EEN RELATIONELE THEOLOGIE 
hoe abbé de Nantes heel de theologie 
van de H. Thomas vernieuwt

MENSELIJKE PERSOON EN GODDELIJKE PERSONEN

IN deel 2 van zijn Memoires et récits (uitg. CRC  1993) vertelt abbé de Nantes hoe hij in 1943 binnenging in het seminarie van de sulpicianen in Issy-les-Moulineaux, vlakbij Parijs. In zijn eerste jaar theologie kreeg hij les van Monsieur Guilbeau, die dogmatiek gaf en begon met het mysterie van de H. Drie-eenheid.

« We moesten eerst akkoord gaan over de gebruikte termen. Wat betekent “ natuur ”, wat is “ substantie ” enz. Ik was bijzonder aandachtig toen M. Guilbeau zich boog over de definitie van het begrip “ persoon ”. Ik had de voorbije twee jaren, in de cursussen filosofie, geregeld moeten horen dat ik die term verkeerd opvatte. Ook had ik er vrij vlug zaken uit horen afleiden die tegengesteld waren aan mijn “ familiale vooroordelen ” : de autonomie, de onafhankelijkheid, de sublieme waardigheid, de onvervreemdbare rechten van de “ persoon ”, van elke persoon, waaraan de hele wereld ten dienste moet staan...

« M. Guilbeau dicteerde ons de fameuze definitie van Boëtius, de Latijnse filosoof uit de zesde eeuw : “ Naturae rationalis individua substantia ”, de persoon is een individuele substantie met een redelijke natuur.

« Het was op dat ogenblik dat mijn geest, die nochtans volgzaam en ontvankelijk wou zijn, zonder het te willen een tegenwerping formuleerde, in de hoop dat het vervolg van de uiteenzetting ongetwijfeld opheldering zou bieden. Maar dat gebeurde niet.

« Overeenkomstig de gewoonte van de sulpicianen mochten de studenten op het einde van de les vragen stellen. Toen het mijn beurt was, vroeg ik hem : Hoe komt het dat hetzelfde woord “ persoon ” twee zo verschillende en zelfs schijnbaar tegengestelde ideeën kan uitdrukken ? De eeuwenoude definitie van Boëtius en de klassieke filosofie kenmerkt het menselijk individu als iets dat volledig op zichzelf staat en los wordt gezien van elke vorm van communicatie, terwijl de traditie van de kerkvaders, van Sint-Augustinus, de goddelijke Personen definieert als zuivere relaties ?

« Hij zweeg. Ik was bang dat ik hem gekwetst had en mompelde excuses. “ Maar neen ”, antwoordde hij, “ ik aarzel met het antwoord dat ik u zou willen geven. Het is moeilijk... Het gaat om het duistere punt, het mysterie... ” Hij sprak langzaam, met de voorzichtigheid van iemand die geen cursus opzegt, maar zich langzaam voortbeweegt in de waarheid terwijl hij eerst zeker wil zijn van elke stap die hij zet.

« Ik drong aan : Is het niet storend om met hetzelfde woord “ persoon ” in de mensenwereld het onafhankelijk wezen aan te duiden dat jaloers zijn rechten bewaakt en zichzelf soeverein noemt, terwijl het in de goddelijke wereld gaat om Personen die alleen maar relatie zijn en willen zijn, totale gave van de een aan de ander, zuiver vader- en zoonschap, pure liefde ? Zou er geen samenhang moeten zijn tussen beide sferen, de menselijke en de goddelijke ? Zouden de menselijke personen niet moeten gedefinieerd worden naar het beeld en de gelijkenis van de goddelijke Personen, eerder dan tegengesteld aan hun bewonderenswaardige volmaaktheid ? » (pp. 160-162).

Meneer Guilbeau probeerde op de vraag van zijn leerling een antwoord te vinden... tot op zijn sterfbed. Georges de Nantes ging hem in het hospitaal bezoeken en kreeg te horen dat hij nog altijd over de vraag nadacht. « Ik had het voorgevoel dat ik nooit het antwoord van hem zou vernemen. De vraag was de zijne geworden in zijn dialoog van stervende met de H. Drie-eenheid. Enkele dagen later zag hij wat hij zocht... » (p. 163).

Een aantal jaren later was de leerling op zijn beurt leraar geworden en onderwees hij de waarheid waarvan de heiligen leefden zonder er heel de draagwijdte van te kennen : dat de grote rijkdom van het leven, van de menselijke wezens, ligt in hun relaties met andere wezens. En de belangrijkste relatie, die aan elk wezen zijn kostbaarste karakter geeft, is de relatie waarmee alles begint : het is God die ons op elk moment in het bestaan plaatst. De waarheid van God moet dus niet gezocht worden in een theorie of in het diepst van onszelf, maar in de onafgebroken afhankelijkheid van alle wezens van “ Ik ben ”, God.

