Bartolomé de las Casas: een dominicaan tegen de expansie van de christenheid

Wie voortgaat op Wikipedia om betrouwbare historische kennis op te doen, komt vaak bedrogen uit. Over de Spaanse dominicaan Bartolomé de Las Casas (1484-1566) schrijft de online-encyclopedie : « In tegenstelling tot veel van zijn collega’s [men bedoelt : confraters] en tijdgenoten nam hij het op voor de inheemse bewoners van het pas door Chris­toffel Columbus ontdekte land. Hij heeft ervoor gezorgd dat de Indiaanse slavernij is gestopt, door keizer Karel V over te halen. [...] Las Casas wordt gezien als een groot beschermer van de Indianen en als een van de eerste voorvechters voor de mensenrechten. »

Wikipedia praat gewoon de officiële geschiedschrijving na die ons opgedrongen wordt : de slechte Spaanse conquistadores die de Indianen uitbuitten versus de goede dominicaan die heilig verontwaardigd was en de autochtonen in bescherming nam. Zonder verdere nuancering en zonder dieper op de zaak in te gaan. Dat laatste deed wél broeder Scubilion van de hemelse Koningin, specialist inzake de missionering. Voor het artikel van zijn hand dat we hieronder in vertaling publiceren – aangevuld met enkele verduidelijkingen van onszelf – baseerde hij zich op het werk van de Spanjaard Alvaro Huerga, een autoriteit inzake de 16de eeuw en zelf trouwens ook een dominicaan : Fray Bartolomé de Las Casas, vida y obras (Franse uitgave bij Cerf, 2005 ; 498 pp.).

CHRISTOFFEL COLUMBUS EN ZIJN VIJANDEN

OP 12 oktober 1492 plantte de Genuees Columbus het kruis op de oever van een Caraïbisch eiland dat hij San Salvador doopte, in de overtuiging dat hij via het westen India bereikt had. Met de ontdekking van de Nieuwe Wereld begon het tijdperk van het Spaanse wereldrijk « waarover de zon nooit zou ondergaan ».

Fray Bartolomé de Las Casas (1484-1566)
was de grondlegger van de “ zwarte legende ”
die tot op vandaag de afkeer voor
het katholieke Spanje voedt.

De beroemde ontdekkingsreiziger wordt vaak en volkomen ten onrechte in een kwaad daglicht gesteld. Hij was een diepgelovig man, heel deugdzaam ook en er erg om bekommerd de Indianen waarmee hij geconfronteerd werd goed te behandelen. Hij was vertrouwd met het getijdengebed, volgde strikt de vastenperiodes en betoonde een diepe eerbied voor de door de Kerk ingestelde devoties. Hij ging regelmatig te biechten en te communie, wat uitzonderlijk was voor de leken in zijn tijd. Om die reden werd hij hoog geacht door de minderbroeders van het klooster van La Rábida (Huelva), die hem hielpen bij de realisatie van zijn project om westwaarts op ontdekking te gaan.

Zijn succes schonk Spanje een nieuw continent om te evangeliseren, een schenking die bevestigd werd door paus Alexander VI Borgia, maar de ontdekkingen van Columbus wekten jaloezie en ambities. Voor zijn tweede reis (25 september 1493) scheepten zich bijna 1500 Castiliaanse edelen in, meer aangetrokken door de roem en de rijkdom dan door het ideaal van de kruistocht dat de Genuees nauw aan het hart lag... Want was zijn voornaam niet Cristoforo, de “ Christusdrager ”? Hij zag er zelf een bijzondere roeping in.

Aartsdiaken Juan de Fonseca, die de leiding had over de kantoren van de Spaanse marine in Sevilla, gaf de zeekaarten van Columbus door aan zijn eigen beschermelingen Amerigo Vespucci en Vicente Pinzón, met de toelating om zelf op ontdekkingsreis te gaan. Daarmee negeerde hij de overeenkomsten van Santa Fé, waarin koning Ferdinand die toelating gereserveerd had voor Columbus alleen. Eerste verraad !

Bij zijn terugkeer op Hispaniola (vandaag Haïti en de Dominicaanse Republiek), het eerste bestuurscentrum van de Nieuwe Wereld, constateerde Columbus dat hoofdrechter Francisco Roldán in opstand gekomen was tegen zijn broer Bartolomeo Columbus, die hij tot gouverneur had aangesteld tijdens zijn afwezigheid. Roldán, een creatuur van Fonseca, had zich aangesloten bij de meerderheid van de kolonisten en net als zij Indianen tot slaaf gemaakt om een luilekkerleventje te kunnen leiden. Hij verweet de gebroeders Columbus dat zij vreemdelingen waren, dat zij iedereen een te vurig religieus leven oplegden – in het bijzonder de regelmatige biecht en communie alvorens goud te gaan zoeken – en dat zij hun beletten zomaar een inlandse vrouw te nemen.

Terug in Spanje organiseerde de admiraal een derde reis (30 mei 1498), maar de laster verspreid door Fonseca en de rebellen maakte dat niemand wou inschepen ! Daarom kreeg hij van koning Ferdinand misdadigers uit de gevangenis mee, die natuurlijk geen ideale kolonisten waren... Bij zijn aankomst op Hispaniola stelde de Genuees vast dat de kantoren van Fonseca hem bedorven eten hadden meegegeven. Hij moest de Spaanse edelen daarom dwingen de grond te bewerken om niet van honger om te komen. Die fiere hidalgo’s rebelleerden echter en maakten de plaatselijke Indianen, de Taíno, tot slaaf, terwijl ze de ene brief na de andere met aanklachten tegen de admiraal naar Sevilla stuurden.

