5. De rechtlijnige geschiedenis
van de wereld wordt door God geleid

Ten gevolge van de schok van de intuïtie van het “zijn” en door de zekerheid van het bestaan van God die daaruit voortvloeit, ziet de falangist hoe de Tegenwoordigheid van God onafgebroken werkzaam is in de orde van het heelal. Hij grijpt in de geschiedenis van de wereld in om er de loop van te oriënteren.

1. De wetenschap maakt het heel aannemelijk dat de levende wezens geleidelijk aan de hele wereld bevolkt hebben, volgens een onophoudelijke evolutie. De paleontologie beschrijft de drempels en stappen in die evolutie. Van de amoebe tot de zee-egel, van de zee-egel tot de vis, van de vis tot het kruipdier enz. leidt de evolutie de wereld van de materie naar het leven en tenslotte naar de mens, een wezen dat door God begiftigd werd met een geestelijke ziel.

2. Maar vanaf het begin is de zonde de wereld binnengedrongen en met de zonde de dood. Op een mysterieuze wijze greep toen al heel het Evangelie, samengebald in enkele heldere trekken, de hiërarchie van de engelen aan; ze moesten het vuur van de beproeving doorstaan. Teken van tegenspraak, openbaring van de harten: ze werden in twee kampen gesplitst die voorgoed van elkaar gescheiden zijn, engelen en duivels.

3. De eerste zonde was de rebellie van Satan, die in zijn val de opstandige engelen meesleurde en die vervolgens Adam en Eva, onze eerste ouders, verleidde. Vanaf dat ogenblik is het kwaad in de wereld gekomen en samen met het kwaad het lijden en de dood. Maar God leidt de geschiedenis van de wereld en trekt uit het kwaad een groter goed, voor zijn glorie, voor de redding van de uitverkorenen en voor de openbaring van zijn vrijgevigheid. Hij kondigt zijn plan van Verlossing aan door het « zaad van de Vrouw » (Gn 3, 15).

4. Door de genade van het geloof komt de falangist de obstakels te boven die de filosofie hem voor de voeten werpt en overwint hij de morele onrust die de realiteit van het kwaadin elk leven doet ontstaan: de beperkingen en ontberingen van de mens, zijn lijden en nood, zijn zedelijk falen, ziekte en dood. Hij weet dat het echte kwaad, het enige kwaad, de zonde is; alle andere kwalen komen daaruit voort. Terwijl hij het filosofisch probleem laat voor wat het is, weerstaat hij aan de bekoring om zich op te werpen tot rechter en tegenstander van God. Hij weigert om elke wanorde of kwelling voor onrechtvaardig en onduldbaar te houden, elke vorm van ongelijkheid als schandalig te beschouwen. Hij zal niet toegeven aan de hoogmoedswaanzin die door de opstandige Satan in de mens wordt opgewekt: « Gij zult als goden zijn » (Gn 3, 5).

De falangist stemt met Gods bedoelingen in nog voor hij die kent door zijn onderzoek van de rechtlijnige kracht van deze evolutie, die zijn Schepper heeft ingeschreven in de geschiedenis van de wereld. Hij overweegt alles wat bestaat en moet bestaan, de astronomische horlogerie van het heelal, de biologische rijkdom ervan en de chaotische menselijke geschiedenis, tot en met de wederwaardigheden van het individuele dagelijks bestaan. Het gevolg is dat hij niet anders kan dan een volkomen liefde op te vatten voor de goddelijke Wil in de wereld, tegelijk met een vurig verlangen dat die Wil zich zou realiseren. Bovenal volgt daaruit zijn beslissing om er zelf met al zijn krachten aan mee te werken.

De falangist is tevreden met wat in het leven zijn deel en zijn lotsbestemming is en hij is er op gebrand om het traject van zijn eigen leven in te passen in de algemene “orthodromie”, om zo zijn roeping, zijn plaats in de wereld en zijn heil te vinden.