DE METHODE VAN SINT-AUGUSTINUS

Om de theologie binnen te gaan moet men de schok van het bestaan ervaren. Onze vader ontdekte op een dag dat de H. Augustinus die schok lang voor hem ook al had gehad en dat de kerkvader op die existentiële intuïtie zijn theologie had gebouwd.

De Vader vraagt de Zoon zich op het Kruis te offeren.
Aangrijpende gotische Genadestoel uit Zuid-Tirol, ca. 1440
( Brixen, diocesaan museum).

Augustinus steunt niet op een redenering, maar op een intuïtie, een schok : de metafysische intuïtie van het zijn, waardoor de geest er zich rekenschap van geeft dat het enerzijds wel vanzelfsprekend is dat God bestaat, maar dat het anderzijds bijzonder verbazingwekkend is dat die God, die Alles is, een nietig wezen zoals ik laat bestaan en wel voor altijd, om op een dag in het hiernamaals aan zijn zijde terecht te komen !

Niettemin blijft deze intuïtie van het zijn duister voor onze beperkte geesten ; men zou in de Hemel moeten zijn, of een engel zijn, om die intuïtie stabiliteit te geven. De geest wordt aangetrokken, maar begrijpen is nog iets anders... Daarom legt Sint-Augustinus uit dat in de Bijbel een dubbele Openbaring voorkomt. Vooreerst heeft God gezegd : « Ik Ben die Ben », dat is de openbaring van het brandende braambos. Het is de metafysische theologie, die de basis vormt en de filosofische intuïtie van het zijn ondersteunt, maar die wat zwaar op de hand is. Vervolgens echter zegt God : « Mijn kinderen, jullie zijn niet in staat om dat te begrijpen, daarom ga Ik mens worden en ga Ik jullie een heel andere taal spreken ; en ik zeg jullie : Ik ben de God van Abraham, Izaäk en Jacob. » Dat is de Bijbelse of relationele theologie.

Met andere woorden, er zijn twee “ verdiepingen ” in de kennis van God : de kennis die gereserveerd is voor de filosofen en betrekking heeft op de transcendente God ; en de mystieke kennis die openstaat voor alle mensen en te maken heeft met de geopenbaarde God.

EN SINT-THOMAS VAN AQUINO ?

De H. Thomas van zijn kant gaat een theologie opbouwen die van natuurlijke aard is. Hij laat zich weliswaar helpen door de Openbaring, maar toch gebruikt hij hoofdzakelijk de bouwstenen van de rede. Hij wil aantonen wat men over God kan zeggen door enkel een beroep te doen op de rede, die hij opvoert tot de hoogste vorm van speculatie. Hij definieert God als niet lichamelijk, Hij is volmaakt, niets ontbreekt Hem, Hij is oneindig, onveranderlijk, eeuwig, buiten de ruimte en de tijd, dus zonder dat er welke voorstelling ook van Hem mogelijk is... Uiteindelijk maakt dat van God een soort van substantie op zich, een volmaakte bronzen bol, zonder passie, zonder andere activiteit dan sinds altijd en voor altijd te “ zijn ”.

Zo lijkt God ons autonoom en aan zichzelf genoeg te hebben. Hij is zeer ver van ons, opgesloten in zijn transcendentie, zonder enig contact met ons. « Uw God is zoals een oude man die een en al volmaaktheid is en achter dubbel of driedubbel slot opgesloten zit in zijn ivoren toren ! », roept abbé de Nantes uit. Het is daarop dat de sublieme intellectuele inspanning van de H. Thomas van Aquino uitloopt : God is absoluut volmaakt, maar Hij is zo ver, zo ver, dat men zich niet moet voorstellen dat Hij in betrekking met ons kan staan. Hij heeft ons niet nodig, Hij is gelukkig uit zichzelf, in zichzelf, voor zichzelf. Zijn zaligheid ? Zichzelf beminnen. Een volmaakt wezen zou zich verlagen door uit zijn perfectie te treden.

Heel onze moderne beschaving is getekend door deze oorspronkelijke denkfout, die het individualisme voortbrengt, vermits God geheel alleen is in zijn volmaaktheid. Dat individualisme leidt vervolgens naar de cultus van de mens, die helemaal alleen de trappen van de perfectie bestijgt, of die nu christelijk of heidens is.

Toch mogen we die fout niet zomaar of uitsluitend aanrekenen aan de doctor angelicus, die zelf vaak verscheurd werd tussen enerzijds zijn mystiek geloof en anderzijds zijn filosofie die de gevangene was van de categorieën van Aristoteles. In werkelijkheid is de H. Thomas groter dan zijn Summa theologica en het is ten onrechte dat zijn opvolgers zich hebben voorgesteld in dat werk een volmaakte en definitieve doctrine te vinden. Noemde hij zelf de Summa op het einde van zijn leven – hij werd slechts 49 jaar – niet gewoon slechts « stro »? Het was wachten op de 20ste eeuw opdat een geniale leerling de theologie van de H. Thomas tot zijn voltooiing zou brengen.