DE INSTELLING VAN DE “ ENCOMIENDAS ”

De lastercampagne had succes. De Katholieke Koningen zonden als gevolmachtigde de edelman Francisco de Bobadilla, die de beide broers Columbus gevangennam en geketend terug naar Spanje stuurde. Koning Ferdinand ontnam Christoffel zijn titels en rijkdommen. Na een vierde en laatste reis naar de Nieuwe Wereld stierf de grootste ontdekkingsreiziger aller tijden arm en volkomen vergeten. Zijn zonen eisten tevergeefs dat hem recht zou worden gedaan.

Bobadilla, de opvolger van Columbus als gouverneur van de Spaanse ontdekte gebieden in Amerika, deed zich kennen als hard en hebzuchtig. Zijn houding lokte een opstand van de Indianen op Hispaniola uit, die in het bloed werd gesmoord door de man die na hem de leiding kreeg, Nicolás de Ovando.

Maar koningin Isabella, die altijd had geloofd in de christelijke idealen en aanpak van Columbus, zag met lede ogen hoe de Indianen het slachtoffer werden van mannen die hen minachtten en enkel uit waren op goud. Om de inboorlingen te beschermen stichtte zij het systeem van de encomiendas : de veroveraars kregen van de Spaanse Kroon de opdracht om dorpen van Indianen te besturen en hen te verdedigen tegen misbruiken, om kerken te bouwen zodat zij geëvangeliseerd konden worden en om er zich van te verzekeren dat hun arbeid vrij zou zijn en vergoed zou worden. Het systeem hield ook in dat de Indianen altijd eigenaar van hun gronden zouden blijven.

Hoe komt het dan dat de om hun volgzaamheid en vredelievendheid zo geroemde Taíno-bevolking zo snel terugliep in aantal ? De reden was dat deze zwakke en ondervoede Indianen geveld werden door de ziekten die de Spanjaarden hadden meegebracht... of opgegeten werden door hun vijanden, de agressieve Cariben, die beruchte kannibalen waren.

Op haar sterfbed vroeg koningin Isabella aan haar man de belofte dat hij gouverneur Ovando zou terugroepen. Ferdinand deed dat in 1509 en benoemde in zijn plaats Diego Columbus, de zoon van de ontdekkingsreiziger, als een late blijk van eerherstel.

LAS CASAS, DE ZELFBENOEMDE HERVORMER

Op het schip waarmee Ovando in 1502 op Hispaniola aangekomen was, bevond zich een priester : Bartolomé de Las Casas. Hij nam deel, « met de haakbus in de aanslag » (cf. Huerga, op. cit., p. 44), aan de meedogenloze repressie van de Indianen die de nieuwe gouverneur bevolen had. Als beloning kreeg hij de titel van conquistador en een slaaf, maar ook de zorg voor een encomienda.

In 1510 landde een grote groep dominicanen op het eiland. Ze kenden de feitelijke toestand op Hispaniola niet en spraken zich al te voorbarig uit tégen het encomienda-systeem in de mening dat het om verdoken slavernij ging. Gouverneur Diego Columbus liet zich echter niet uit het veld slaan ; hij deed zijn beklag bij koning Ferdinand, die de dominicanen opdroeg hun mond te houden. Maar het kwaad was geschied : Las Casas, die door de dominicanen gedwongen was af te zien van zijn encomienda, besloot opnieuw aan boord te gaan van een schip richting Spanje met de dwaze ambitie de hervormer van “ India ” te worden !

In oktober 1516 kwam hij aan in Sevilla. Na de dood van Ferdinand van Aragón was, in afwachting van de meerderjarigheid van zijn kleinzoon Karel (de toekomstige keizer Karel V), de grote en heilige kardinaal Cisneros tot regent benoemd. Die stuurde Las Casas onmiddellijk terug naar Hispaniola, geflankeerd door drie hiëronymieten die zijn beweringen moesten verifiëren. Die geestelijken konden ter plekke alleen maar vaststellen dat de Indianen niet in staat waren om buiten de encomiendas, in volle vrijheid, een stabiel christelijk leven te leiden.

Las Casas was woest en schreef naar de kardinaal om de hiëronymieten ervan te beschuldigen dat ze onder één hoedje speelden met de kolonisten. Maar Cisneros gaf de religieuzen de opdracht om de onredelijke priester zonder pardon weer naar Spanje te sturen (cf. Huerga, op. cit., p. 103) ! Las Casas had de bui echter voelen hangen en was in juni 1517 uit eigen beweging scheep gegaan. Op hetzelfde moment waarop Luther in Wittenberg zijn stellingen tegen de katholieke Kerk uithing, begon Bartolomé de Las Casas een hardnekkige strijd tegen de vestiging van een echte, door Spanje omkaderde en gepatroneerde christenheid in de Nieuwe Wereld, waarbij hij zich twee doelen stelde : de afschaffing van de encomiendas en de kerstening van de Indianen zonder steun van de gewapende macht.

Spaanse veroveringen en ontdekkingstochten in Noord- en Midden-Amerika in de 16de eeuw.

In iets meer dan een halve eeuw tijd slaagden de Spanjaarden er in om een groot overzees rijk uit te bouwen

en de bevolking ervan te kerstenen.

