27 SEPTEMBER 2026

De hymne aan de nederigheid uit de Brief aan de Filippenzen

De Brief aan de Filippenzen is bewonderenswaardig en uiterst beknopt. Sint-Paulus begint met zijn tederheid voor zijn dierbare Filippenzen uit te drukken. Alleen van hen heeft hij hulp aanvaard. Hij werkte om in zijn levensonderhoud te voorzien en om de gemeenschappen die hij stichtte niet tot last te zijn. Maar van zijn Filippenzen kon hij alles aannemen en zijzelf waren heel gelukkig dat zij de enigen waren die in zijn behoeften mochten voorzien, als een zorgzame moeder.

Het tweede hoofdstuk, dat de Kerk ons vandaag ter overweging geeft, is een wonder! Wij kennen die voortdurende bezorgdheid van Sint-Paulus wanneer hij zag dat zijn gemeenschappen blootstonden aan de verleidingen van mensen die hun eigen belang zochten, hen in hun invloedssfeer probeerden te trekken en hen zo van hem wilden verwijderen. Want Sint-Paulus wist heel goed dat zich van hem verwijderen betekende: zich onttrekken aan de invloed van Christus.

Nadat hij zijn Filippenzen heeft aangespoord om onder elkaar die verbondenheid en die wederzijdse tederheid te bewaren – de woorden zijn prachtig gekozen – spoort hij hen aan tot nederigheid: “Geef niet toe aan partijzucht of ijdele roem.” Dat getuigt van een diep psychologisch inzicht: het zijn partijzucht en ijdele roem die een gemeenschap vernietigen. Men wil geprezen worden, men wil dat anderen onze verdiensten erkennen voor de diensten die wij hebben bewezen...

Sint-Paulus spoort hen vaderlijk aan: “Maak mijn vreugde volkomen door eensgezind te zijn, dezelfde liefde te hebben, dezelfde gevoelens; streef naar eenheid. Wees nooit eerzuchtig of ijdel, maar wees nederig genoeg om anderen hoger te achten dan uzelf. Zoek niet uw eigen belangen, maar laat ieder veeleer bedacht zijn op die van de anderen.” Dat is de volmaakte naastenliefde.

Vervolgens verheft hij zijn blik en voegt eraan toe: “Heb onder elkaar dezelfde gezindheid die ook Christus Jezus bezielde.” Inderdaad: “Christus, die bestond in goddelijke majesteit, heeft zich niet angstvallig vastgeklampt aan zijn gelijkheid met God. Maar Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een dienaar aangenomen. Hij werd aan de mensen gelijk. Hij heeft zichzelf vernederd en werd gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan het Kruis.”

Dat noemt men de kenose, de ontlediging van Christus Jezus. Hij heeft zichzelf ontledigd om de menselijke natuur aan te nemen, om dichter bij ons te zijn en om te sterven in gehoorzaamheid en in de uiterste vernedering van de kruisdood. Dat is een les voor ons. Het wil zeggen: kijk naar Jezus. In plaats van jezelf te verheerlijken, anderen uit eerzucht te verdrukken, in de maatschappelijke hiërarchie steeds hogerop te willen klimmen om alles te kunnen besturen, moet je Jezus navolgen die precies de tegenovergestelde weg is gegaan.

“Hij die bestond in goddelijke majesteit, heeft zich niet angstvallig vastgeklampt aan zijn gelijkheid met God.” Die uitdrukking verwondert, omdat zij aan een wederrechtelijke toe-eigening doet denken. De geleerden leggen uit dat Adam en Eva, door de duivel bekoord, “als goden” wilden zijn door Gods gebod te overtreden. Dat was dwaasheid. Jezus daarentegen, die God was, heeft zich aan zijn goddelijke waardigheid niet vastgeklampt als aan een kostbare schat; Hij heeft niet angstvallig vastgehouden aan wat Hem toebehoorde. De goddelijke heerlijkheid die de zijne was en die Sint-Paulus op de weg naar Damascus heeft aanschouwd, heeft Jezus prijsgegeven om een mens te worden zoals wij, ontdaan van alle heerlijkheid.

En juist doordat die heerlijkheid niet meer zichtbaar was, wilde Hij zich op onvoorstelbare wijze door de mensen laten vertrappen, om gehoorzaam te zijn tot de dood, ja, tot de dood aan het Kruis. Jezus heeft precies het tegenovergestelde gedaan van de dwaasheid die de duivel de mensen ingaf en waardoor zij verloren gingen, en tegelijk ook het tegenovergestelde van de zonde van de engelen. Jezus heeft ons het voorbeeld van volmaakte nederigheid gegeven. Geen mens zal ooit tot een dergelijke nederigheid in staat zijn, want nooit is een mens vrijwillig van zo hoog neergedaald en zo diep vernederd om veroordeeld te worden tot de dood aan een kruis.

“Daarom heeft God Hem hoog verheven.” In alle rechtvaardigheid zal God Hem de heerlijkheid teruggeven die Hij voor ons heil heeft prijsgegeven, uit liefde voor ons, om samen met ons zijn aardse weg te gaan en onze Verlosser te zijn.

« En Hij heeft Hem de naam gegeven die boven alle namen verheven is, opdat in de naam van Jezus iedere knie zich zou buigen in de Hemel, op aarde en in de onderwereld, en iedere tong zou verkondigen: Jezus Christus is de Heer, tot heerlijkheid van God de Vader.” De naam die boven alle namen verheven is, is niet de naam Jezus, maar de naam Heer, Kyrios. Dat is de naam van God: de Heer God, die ook de Heer is van heel de schepping.

Het woord Heer wijst enerzijds op de godheid die Jezus van nature toekomt: Hij is God. Maar tegelijk ontvangt Hij die goddelijke heerlijkheid van God bij zijn hemelse kroning, omwille van wat Hij voor ons heil heeft gedaan. Sint-Paulus zal zeggen dat Hij “de eerstgeborene van heel de schepping, de Koning der koningen, de Heer der heren” is, de Koning van de mensen. Hij was God van nature, maar zijn afdaling tot in de diepste ellende heeft Hem verdiend door God uitgeroepen te worden tot Heer van het heelal.

Het vervolg van deze hymne is een wonderbare les in nederigheid die Sint-Paulus ons geeft door Jezus Christus als voorbeeld te nemen. Laten wij doen zoals Hij. Dat is wat Sint-Benedictus van zijn monniken vraagt in het eerste hoofdstuk van zijn Regel, waar hij tegenover de ongehoorzaamheid van Adam de gehoorzaamheid van Christus stelt. De monnik is degene die breekt met de wereld van Adam, de wereld van de ongehoorzaamheid, om Jezus te volgen en zich daardoor opnieuw te plaatsen in zijn ware toestand van schepsel: een christen die gehoorzaamt.

Tot besluit onthouden wij allereerst de indruk van de grote genegenheid van Sint-Paulus voor zijn dierbare Filippenzen, ongetwijfeld de meest geliefden onder allen die zich voor zijn zaak hebben ingezet en met wie hij zich volkomen eensgezind voelde. Ten tweede zullen wij in ons hart de herinnering bewaren aan deze hymne als een hulde aan de wonderbare nederigheid waarvan Jezus Christus ons het voorbeeld heeft gegeven door vanuit de Hemel naar de aarde te komen om onze Verlossing te bewerken.

Frère Bruno de Jésus-Marie
Uittreksels uit de meditatie van 6 april 1994