DE REMEDIE : EEN TOTALE THEOLOGIE

Laten we nu de weg volgen die onze vader uitgetekend heeft. Hij bevrijdt de theologie uit de « gevangenis van Aristoteles », dat wil zeggen het intellectualisme en het individualisme, door terug te keren naar de Bijbel en naar de geschiedenis. Het resultaat is een levende theologie die gebaseerd is op het ingrijpen van God in de geschiedenis.

Om zijn leer toegankelijk te maken voor een breed publiek voert onze vader er de meest universele menselijke ervaring in binnen, die niet alleen een bijzondere smaak zal geven aan de christelijke mysteries die wij denken te kennen, maar die ons ook... het intieme leven van de goede God en zijn Hart zelf zal openbaren ! Dat is wat hij al onderwees in een retraite gepreekt voor de zusters van Groslay in 1956 : « Hoe gaat God zich openbaren in zijn diepste essentie, Vader, Zoon en Geest ? Dankzij onze meest menselijke ervaringen, ik zou bijna zeggen de meest lichamelijke. »

Ieder van ons vindt in zijn leven kleine voorafbeeldingen van de goddelijke liefde, in de relaties van vaderschap, kind zijn, vriendschap en echtelijke liefde. Op dezelfde manier als een familievader een huis wil bouwen om er zijn vrouw en kinderen in onder te brengen, zo schept onze God het heelal om er... zijn Vrouw, wel ja, en al zijn kinderen, wij allemaal, te installeren.

Maar als we terugkeren naar de God van de filosofen, dat eenzame Wezen opgesloten in zijn geluk dat enkel zichzelf kent, hoe kunnen we dan verklaren dat Hij op een bepaalde dag besluit ons te scheppen ? In zijn volmaaktheid uit zichzelf treden en ons scheppen ? Neen ! Er is bijgevolg een blijvende tegenspraak tussen de ontoereikende filosofie van Aristoteles en de geloofswaarheden waaraan Sint-Thomas met hart en ziel gehecht is, maar die niet vruchtbaar genoeg kunnen zijn omdat ze in dat carcan opgesloten zitten.

De totale theologie van abbé de Nantes daarentegen is buitengewoon rijk en vruchtbaar, “ totaal ” omdat zij de kennis van de goddelijke mysteries in verband brengt met de mysteries van de mens en de geschiedenis van de mens in verband met God. Zij zal ons een God doen kennen die in voortdurende relatie staat met de mensengeschiedenis.

GOD IS VADER

Abbé de Nantes opent zijn Bijbel op de eerste bladzijde en leest : « Gods Geest zweefde over de wateren. » Hij noteert : « Ik stel vast dat God toch niet zo transcendent is, vermits Hij over de wateren zweeft ! Ik heb eerder de indruk, zoals Sint-Augustinus het uitdrukt, dat Hij zich welwillend neerbuigt. » Heel het vervolg van de Bijbel, van de schepping tot de komst van de Messias, bevestigt dat eerste besluit : God is dicht bij de mens, met wie Hij een Verbond probeert te sluiten. In de loop van de gewijde geschiedenis zal God zich meer en meer openbaren als de Vader van alle mensen. Hij heeft dezelfde eigenschappen als een menselijke vader, niet op lichamelijk vlak, maar psychologisch, want Hij geeft menselijke wezens het leven en houdt van hen met een onbetwistbare liefde. Hij vraagt hen slechts één ding, dat ze Hem erkentelijk zouden zijn.

“ Vader zijn ” en “ kind zijn ” liggen aan de oorsprong van de schepping. Dat zou vanzelfsprekend moeten zijn voor een goede christen die weet dat God Vader is en Zoon in de eenheid van eenzelfde Geest. En toch hebben onze theologische handboeken er de voorkeur aan gegeven te zwaaien met filosofische concepten uit de keuken van Aristoteles... Het relationisme van abbé de Nantes daarentegen laat ons toe beter door te dringen tot het prachtige mysterie van God.

Het is de Openbaring die ons doet begrijpen dat God in de hoogste mate Vader is, dat Hij om het zo te zeggen een ziel van vader heeft. Van in alle eeuwigheid, vóór elke schepping, heeft Hij een Zoon verwekt. Het vaderschap is de kern zelf van zijn persoonlijkheid. Bijgevolg zijn er in God minstens een Vader en een Zoon. Dat vinden we inderdaad overal in de Bijbel terug : God is onze Vader. Daaruit vloeit een intieme kennis van God voort : « Het geheim van zijn Wezen is dat Hij niet solitair is, maar relationeel ! »

God treedt bij wijze van spreken voortdurend uit zichzelf, in een formidabele, extatische beweging, die maakt dat Hij zich werpt in een andere dan Hijzelf is. Is het niet eigen aan de liefde dat men zich werpt in diegene die men liefheeft ? De Vader in de richting van de Zoon, aan wie Hij alles geeft en in wie Hij zijn verzadiging vindt, terwijl de Zoon zich keert naar zijn Vader, vol erkentelijkheid tegenover Hem van wie Hij het leven krijgt. Uit die dubbele beweging ontspringt de H. Geest, verpersoonlijking van de wederzijdse liefde van de Vader en de Zoon.