EEN NIEUWE KERK VOOR EEN NIEUWE WERELD ?

Dat Las Casas met zijn eigengereide aanpak zoveel invloed zou krijgen, kwam omdat hij niet echt alleen stond : de franciscanen, de grote apostelen van Spaans-Amerika, hielden er ook bediscussieerbare ideeën op na.

In 1522 riep de Nederlandse paus Adrianus VI in een bul de bedelorden – en meer bepaald de franciscanen – op om naar de Nieuwe Wereld te trekken en de autochtonen te kerstenen. De drie eerste minderbroeders die aankwamen in Nieuw-Spanje (Mexico) waren Vlamingen : Jan Dekkers, Jan van der Auwera en Pieter van der Moere (die bekend zou worden als Pieter van Gent, Pedro de Gante). Net zoals de groep van Castiliaanse franciscanen die twee jaar later arriveerde, waren deze broeders doordrongen van optimisme : « Ze geloofden in de goedheid van de schepping en hadden vertrouwen in de gevoeligheid van de menselijke natuur voor de goddelijke genade. [...] Ze koesterden de vurige hoop dat de primitieve Kerk zou herboren worden in de nieuw ontdekte landen, verlost van de praal, de rijkdom en de corruptie waaraan de Kerk in Europa leed » (Fernando Cervantes, Conquistadores : A New History, Allen Lane, 2020, pp. 203-204).

Een franciscaanse kroniekschrijver merkte later op : « In heel de wereld is er nooit een volk geweest dat meer van nature geneigd of voorbestemd was om zijn ziel te redden dan de Indianen van Nieuw-Spanje. » De geestelijken waren niet blind voor het werk van de duivel, maar « die trotse geest was niet bij machte om deze fundamentele goedheid ongedaan te maken » (broeder Motolinía). Het gevolg van die visie was dat de franciscanen « de dringende behoefte voelden om afstand te nemen van de typisch Spaanse trots en vooringenomenheid ; ze wilden zichzelf tot Indiaan met de Indianen maken : flegmatiek en geduldig, arm en halfnaakt, vriendelijk en nederig » (Cervantes p. 204)... zoals Sint-Franciscus zelf was ! Deze veel te rooskleurige kijk leidde ertoe dat de volgelingen van de Poverello op zijn minst argwanend stonden tegenover de Spaanse conquistadores, die de Indianen in hun ogen te hard aanpakten. De brutale feiten hadden de franciscanen later de ogen moeten openen, maar zelfs toen veranderden ze niet van mening...

HET FIASCO VAN CUMANÁ

Op het moment dat Bartolomé de Las Casas in Spanje aan land ging, stierf kardinaal Cisneros. Las Casas profiteerde van het feit dat de nieuwe koning Karel niet op de hoogte was van de zaken in “ India ” om zich een concessie te doen toewijzen in Cumaná (Venezuela). Hij verzekerde iedereen die het horen wilde dat het project dat hij voor ogen had de monarch binnen de twee jaar tienduizend extra belastingbetalers zou opleveren !

In Cumaná was al in 1501 een missiepost gesticht door franciscanen die droomden van een poging tot zuivere evangelisatie, zonder de aanwezigheid van soldaten of kolonisten. Dat was een zware misrekening, want in 1520 verwoestte een inlandse stam hun klooster en bracht hen allemaal om het leven. De Real Audiencia (het hoogste orgaan van het Spaanse bewind in de Nieuwe Wereld) stuurde daarop troepen onder leiding van Gonzalo de Ocampo om het gebied te pacificeren. Ocampo bestreed de Indianen met succes en bouwde vervolgens in Cumaná een fort. Pas daarna liet hij kolonisten overkomen om een stad te stichten die hij Nieuw Toledo noemde. Er kwamen ook franciscanen over die hun klooster herbouwden. Dankzij de Spaanse militaire aanwezigheid verliep alles naar wens.

Maar Las Casas wou niet weten van soldaten in “ zijn ” concessie. Hoewel hij wist dat de franciscanen er uitgemoord waren door de Indianen, gaf hij Ocampo en zijn soldaten vanuit Spanje het bevel om rechtsomkeer te maken zodat zij de “ zuivere evangelisatie ” niet in de weg zouden staan ! In 1521 kwam hij aan op Puerto Rico. « Daar begon hij zich te realiseren dat de volgelingen die hij in Castilië had verzameld minder goed aan zijn plannen beantwoordden dan hij zich had voorgesteld. Sommigen werden ziek en stierven ; anderen installeerden zich met zoveel succes dat zij geen zin hadden om Puerto Rico te verlaten ; en nog anderen sloten zich aan bij de expeditie van Juan Ponce de León naar Florida » (Cervantes, op. cit., p. 118). Toen Las Casas eindelijk aankwam in Cumaná had hij nog slechts een handvol medestanders bij zich.

Te laat begreep hij zijn ongelijk toen hij vaststelde hoe groot het gevaar was dat van de inboorlingen uitging. Nauwelijks had de kleine groep een nederzetting op poten gezet of ze werden aangevallen door de Indianen ; ze staken het huis dat de geestelijke voor zichzelf gebouwd had in brand. Hij liet de nieuw aangekomen franciscanen halsoverkop in de steek en vluchtte terug naar Puerto Rico, waarop de religieuzen vijftien dagen na zijn vertrek op hun beurt om het leven gebracht werden... In zijn Geschiedenis van India verbergt Las Casas zijn verantwoordelijkheid voor die bloedige mislukking, die te wijten was aan zijn verblinding over de “ goedheid ” van de Indianen. Want de conquistadores hadden al sinds lang de wreedheid van deze stammen ontdekt tijdens een expeditie naar het zgn. Offereiland (in de Golf van Mexico) in 1518, aan de vooravond van de beroemde tocht van Hernán Cortés naar Tenochtitlán, het latere Mexico-Stad.

