4. Tegen de goddelozen,
de atheïsten en de agnostici

De falangist kent geen enkele graad van waarheid, geen enkele esthetische of ethische waarde, geen enkel natuurlijk of historisch recht toe aan theoretische of praktische systemen, organisaties en machten die God ontkennen, zich verzetten tegen zijn waarheid, wet en rechten, zijn heerschappij over de wereld bestrijden. Hij kan niet toestaan dat God wordt geminacht.

De aanwezigheid van IK BEN en van de Onbevlekte bij de mensen vanaf het prille begin, hun weldadige tegenwoordigheid bij ieder van hen vanaf de geboorte tot de voleinding, vormt een sociale, vaststaande en universele waarheid. Elk gezag moet de soevereine rechten van God en de Onbevlekte op publieke wijze erkennen. Hun wet moet gerespecteerd worden door elke autoriteit en elke persoon, zelfs zij die tegen die wet durven rebelleren.

1. De falangist heult niet mee met de goddeloosheid van hen die wel het bestaan van God erkennen, maar zich niet willen onderwerpen aan zijn wet en Hem elke eredienst weigeren. Omdat het gaat om christenen die ontrouw zijn geworden aan hun geloof, beschouwt hij hun afvalligheid als een misdaad.

2. Hij kan geen atheïsme accepteren, noch dat van individuen, noch het collectieve, noch dat van de staat. Hij ziet er een monsterachtige afwijking in van verdorven en opstandige geesten. Daar verzet hij zich openlijk tegen, zelfs met gevaar voor zijn leven. Met godloochenaars wil hij niet samenwerken, tenzij puur uiterlijk. Elke verplichte onderdanigheid aan atheïstische werkgevers, leiders of regeringen beschouwt hij als een verwerpelijke en onrechtmatige dwang. Hij bestrijdt alle atheïstische organisaties die er wetenschappelijke, filosofische, morele, culturele of ecologische pretenties op na houden. Het is zijn rotsvaste overtuiging dat de mensen zonder God alleen maar Torens van Babel kunnen oprichten die tot ineenstorten gedoemd zijn. Daarom « lacht Jahweh hen uit » (Ps 2, 4) en dat doet ook de falangist.

3. Hij wijst het moderne agnosticisme af en verwerpt de kritiek van Kant, die er de theoretische rechtvaardiging van wil zijn. De onzekerheid van de agnosticus wil de falangist nog als een gebrek of een ziekte van het individueel intellect zien, maar de kennisleer van het positivisme en het idealisme wijst hij categoriek af. Het agnosticisme is een geestelijke achteruitgang, een moreel kwaad en vandaag helaas een wereldwijd verspreide plaag.

4. De falangist zal in alle omstandigheden zijn afkeer van het kantisme en het hegelianisme duidelijk maken. Hij zal de valsheid van die filosofieën en de leegheid van de eruit volgende moraal aantonen. De dwaze bevlieging van de modernen voor het Duitse denken in termen van idealistische of materialistische dialectiek zal hij bekampen, want hij weet dat die filosofie de geestelijke, morele, politieke en sociale ondergang van het Westen heeft ingeluid en dat zij zich door toedoen van het Tweede Vaticaans Concilie in de Kerk heeft verspreid.

Voor het herstel van de beschaving zal hij de “eeuwige filosofie” van Aristoteles en de H. Thomas van Aquino propageren, die op schitterende wijze aangevuld wordt door de relationele metafysica van abbé de Nantes. De natuurleer van die philosophia perennis staat ver van elk materialisme of pantheïsme; zij onderscheidt overtuigend de hiërarchie van de wezens en is het fundament en de scheidsrechter voor alle exacte en humane wetenschappen en de wiskunde.

In de relatie van elk individueel schepsel met IK BEN, die er de bron van is, vindt de falangist de diepste reden van het bestaan, de bestemming en de waarde van elke menselijke persoon. Zo wordt het kwalijke gevolg van het substantialisme van Aristoteles gecorrigeerd dat een abstracte mens definieert, de “menselijke persoon”, als een onafhankelijke en autonome substantie gesteld tegenover God… en die al snel uitgroeide tot zijn rivaal en voor zichzelf een eigen cultus schiep.

De falangist bewondert integendeel in elke menselijke persoon, hoe zwak hij ook lijkt, zijn unieke relatie met God en de Onbevlekte die hem tot het bestaan hebben geroepen. Dat bestaan is heel rijk: er wachten hem een historische lotsbestemming en een onsterfelijkheid die zijn grootsheid uitmaken in de wereld en vóór God. Zo ziet de falangist in elke ziel een ziel die gered moet worden en in elk wezen een kind van Maria.

5. In de rijkdom aan relaties met zijn ouders, zijn vaderland en de wereldherkent de falangist de vaderlijke bedoeling van IK BEN, zijn Schepper, die hem op die manier zijn meest persoonlijke roeping toont. Door vol liefde trouw te zijn aan de banden die hem definiëren en door zelf nieuwe relaties aan te gaan die nieuwe levens scheppen, komt hij tot volledige ontplooiing. Hij houdt zich niet bezig met een goddeloze cultus van het eigen “ik”, maar staat ten dienste van het samenleven van zijn medeschepselen en hun gemeenschap met God door de Onbevlekte. Dat is voor hem de echte waardigheid van elke menselijke persoon. Door zijn dienstbaarheid aan zijn naasten neemt hij deel aan het grote plan van leven en liefde van IK BEN.

Zolang God en de Onbevlekte in de wereld niet gekend, aanbeden, bemind, gediend en verheerlijkt worden, zal de mensheid doodongelukkig ronddwalen op zoek naar haar ziel en essentie.