GOD IS SCHEPPER OMDAT HIJ VADER IS

« En wanneer God besluit om op een goeie dag met de schepping te beginnen, is dat als een herhaling van die intieme beweging van de Drie-eenheid, die als het ware explodeert buiten Hemzelf en het ontstaan geeft aan de schepping rondom ons. » Om die reden belijden wij eerst ons geloof in God de Vader en nadien in God de Schepper : « Ik geloof in God de Almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde. »

Zo beginnen wij de diepere redenen te begrijpen die God ertoe gedreven hebben zijn Almacht te gebruiken om de hemel, de aarde en heel het universum te scheppen. God vindt zijn vreugde in het geven van het Leven, eerst aan zijn Zoon, daarna aan de schepping ; en om maar meteen alles te zeggen, ook aan de “ boven-schepping ” : het genadeleven dat vloeit uit de sacramenten van de Kerk om aan onze zielen het leven te schenken.

De liefde tot God, zegt de Navolging, doet hem die zich daaraan overgeeft opspringen en lopen. Maar ook de goede God zelf springt op en loopt, op zoek naar het verloren schaap ! Zo bekeken komen de parabels van het Evangelie werkelijk tot leven. Maar als we God enkel definiëren als de Unieke, de Transcendente, de absoluut Onafhankelijke... welk is dan het verband met het voorbeeld van Jezus in het Evangelie ?

We moeten dus kiezen tussen de logische besluiten van de menselijke rede die aan het westers denken geleidelijk aan het beeld van een kille en verre God opgelegd hebben, ofwel de waarheid van een God die Vader, Zoon en H. Geest is en ons geopenbaard werd door de Bijbel en de levens van de heiligen.

MENSWORDING

Jezus geeft ons zijn Lichaam te eten en zijn Bloed te drinken. Mozaïekstudie door de Russische kunstenaar Viktor Vasnetsov ( 1901 ).

Dan volgt de grote vraag : maar waarom is God mens geworden ?

Het klassieke antwoord van de H. Thomas van Aquino : om ons te redden. Van wat ? Van de zonde. En als er geen zonde zou geweest zijn ? Sint-Thomas ziet niet in waarom God mens zou geworden zijn als er geen zonde zou geweest zijn. En inderdaad, de rede verzet zich daartegen.

Het antwoord van onze vader : God is mens geworden om met ons te spreken, om in communicatie met ons te treden ! Nog voor er sprake is van zonde, houdt God ervan om zich met zijn schepsel te onderhouden, zoals we dat al zien in het Aards Paradijs wanneer Hij Adam en Eva ontmoet in de koelte van de middag. Abbé de Nantes vergelijkt het met een papa die “ dada ” doet om zijn kind te vermaken of met een spreker en zijn gehoor, bv. als hij zelf een conferentie houdt : « Ik spreek tot jullie en ik ben gelukkig dat te kunnen doen, ik ben blij dat de zaal vol zit. Jullie zijn aandachtige geesten en ik zeg jullie wat ik denk. En als er niemand was ? Dan zou ik proberen een publiek op te wekken. Als ik almachtig was, zou ik voor mezelf elke avond een publiek scheppen om het geluk te hebben het te kunnen toespreken ! »

Een zo grote en machtige God buigt zich op een ongelooflijke manier over ons neer om een kleine mens te worden, die zo zwak is dat Hij slechts moeizaam erkend wordt door een heel beperkte groep. Petrus werpt zich aan de voeten van zijn Meester wanneer hij zijn geloof belijdt : « Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God ! » De apostelen zien met hun ogen de mens Jezus, maar met een bovennatuurlijk, mystiek aanvoelen, namelijk het geloof, dringen zij door tot zijn mysterie en belijden zij in Hem God die mens geworden is.

Deze relationele theologie omzeilt met gemak alle obstakels van de scholastiek. Tegelijk God én mens is een tegenspraak, zeggen de filosofen. In werkelijkheid zijn het slechte filosofen, want voor een goede christelijke filosoof springen de schijnbare zekerheden van de rede uiteen voor de realiteit van de christelijke mysteries. Zo tekenen zich een nieuwe filosofie en een nieuwe theologie af, die minder op zoek gaan naar het “ hoe ” dan naar het “ waarom ” : de bedoeling die aan de basis ligt van het mirakel van de Menswording, waardoor wij toegang krijgen tot de diepte van het mysterie en tot de kern van het bestaan van Onze Heer Jezus Christus. Want de wil van de tweede Persoon van de H. Drie-eenheid blijft onveranderd vóór, tijdens en na zijn Incarnatie. Hij heeft slechts één verlangen : altijd beantwoorden aan de roeping die zijn Vader Hem gegeven heeft. Zijn manieren van zijn past Hij aan, maar niet de kern van zijn wezen. Jezus is de Zoon van zijn Vader, gisteren, vandaag en voor altijd !