Die bloeddorstigheid van veel autochtone Amerikaanse volkeren is precies de reden waarom Cortés als een bevrijder verwelkomd werd toen hij in 1519 voet aan wal zette in Veracruz. Veel stammen sloten zich bij hem aan uit afkeer voor de verdrukking door de Azteken, die in de 14de eeuw stap na stap het binnenland van Mexico veroverd hadden. De inname van Tenochtitlán was het werk zowel van enkele honderden Spanjaarden als van duizenden Tlaxcalanen, die maar al te blij waren zich te kunnen ontdoen van de Azteekse terreur : die geweldenaars offerden elk jaar grote aantallen jongeren van het Tlaxcalaanse volk en richtten een ware genocide aan, waaraan de Spaanse interventie een einde maakte [zie het artikel Conquistadores : het ware verhaal van de verovering van Mexico, in Hij is verrezen ! nr. 112 van juli-augustus 2021].

DE MAAGD MARIA GAAT IN TEGEN DE FRANCISCANEN

Toen franciscaanse missionarissen in 1524 aankwamen in Mexico-Stad werden ze geestdriftig ontvangen door de Indianen, bewijs van het feit dat dezen zich bevrijd voelden van de Azteekse dwingelandij. In het begin doopten de volgelingen van de Poverello vooral de inlandse stamhoofden of caciques, overeenkomstig de instructies van Karel V aan Cortés : men was de overtuiging toegedaan dat de bekering van de leiders hun onderdanen zou aantrekken.

Het aantal doopsels nam snel toe, zo snel zelfs dat de geestelijken de fout begingen om het onderricht van de doopleerlingen tot een minimum te beperken. Al vlug moesten ze vaststellen dat hun oppervlakkige bekeerlingen in het geheim hun afgoderij bleven beoefenen, vooral door toedoen van de stamhoofden die hen daartoe dwongen. Trouwens, ondanks hun doopsel bleven die caciques hun ondergeschikten zeer hard en allesbehalve christelijk behandelen.

Daar kwam nog bij dat Nuño de Guzman, die aan het hoofd stond van de Spaanse regering in Mexico, zo hardvochtig te keer ging tegen de plaatselijke Indianen dat zij in opstand kwamen en de franciscanen verjoegen. De religieuzen besloten hun amper gekerstende kudde aan haar lot over te laten en in plaats daarvan naar Azië te trekken, op zoek naar “ meer beschaafde ” inwoners van wie ze dachten dat ze gemakkelijker te bekeren zouden zijn !

Daar was Onze-Lieve-Vrouw het duidelijk niet mee eens : zij wou dat de arme Indianen geëvangeliseerd werden. Op 9 december 1531 richtte ze zich op de berg Tepeyac tot een eenvoudige Indiaan, een macehualli (ondergeschikte arbeider), « el más pequeño », « de kleinste ». Deze Juan Diego moest van haar aan de bisschop, Fray Juan de Zumárraga, vragen dat hij een kapel op de berg zou oprichten voor « Maria altijd Maagd van Guadalupe ». Door de naam over te nemen van het beroemde Spaanse bedevaartsoord in Extremadura, dat voor de Indianen totaal onbekend was, plaatste zij hen onder het gezag van de kolonisator en predikte zij de eenheid in haar Onbevlekte Hart : « Ik ben jullie barmhartige Moeder, die van jou en van iedereen die verenigd samenleeft op deze grond. Ik ben de Moeder van allen die, vol liefde voor mij, tot mij zullen roepen en hun vertrouwen in mij zullen stellen. Daar [in die kapel] zal ik luisteren naar hun geweeklaag en hun verdriet om hen te troosten en al hun pijn, miserie en lijden te verlichten. »

Het wonder van de tilma of voorschoot van Juan Diego, waarop de beeltenis van de H. Maagd op miraculeuze wijze afgedrukt was, deed de rest [zie de studie over Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe, het wonder van de Tepeyac in Verrijzenis nr. 11 van september-oktober 2002]. De eenvoudige kapel werd later een reusachtige basiliek waar nog elk jaar honderdduizenden Mexicanen naartoe trekken om hun geliefde Moeder te eren en haar om vertroosting te vragen.

Kort na haar verschijning op de Tepeyac werd vlakbij Mexico-Stad het eerste van weldra 150 christelijke dorpen gesticht. Het luisterde naar de naam Hospidalitad de la Santa Fe en ontving arme Indianen onder wie veel verlaten kinderen. De initiatiefnemer, Vasco de Quiroga, werd benoemd tot bisschop van Michoacán omdat hij de Tarascanen gepacificeerd en bekeerd had. Zijn bisschoppelijke seminarie, opgericht in 1540, liet zowel Spanjaarden als jonge Indianen toe, met de uitdrukkelijke bedoeling om de verstandhouding tussen beide volkeren te begunstigen zoals Onze-Lieve-Vrouw het wilde.

