerk zijn geworden door hun innerlijke bekering tot God en de genade van hun rechtvaardiging door Christus en die, langs ons onbekende en buitengewone paden, de gaven van de H. Geest ontvangen. Deze mensen hangen vol enthousiasme de Kerk aan, van zodra zij haar hebben leren kennen en tot bij haar zijn gebracht.

Zo is de katholieke Kerk de Moeder en de Middelares van alle verlosten, naar het voorbeeld van de H. Maagd Maria die er zelf de eerste Moeder en Middelares van is.

Abbé Georges de Nantes
Uittreksels uit Heel onze godsdienst