EUCHARISTIE

Het mysterie van de Eucharistie krijgt plots ook een grotere helderheid.

1. De tegenwerping van de filosofen.

Tegen het mysterie van de Eucharistie stellen de filosofen dezelfde rationalistische tegenwerping : Tegelijkertijd een menselijk lichaam én de gedaante van brood is een tegenspraak ! Want voor hen stemmen met elke “ natuur ” de “ accidenten ” (accidentele eigenschappen) van die natuur overeen : een hond heeft de gedaante of het uiterlijk voorkomen van een hond, maar niet van een kat : onmogelijk ! Dus kan een mens niet de gedaante van brood hebben.

2. Antwoord van de H. Thomas van Aquino.

Sint-Thomas, die het geloof wil redden tegen de rationalisten, antwoordt op die kritiek, maar blijft de gevangene van de definities van Aristoteles. Tijdens de transsubstantiatie wordt volgens hem de substantie brood veranderd in de substantie Lichaam van Christus, maar de gedaante of de accidenten van het brood, de kleur, de smaak... blijven vóór en na de consecratie behouden. Men zou kunnen zeggen dat de accidenten door de macht van God in de lucht blijven hangen terwijl ondertussen de substanties wijzigen : de substantie brood verdwijnt en de substantie Lichaam van Christus komt in de plaats, verborgen achter de accidenten. Overeenkomstig de filosofie van Aristoteles moet Sint-Thomas ontkennen dat deze accidenten die van het Lichaam van Christus zouden zijn ; ze zijn dus herleid tot een soort van omhulsel.

3. Tegenwerping van onze vader.

Het vervelende is, aldus abbé de Nantes, dat op die manier de priester die de geconsacreerde Hostie in zijn handen houdt brood aanraakt, dat de gelovige die naar de Hostie in de monstrans kijkt brood ziet. Alleen het geloof verzekert ons dat voorbij de uiterlijke gedaante van brood er substantieel de realiteit is van het Lichaam van Christus.

Drie eeuwen later zal een monnik tot een ketterse leer komen : de impanatie. Het brood blijft bestaan, zowel de substantie als de accidenten, en Christus verbergt zich daarin. Die geestelijke heette Maarten Luther !

Het Concilie van Trente heeft hem weerlegd met volgende plechtige bevestiging : « Wie verklaart dat er na de consecratie nog brood is, weze gebanvloekt. » Dat is duidelijk ! Maar bij het bevestigen van het dogmatisch karakter van de transsubstantiatie heeft het Concilie toch niet de verklaring van Thomas van Aquino willen opleggen, die niettemin de klassieke leer van de Kerk zal worden. Het spijtige gevolg is dat het mysterie herleid wordt tot een gebrekkige scholastieke formule.

4. De oplossing van de totale theologie.

Het mysterie van de Incarnatie is dat van God die mens wordt : Jezus. Hij heeft niet gezegd : « Wie Mij ziet, gelooft dat achter Mij God verborgen is », maar wel : « Wie Mij ziet, ziet de Vader. » De Eucharistie is de voortgezette Menswording om de gelovigen zijn vlees als voedsel en zijn Bloed als drank te geven, opdat Hij zich met ons op de meest intieme wijze zou kunnen verenigen. Daarom neemt Jezus Christus de gedaanten van brood en wijn aan : wie de hostie ziet, ziet Jezus. De goddelijke Persoon van Christus neemt dus de gedaante van het brood en maakt zich die eigen, zodat het niet meer de gedaante van het brood is, maar die van Hemzelf ; en hetzelfde doet Hij met de gedaante van de wijn om ons zijn eigen Bloed te doen drinken !

Jezus heeft immers alle macht om tegelijkertijd zichzelf te zijn in zijn Lichaam, Bloed, Ziel en Godheid én zich ook te manifesteren als ons brood en onze wijn, in die mate dat we dat ook echt zien ! Dat brood en die wijn, waarvan Hij ons voedsel en onze drank voor het eeuwig leven wil maken, dat is Jezus zelf die levend aanwezig is.

De theologie van de Eucharistie volgens de H. Thomas vertoont nog een ander zwak punt. Voor hem is de Mis slechts een « voorstelling van het Lijden ». Onze vader merkt echter op dat de Mis in de begintijden van de Kerk ook Handeling werd genoemd, wat ze ook werkelijk is : het is geen voorstelling, het is een handeling en wel de Handeling bij uitstek, vermits Christus elke keer opnieuw zijn Offer vernieuwt. Hij plaatst zich terug in zijn toestand van hogepriester en slachtoffer om het mededogen van zijn Vader over ons af te smeken, elke keer opnieuw : « Jezus bidt zoals Hij op het Kruis bad, voor ons die de Mis bijwonen. Het is zijn eigen handeling die Hij onafgebroken hernieuwt. Hij is daar met zijn blik, met zijn oren, Hij hoort ons, Hij ziet ons, Hij let op onze aanwezigheid en antwoordt op onze gebeden. Hij deelt zijn genaden uit aan de aanwezigen. »