FRAY BARTOLOMÉ VOLHARDT IN DE BOOSHEID

Ondertussen was Las Casas toegetreden tot de orde van de dominicanen en had hij zich teruggetrokken in hun klooster op Hispaniola om zijn mislukking in Venezuela te verteren. Maar verre van zichzelf te verbeteren bereidde hij zich erop voor om het tegenovergestelde van de onderwerping aan de kolonisator te prediken ! Rond februari 1535 scheepte hij zich in om Peru te kerstenen, maar hij hield halt in Nicaragua ; daar vertrok hij na één jaar omdat hij het aan de stok had met de gouverneur. In juli 1536 was hij dan weer in Guatemala, waar hij een traktaat opstelde met de bescheiden titel : Over de enige manier om heel de wereld te evangeliseren.

Volgens de dominicaan was gehoorzaamheid een hinderpaal voor bekering... « Als men de ongelovigen onder een voorafgaandelijke overheersing plaatst, zal het onmogelijk zijn om hun het Evangelie te prediken. » Terwijl de feiten het omgekeerde bewezen ! Hij stelde onophoudelijk dat de vrijheid de enige bron van verdienste is : « De vrije wil is van nature gericht op het goede, als men haar niet dwingt en de keuze laat. » Daarom verweet hij Cortés dat die de Azteekse “ beschaving ” vernietigd had die « Engeland, Frankrijk en bepaalde streken in Spanje overtrof » en « ons lessen in economie en zelfs monastiek leven kon geven » (Over de enige manier om heel de wereld te evangeliseren, p. 92) !

Overeenkomstig die beginselen richtte Las Casas in Guatemala de fameuze missie van de Vera Paz op, zogezegd een model van vreedzame evangelisatie. De historicus Marcel Bataillon heeft aangetoond dat het relaas erover door de dominicaanse kroniekschrijver Antonio de Remesal (1619) een pure leugen is (La Vera Paz, roman et histoire, in Études sur Bartolomé de Las Casas, 1965, pp. 137-202). De hele streek was al vanaf 1523 tot vrede gebracht door een metgezel van Cortés en de Indianen tot wie Fray Bartolomé predikte, waren afkomstig uit een encomienda en waren reeds gedoopt ! Hij profiteerde met andere woorden van de twee systemen die hij bestreed...

Illustratie uit de Brevisima relación de la destrucción de las Indias van Las Casas : de afgrijselijke Spanjaarden ranselen vrouwen af, geselen een Indiaan dood en folteren een andere door vloeibaar lood op zijn lichaam te laten druppelen. Deze afbeeldingen waren het werk van twee protestanten, de Antwerpse tekenaar Joos van Winghe en de Luikse graveur Theodoor de Bry, die zo meehielpen aan de verspreiding van de anti-Spaanse en antikatholieke 
" zwarte legende ”.

In 1539 reist de dominicaan opnieuw naar Spanje, want hij wil absoluut Karel V ontmoeten. Hij overhandigt hem de eerste versie van zijn beruchte pamflet, Bondig relaas van de vernietiging van de Indiës (Brevisima relación de la destrucción de las Indias). Deze onrealistische, hatelijke opsomming van ongelooflijke wreedheden, vermengd met allerlei vormen van heiligschennis die de zeer christelijke Spanjaarden zouden bedreven hebben, tart elke verbeelding. De beroemde mediëvist Ramón Menéndas Pidal concludeerde dat Las Casas gewoon stapelgek was.

De dominicaan beweert dat « de afgelopen veertig jaar, door de vermelde tirannie en diabolische daden van de Spanjaarden, op onrechtvaardige en tirannieke wijze [hij kan het niet genoeg in de verf zetten !] meer dan twaalf miljoen mannen, vrouwen en kinderen gestorven zijn. En ik geloof werkelijk, zonder misleid te zijn, dat er meer dan vijftien miljoen overleden zijn. » Wie de optelsom maakt van de verschillende massamoorden die Las Casas vervolgens per land van de Nieuwe Wereld gedetailleerd beschrijft, komt niet uit op 15 maar op 22 miljoen ! Dat betekent 1500 slachtoffers per dag, als men ervan uitgaat dat er gedurende die veertigjarige slachting geen enkel “ rustmoment ” was !

De Indianen van Mexico werden in werkelijkheid in de eerste plaats gedecimeerd door de gigantische epidemieën van mazelen en pokken, die de autochtone bevolking met meer dan 10 % deden slinken tot in 1580. Alle missionarissen maken melding van die vreselijke ziekten, behalve Fray Bartolomé die zo de Spanjaarden als bloeddorstiger heeft afgeschilderd dan de Azteken zelf.

DE “ NIEUWE WETTEN ” VAN 1542

Las Casas haalde zijn slag thuis bij Karel V. De keizer vaardigde op 20 november 1542 de Leyes Nuevas of Nieuwe Wetten uit, die het systeem van de encomiendas afschaften en Spaans-Amerika daardoor in de anarchie stortten. Want in de praktijk werden de Indianen aan elke vorm van omkadering onttrokken in de (valse) hoop dat zij hun lot in eigen handen zouden nemen. De kolonisten waren bijzonder boos en protesteerden heftig. In Mexico moest de onderkoning de toepassing van de wetten opschorten om een regelrechte rebellie te voorkomen, terwijl in Peru een burgeroorlog uitbrak die het leven kostte aan de Spaanse hoofdvertegenwoordiger.