Belangrijk is tenslotte dat abbé de Nantes zo het uiteindelijke doel van dit grote sacrament terug in ere hersteld heeft. De voorbije eeuwen heeft de Kerk vooral de nadruk gelegd op het mirakel van de consecratie, om de protestanten van antwoord te dienen. Maar in de eerste eeuwen van het christendom stond de consecratie ten dienste van de communie. Die communie, de mysterieuze vereniging van God met zijn schepsel, beantwoordt op een bovennatuurlijke manier aan de diepste verlangens van onze menselijke natuur. Onze vader heeft dat prachtig weergegeven in een Brief aan zijn vrienden van juli 1963 : « Dit brood en deze wijn zijn de taal die het Kindje Jezus tot je spreekt om te antwoorden op de verborgen wens van je natuur, die Hij heel goed kent en die zijn mama, de meest liefhebbende van alle schepsels, al onder woorden bracht : ik zou je willen opeten. »

Inderdaad : in de communie « ontvangen we Hem levend en glorierijk in zijn volledig Wezen, in zijn goddelijke Persoon. Hij komt met al zijn liefde, met heel zijn hernieuwd Offer, met al zijn wijsheid en heel zijn wil. Hij is levend aanwezig binnen in ons lichamelijk en geestelijk wezen. »

GOD VAN MARIA

We hebben gezien hoe Onze Heer Jezus Christus zich de perfecte Zoon van zijn Vader toont. De juiste leerstellige term is consubstantieel, maar die is moeilijk te begrijpen voor niet-filosofen. De perfecte Zoon van zijn Vader spreekt ons meer aan.

Zo ook is Jezus de perfecte Zoon van de Maagd Maria en tegelijk haar Bruidegom. De grootste theologen en de heiligen hebben die prachtige vereniging tussen Jezus en Maria bezongen, de nieuwe Adam verenigd met de nieuwe Eva onder de zegen van God de Vader. Maar abbé de Nantes is ongetwijfeld de eerste die een verband heeft gelegd tussen het goddelijk mysterie en de menselijke liefde, waarvan wij allemaal in meer of mindere mate de ervaring hebben. Laten we in zijn voetspoor bekijken wat het oorspronkelijk plan van God was, vóór de zondeval. Wat wou God toen hij de man en de vrouw schiep ? Door het feit zelf dat ze verschillend zijn – maar terzelfdertijd ook complementair op anatomisch, fysiologisch en psychologisch vlak – heeft God in hen beiden een verlangen naar vereniging gelegd. Maar die vereniging gebeurt niet in gelijkheid : men moet een onderscheid maken tussen het verlangen van de man die de vereniging wil en bewerkt, en het verlangen van de vrouw die verwachting en toestemming is.

Dat het Woord van God het vlees van een man heeft aangenomen, is geen toeval. Hij is man, geboren uit een vrouw, namelijk de Onbevlekte die uitgedacht werd door zijn Vader : de Maagd Maria, in wiens schoot Hij mens wordt. In die schoot begint Jezus aan een uitzonderlijke en onvergelijkelijke vereniging : Hij is niet alleen haar Zoon volgens het vlees, maar ook haar Schepper, haar Meester, haar Heer. Een mysterieuze vereniging die voorspeld werd door de profeet Jeremias : « Een vrouw zal een man omgeven » (31, 22)... in haar schoot ! Zo zijn zij « twee in één vlees », wat precies de definitie van het huwelijk is in de Bijbel. Maar het is een huwelijk dat oneindig superieur is aan het menselijk huwelijk : een mystiek huwelijk waartoe onze zielen geroepen zijn om de vereniging met de Bruidegom te kennen.

Zo beginnen we te begrijpen dat heel de schepping in twee geslachten, en in het bijzonder die van de man en de vrouw, tot en met de grote wet van de lichamelijke aantrekking – die tot de natuurlijke orde behoort en dus toegankelijk is voor onze ervaring – door God gewild werd om ons de volmaakte vereniging van Jezus en Maria te openbaren. Als het Woord vlees is geworden dan was dat om met het uitverkoren schepsel dat de Onbevlekte is dat soort van vereniging te kennen die voortvloeit uit de aantrekking van de geslachten, die de man naar de vrouw drijft. Christus, de mens geworden Zoon van God, werd er door die liefdesaantrekking toe bewogen om te huwen met die zeer zuivere Maagd om met haar een perfecte vereniging te kennen, even sterk als zijn eenheid met de Vader. Zoals de Angelsaksische monnik Beda Venerabilis het in de 8ste eeuw formuleerde : « De Zoon, één in wezen met de Vader, werd één in wezen met Maria ! »

Het plan van God bestaat er in al onze vormen van menselijke liefde te betrekken bij de haard van mystieke liefde die tussen die beide Harten bestaat. Het ene is actief, krachtig, viriel – de leider, de man, de Schepper, Onze Heer Jezus Christus en op analoge wijze allen die op Hem lijken ; het andere is passiviteit, ontvangst, instemming en overgave, het is de vrouw die de rol moet opnemen van gehoorzame dienares en nederig schepsel, het is de Maagd Maria en allen die op haar gelijken.

In God is dus de onderwerping van de vrouw aan de man ingeschreven, zinnebeeld van de fundamentele onderwerping van de man aan zijn Schepper. Daaruit volgt een theologie van de afhankelijkheid eerder dan van de vrijheid, van de dienstbaarheid eerder dan van de persoonlijke ontplooiing, van complementariteit eerder dan van gelijkheid. Het gaat om een theologie van harten die elkaar liefhebben en die elkaar alleen willen liefhebben in God.

GOD VERLOSSER

Al in het boek Genesis kondigt God aan dat Hij op een dag plaats zal nemen in het hart en de buik van zijn schepsel. Zo heeft Hij het gewild. Maar helaas is het Satan die zich van die plaats zal meester maken... Ook op dit punt zien we een vernieuwing van de traditionele leer van de erfzonde, in staat om een verklaring te geven voor heel de ontaarding van onze tijd die het logisch gevolg is van een afschuwelijke zonde – de eerste bezetenheid door de duivel, volgens abbé de Nantes. Het beeld van de appel verbergt een afgrijselijke realiteit : Eva heeft samen gelegen met de duivel. Het is de grootste zonde die een vrouw ooit bedreven heeft, een vorm van afgoderij, een daad niet alleen van overspel, maar ook van homoseksualiteit en bestialiteit.

Sindsdien is het vlees bezoedeld en heeft Satan zijn intrek genomen in de kern van het seksueel leven. Wat het teken was van het grandioze plan van God is het teken van de vervloeking geworden. In plaats van God, Jezus en Maria hebben we nu Satan die over de man heerst door de vrouw en over de vrouw door de man.

Wij hadden het einde van de mensengeschiedenis verdiend, maar onmiddellijk ging God opnieuw op weg om de verloren mensheid terug te winnen. Onze gewijde geschiedenis verhaalt er alle « goddelijke wendingen » van. Eigenlijk had God heel de schepping in gang gezet voor haar, de Onbevlekte ; zij was als het ware zijn verloofde. Na de erfzonde was zij onze bliksemafleider en heeft zij voor ons de genade van de barmhartigheid verdiend. Daarom heeft God zijn oorspronkelijk plan om zijn schepsel te huwen niet opgegeven. Maar om zijn ontrouwe bruid vrij te kopen en terug te winnen moet Hij wel een prijs betalen : dat is het mysterie van de Verlossing die voltrokken zal worden op het Kruis.

De klassieke theologie zegt ons : omdat de belediging van God oneindig was, moest er een oneindig herstel zijn dat alleen een God kon volbrengen, als volmaakte Hogepriester en Slachtoffer. Zeker ! Maar laten we een stap verder zetten en de diepste reden voor onze Verlossing begrijpen, wat de goede God uitgedacht heeft om zijn trouweloze Eva te raken en haar hart te doen omslaan. Hij heeft zijn Zoon gezonden, de mens geworden God, die naar haar op zoek gegaan is en zijn leven heeft gegeven om haar te redden : de liefdesdood van Jezus en Maria op het bed van het Kruis. In het licht van zo’n grote liefde en zo’n oneindig erbarmen hoopt onze hemelse Vader dat zij, zoals de verloren zoon, zal begrijpen dat de oneindige zonde vergeven is, dat zij zich zal bekeren en naar Hem zal terugkeren in een opwelling van wederliefde.

Maar hoe moet het mensenhart voorgoed trouw blijven ? Daar is een bijkomend geschenk van God voor nodig : de gave van God, de gegeven God – dat wil zeggen de H. Geest.

DE GEGEVEN GOD

De H. Geest wordt dus tot ons gezonden om ons terug te voeren naar onze Verlosser en, via Hem, naar onze Allerliefste hemelse Vader die wij beledigd hebben.

De klassieke uitleg brengt alles terug tot de “ staat van genade ”, wat zeker juist is, maar het nadeel heeft dat de christen wordt overgelaten aan het oordeel van zijn eigen geweten : « Ik ben in staat van genade dus ik kan te communie gaan. Ik ben niet meer in staat van genade dus er blijft mij helemaal niets meer... » Abbé de Nantes geeft de voorkeur aan de visie van de Griekse kerkvaders, die meer Bijbels en mystiek is : zij zien in de sacramenten een ontmoeting tussen de ziel en de Drie Goddelijke Personen, die zich toeleggen op haar heiliging. Een goede christen leeft zo in intieme vriendschap met de H. Geest, die in hem komt om hem te vervolmaken en hem onophoudelijk naar het goede te leiden ; door dat contact wordt de christen geleidelijk aan omgevormd, ja vergoddelijkt.