Het waren opnieuw de franciscanen die, onder invloed van de geschriften van Las Casas, een verkeerde vorm van apostolaat nastreefden. In Mexico isoleerden zij de Indianen steeds meer van de Spanjaarden. Tevergeefs poogden zij een inlandse clerus te vormen, nauwelijks tien jaar na het begin van een kerstening die alles bijeen erg summier was geweest. In het H. Kruiscollege van Tlatelolco, gesticht in 1533, verboden zij het gebruik van de Spaanse taal om de autochtonen te behoeden voor het contact met de Spanjaarden... in tegenstelling tot wat Mgr. Vasco de Quiroga deed in zijn bisschoppelijke seminarie van Michoacán en wat ook de uitdrukkelijke wens van de Maagd van Guadalupe was.

Hoewel de franciscanen veel hielden van hun Indiaanse leerlingen « ondernamen ze geen enkele poging om hen te doordringen van de Spaanse of Europese cultuur » (Robert Ricard, La conquête spirituelle du Mexique, 1933, p. 337). In hun buitensporige vertrouwen gaven ze hun zelfs het volledige bestuur van het college in handen, met rampzalige resultaten : de slecht onderhouden gebouwen vervielen, geen enkele priester kwam uit het seminarie voort en er was sprake van morele wantoestanden. Het fiasco was totaal zodat Mgr. Zumárraga zijn steun introk en het seminarie in 1546 gesloten werd.

In zijn ontgoocheling over de Indianen besloot Mgr. Zumárraga zich te richten op China. Karel V ondertekende in 1543 een decreet waarbij hij hem samen met twee andere franciscanen als “ ambassadeurs ” naar « alle koningen, vorsten, grote heren, republieken en gemeenschappen » van de Stille Oceaan stuurde. De bedoeling was om met die vreemde machthebbers vriendschappelijke en commerciële betrekkingen aan te knopen, onder de waarborg dat de inboorlingen hun soevereiniteit zouden mogen behouden. Van zodra er vertrouwen zou heersen, zou men kruisen oprichten om het christelijke geloof te verheerlijken... Alles stemde overeen met de ideeën van Las Casas, die zich had laten benoemen tot capitán y caudillo van de expeditie : Mgr. Zumárraga stond bij hem in het krijt omdat de dominicaan in Rome voor hem gedaan gekregen had dat hij van de aartsbisschoppelijke zetel van Mexico ontheven werd.

De hele onderneming mislukte, zoals te verwachten was. Juan de Zumárraga kwam met beide voeten terug op de grond terecht en schreef naar Karel V dat de Nieuwe Wetten veel te “ indiofiel ” waren : ze hielpen de inboorlingen niet vooruit, integendeel. Hij benadrukte dat de encomiendas opnieuw moesten ingesteld worden en wel voorgoed !

TÉ GOED BESCHERMDE INDIANEN

De keizer wou echter niet weten van een in zijn ogen voorbijgestreefd feodaal systeem aan de overkant van de oceaan. De Indianen moesten rechtstreekse onderdanen worden van de Kroon. Hij verkoos daarom de instelling van corregidores of gouverneurs, die hem ter plaatse vertegenwoordigden aan het hoofd van een ambtenarenapparaat en in zijn naam het volledige gezag uitoefenden.

Het geleidelijke opdoeken van de encomiendas leidde tot ongewenste resultaten. In 1550 deed de onderkoning van Peru zijn beklag over het feit dat er op 8000 Spanjaarden nog slechts 480 een encomienda hadden waarover ze de zorg moesten dragen, terwijl er 1000 regeringsfunctionarissen waren en « al de anderen mannen zijn van wie ik niet weet wat ik er moet mee aanvangen, want zoals algemeen bekend willen ze geen handenarbeid doen of de grond bewerken en verklaren ze dat ze daarvoor niet naar hier gekomen zijn. » De autoriteiten klaagden dat de gronden onbewerkt bleven liggen, want de Indianen van de resterende encomiendas arbeidden er bijna niet meer en betaalden in plaats daarvan een belasting.

In tegenstelling tot wat de anti-Spaanse propaganda beweert, genoten de Indianen vanwege Spanje een hoge mate van bescherming. Maar net die verregaande bescherming heeft hen onttrokken aan de echte beschaving. De autochtonen konden op elk moment een proces inspannen tegen een conquistador die zij als een uitbuiter beschouwden... en zij lieten het zich geen twee keer zeggen ! Zelfs Hernán Cortés werd gedwongen om schadevergoeding te betalen aan Indianen van wie hij grond had afgenomen om een hospitaal te bouwen, want de gerechtshoven gaven hun blindelings gelijk.

Omdat de Spanjaarden vanaf 1563 niet meer het recht hadden om in de Indiaanse dorpen te wonen en de encomiendas uitstierven, leerden de inboorlingen geen enkele echte landbouwtechniek : ze kenden het wiel en de ploeg niet en deden alles met mankracht (ezels waren er niet). Ze plantten om de twee meter een maïskorrel met een stok (coa), een methode uit de oude steentijd die nog tot in de jaren 1980 toegepast werd en waarvoor immense velden nodig waren om rendabel te zijn !