« Ons christelijk leven is een genade die opwelt uit het Hart van Christus en onophoudelijk in onze zielen stroomt. Hij is op zichzelf een fascinerende Persoon die, méér dan de duivel en tegenover alle fascinaties van de duivel, in staat is zijn geestelijke aanrakingen te vermenigvuldigen opdat onze ziel zou vervuld worden van een liefde die onophoudelijk herboren wordt. » Onze vader voegt hier nog aan toe dat de H. Geest ons slechts op de meest volledige wijze geschonken wordt in de schoot van zijn katholieke Kerk.

Maar wat is de precieze persoonlijkheid van die zo mysterieuze Derde Persoon ? Zijn zending is het om in de wereld (ad extra) te zijn wat Hij in God IS (ad intra) : een Liefde van de Vader en de Zoon, volgens het woord van Sint-Paulus : « De liefde Gods is uitgestort in onze harten door de H. Geest, die ons geschonken is » (Rm 5, 5). De rol die Hij in onze harten speelt, stemt overeen met de eeuwige rol die Hij speelt in de H. Drie-eenheid : Hij springt tevoorschijn uit de Vader en de Zoon en keert onmiddellijk naar hen terug. De Vader en de Zoon genieten zozeer van hun eenheid dat zij de behoefte voelen om die eenheid aan elkaar te verklaren in een stralende “ explosie ” die Liefde heet. Abbé de Nantes vergelijkt het « met een man en een vrouw die elkaar zozeer liefhebben dat zij ertoe komen over “ onze liefde ” te spreken ; hun twee harten zijn één geworden. » Op een dag wordt die “ explosie ” sterker, wanneer de Vader en de Zoon hun Liefde buiten zichzelf (ad extra) projecteren : dat is de ­schepping.

Wat doet de H. Geest nadat Hij uit de schoot van God ontsprongen is ? Terugkeren naar God met al zijn Macht en niet zonder naar de Vader en de Zoon de vrucht van zijn verovering “ ad extra ” mee te brengen : heel de schepping die er heeft in willen toestemmen om haar hart te laten veroveren, dat wil zeggen de gelovigen van de katholieke Kerk en al diegenen die op mysterieuze wijze tot haar aangetrokken worden. Daarom werkt de ware H. Geest slechts voor, in en door de Kerk.

DE GEMEENSCHAP VAN DE HEILIGEN

Wat is de Hemel en waarom moeten wij verlangen alles op te offeren om hem te verdienen ? Voor de heidenen komt het leven na de dood neer op de bevrediging van alle passies, als beloning voor de rechtvaardigen. In reactie daartegen hebben de filosofen opgeworpen dat de Hemel de rede zou moeten voldoen : dat is dan de eeuwige contemplatie van de Waarheid.

Onze relaties blijven in de Hemel bestaan.
Detail van Het Laatste Oordeel door Fra Angelico, Firenze, San Marcoklooster, ca. 1425.

Niemand weet wat het leven in de Hemel zal zijn. Het is als een grote muur waar wij niet overheen kunnen geraken. God heeft het zo gewild opdat de mens de nood zou voelen aan een Verlosser. Wanneer dan Jezus Christus arriveert, de mens geworden God, opent zich een venster, het enige, en volstaat het te luisteren en te kijken naar zijn leven om te weten wat onze Hemel zal zijn. Het zal een leven in het vlees zijn, vermits Onze Heer Jezus verrezen is in het vlees, en op een welbepaalde fysieke plaats dus, vermits wij er met ons lichaam zullen zijn. En we zullen zelfs eten in het Paradijs, want Jezus heeft met zijn apostelen gegeten na zijn Verrijzenis. Veeleer dus dan onze voorstelling van de Hemel te plooien naar de idee die de Griekse filosofen – en in de eerste plaats Aristoteles – er hebben van nagelaten, kiest onze vader er resoluut voor alles gelijk te stellen met de realiteit van het Evangelie : Onze Heer Jezus is verrezen om ons het model te schenken van wat ons toekomstig leven zal zijn.

En trouw aan zijn methode ziet hij tekens van zijn interpretatie in de schepping. God heeft de zijderupsen geschapen om ons het leven van de Hemel te doen begrijpen : wanneer de zijderups zijn cocon spint en daarin verdwijnt, is hij schijnbaar verloren, zoals een mens in zijn graf ; maar enige tijd later komt hij uit de cocon te voorschijn en wordt een vlinder : het gaat nog altijd om dezelfde zijderups van het begin, maar omgevormd, mooier geworden, in staat om te vliegen en wie hem benadert blij te maken... Zo is het leven van de heiligen in de Hemel !

Passies en zonden verdwijnen, maar de relaties blijven bestaan. Zo is de Hemel dus niet zozeer uitgedacht voor de filosofen, maar veeleer voor iedereen die zijn naasten heeft liefgehad en verlangd heeft hen op een dag terug te zien. De Hemel voor mij, dat zullen de anderen zijn. In de woorden van de H. Teresia van het Kindje Jezus : « De Hemel is beminnen, bemind worden en terugkeren op aarde om de Liefde te doen liefhebben ! »

broeder Benoît van Jezus Nazareeër
Hij is verrezen ! nr. 106, juli-augustus 2020