HET DISPUUT VAN VALLADOLID

Las Casas was ondertussen door intriges bisschop van Chiapas in het zuiden van Mexico geworden en bovendien lid van de Supremo Consejo de Indias, de Hoge Raad van de Indiës. Maar de conquistadores van Chiapas spuwden hem uit omdat hij veel te streng voor hen was : hij kon zijn diepe afkeer voor hen niet verbergen ! Daarop vluchtte hij uit zijn diocees om definitief naar Spanje terug te keren. Hij liet de dominicanen van Guatemala in de steek, die kort daarna de gevolgen van zijn dwaze theorieën zouden ervaren. De Indianen van de Lacandon-stam, die al twaalf dorpen hadden vernietigd, staken er nog eens twee in brand in 1552. De kinderen slachtofferden zij op het altaar in de kerk ; ze sneden hun harten uit en bestreken de heilige afbeeldingen met hun bloed.

De miraculeuze afbeelding van Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe, patrones van Mexico, op de “ tilma ” (voorschoot) van de H. Juan Diego Cuauhtlatoatzin.

De dominicanen besloten uiteindelijk om een Spaanse tussenkomst te vragen. Maar Fray Bartolomé had in 1548 de naburige stad Nueva Sevilla, gesticht door de conquistadores, laten verwoesten omdat hij de aanwezigheid ervan niet kon verdragen. Er was dus in de omgeving geen enkel garnizoen meer om de volgelingen van Sint-Dominicus te beschermen... De moderne biografieën van Las Casas verheerlijken het succes van de vredelievende stichting van de Vera Paz, maar reppen met geen woord over de uiteindelijke desillusie en rampspoed van 1552-1559 !

In Spanje vernam de dominicaan, die nog altijd een hoge reputatie genoot bij zijn tijdgenoten, dat kanunnik Juan Ginés de Sepúlveda een boek aan het schrijven was om de verovering van de Nieuwe Wereld te rechtvaardigen. Fray Bartolomé deed dat werk verbieden door de oppositie van de universiteiten van Salamanca en Alcalá op te wekken. Sepúlveda protesteerde en in augustus 1550 verzamelde Karel V een aantal theologen om een dispuut te houden over de vraag « wat het meest aanvaardbaar was opdat de veroveringen, ontdekkingen en vestigingen op ordentelijke wijze zouden gebeuren en overeenkomstig de gerechtigheid en de redelijkheid ».

Met de steun van Mgr. Vasco de Quiroga bewees Sepúlveda de noodzaak om de Indianen te bevrijden van de wreedheid van de mensenoffers en het kannibalisme. Las Casas van zijn kant hield een ellenlang pleidooi, dat men regelmatig moest onderbreken, voor de “ vredelievende ” kerstening ; van de mensenoffers vond hij dat ze daden van vroomheid waren waarmee de Indianen het beste wat ze hadden aan de zonnegod offerden ! Sepúlveda kon zijn toespraak enkel in Rome gepubliceerd krijgen, terwijl Las Casas de zijne in Spanje deed verschijnen.

ORDE OP ZAKEN DANKZIJ DE CONTRAREFORMATIE

In 1551 benoemde koning Filips II een nieuwe aartsbisschop voor Mexico : de dominicaan Alonso de Montúfar, die vastbesloten was om in de Nieuwe Wereld de zaak van de Contrareformatie te dienen. Mgr. Montufár stelde de mislukking van de aanpak door de franciscanen vast. Hun eigen provinciaal moest toegeven dat in de meest gekerstende streken acht van de tien Indianen niet naar de kerk gingen. De geloofsleer kenden ze van buiten als papegaaien. Door het geringe aantal religieuzen en het ver uit elkaar liggen van de kloosters was het apostolaat van de franciscanen niet efficiënt : het grootste deel van de tijd moesten twee broeders zich bezighouden met meer dan honderdduizend zielen en veertig tot zeventig wijdverspreide kerken.

Mgr. Montúfar betreurde ook de ongehoorzaamheid van de franciscanen aan zijn gezag en meer bepaald had hij klachten over de reeds vermelde broeder Pieter van Gent, « een gewone lekenbroeder zonder enige theologische vorming ». De Vlaamse franciscaan verzette zich bv. tegen een luisterrijke processie in Spaanse stijl op Sacramentsdag waaraan de aartsbisschop zijn kudde wou doen deelnemen. « De echte aartsbisschop van Mexico », schreef hij aan Filips II, « ben ik niet, maar broeder Pieter van Gent ! »

De aartsbisschop hield de discipelen van Sint-Franciscus in het oog omdat sommigen onorthodoxe ideeën verkondigden. Een commissie kwam zelfs tot het besluit dat de catechismus van Mgr. Zumárraga uit 1544 ketters was ! Er stond heel wat kritiek in op de katholieke ceremoniën, overgenomen uit een werk van Erasmus waarvan de voormalige aartsbisschop in zijn voor de Indianen bestemde catechismus hele passages citeerde... Hij veroordeelde ook het « wereldlijke triomfalisme » waarmee in Spanje het feest van Corpus Christi gevierd werd en deed de aanbeveling de Indianen te beletten dit feest te organiseren.

Om diezelfde “ pastorale ” redenen had Mgr. Zumárraga de bedevaart naar de Tepeyac niet tot ontwikkeling gebracht (cf. Fray Fidel de Jesús Chauvet, El culto guadalupano del Tepeyac, 1978, p. 187). Hij stierf in 1548 zonder een canoniek onderzoek naar de verschijning te hebben gedaan.

Onmiddellijk na zijn aankomst in 1554 trok Mgr. Montúfar zich het lot van de bedevaart wél aan. Met geld uit de kas van het aartsbisdom herstelde hij het verwaarloosde heiligdom. De jurisdictie erover ontnam hij aan de franciscanen om ze in handen te geven van diocesane priesters, net als de verschillende parochies van Mexico-Stad. De missies op het platteland vertrouwde hij toe aan augustijnen.

Twee jaar later verscheen Onze-Lieve-Vrouw opnieuw, deze keer aan de Spaanse edelman Antonio Carvajal, die zij van een gewisse dood redde door zijn op hol geslagen paard tegen te houden. Meteen vonden heel wat mensen terug de weg naar de kapel op de Tepeyac. De criollos (etnische Spanjaarden die geboren waren in de Nieuwe Wereld), die tevoren geweigerd hadden samen met de arme Indianen de Mis bij te wonen, gingen nu samen met hen het heiligdom binnen om geknield de Maagd Maria op de tilma van Juan Diego te vereren. Kolonisatoren en gekoloniseerden vormden zo één hechte gemeenschap, overeenkomstig de wens van hun hemelse Moeder.

Geleidelijk was men in de Kerk tot het inzicht gekomen dat het heidendom van de Indianen een veel hardnekkiger bestaan bleef leiden dan men eerst gedacht had. Het inzicht groeide dat de weerspannigheid van veel autochtonen tegenover het christelijke geloof demonisch geïnspireerd was. Een compromispolitiek zoals de franciscanen die toepasten, was daarom uit den boze.

Het eerste provinciale concilie van Mexico in 1555 legde nauwkeurige richtlijnen vast die ingingen tegen de theorieën van de franciscanen. Het vrije gebruik van inheemse gezangen en dansen, door de broeders gepropageerd, werd verboden « om verwarring tussen christelijke en heidense praktijken te vermijden ». De gerespecteerde humanist Francisco Cervantes de Salazar legde uit dat de franciscanen de inboorlingen hadden aangemoedigd voort te doen met hun liederen en dansen in de hoop dat zij, « op dezelfde manier waarop zij gewoon waren de lof van de duivel te zingen, nu de lof van God zouden zingen ». Maar « zij zijn zozeer geneigd tot hun aloude afgoderij dat zij heidense gezangen met heilige gebeden vermengen om hun verdorven praktijken te camoufleren. »

Het is Satan of God, niet Satan én God ! En dus is het de wijsheid zelf om een kordaat einde te maken aan elke band met het heidendom en elke herinnering eraan.

* * *

Bartolomé de Las Casas stierf in Madrid op 18 juli 1566. Dankzij de propagandisten van de leyenda negra, de “ zwarte legende ” die alles wat Spaans is en katholiek wil neerhalen, bleef hij totaal onverdiend een autoriteit. Zijn Bondig relaas van de vernietiging van de Indiës werd door de protestanten in 53 verschillende talen uitgegeven, waaronder het Latijn. Tot de verbeelding van de lezers spraken bovendien de gruwelijke illustraties die de lutheraan Joos van Winghe en de calvinist Theodoor de Bry erbij fantaseerden.

Ondanks de Contrareformatie en het inzicht dat de aanpak van de franciscanen in de Nieuwe Wereld fout was geweest, kreeg het begrip kruistocht een uiterst negatieve bijklank in Europa. Rome zelf begon te twijfelen aan haar missionaire doctrine en liet zich vanaf het einde van de 16de eeuw beïnvloeden door het “ lascasiaanse ” concept van een missionering zonder kolonisatie...

broeder Scubilion van de hemelse Koningin & redactie KCR
Hij is verrezen ! nr. 128, maart-april 2024

DE VIER OBSTAKELS TEGEN DE BESCHAVENDE WERKING VAN DE KERK

« Wanneer men er bij stilstaat », aldus de H. Pius X, « hoeveel kracht, wetenschap en bovennatuurlijke deugden er nodig zijn geweest om de christelijke Stad op te bouwen ; als men denkt aan het lijden van miljoenen martelaren, de geïnspireerde bijdragen van de kerkvaders en de kerkleraren, de toewijding van alle helden van de naastenliefde, een sterke hiërarchie geboren uit de Hemel en stromen van goddelijke genade ; als men beseft hoe dat alles onderling verbonden en doordrongen werd door het Leven en de Geest van Jezus Christus, de Wijsheid Gods, het mens geworden Woord », dan kan het niet verbazen dat een dergelijk werk onafgebroken bekampt werd door satanische krachten.

1. Het Groot Oosters schisma (1054) heeft de Middellandse Zee en de rechtstreekse evangelisatiewegen naar Azië en Afrika gedurende lange tijd voor de Kerk afgesloten. Het gevolg was de expansie van de islam, straf voor de verdeeldheid en het verraad binnen de christelijke wereld. Daardoor blijft het Midden-Oosten voor onze beschaving een gesloten deur en een kruitvat. Heel anders zou het verlopen zijn als de kruisvaarders in hun opzet geslaagd waren, als zij in Byzantium vriendschap ontmoet hadden in plaats van trouweloosheid, hulp in plaats van verraad...

2. Nog erger was het protestantisme (1517), dat christelijke naties opgestookt heeft tot rivalen en vijanden van de katholieke landen. De haat werd nog dodelijker toen de protestantse staten zichzelf in de 18de eeuw uitleverden aan de vrijmetselarij, de absolute vijand van de christenheid. Sinds de christelijke wereld in onverzoenlijke brokstukken is uiteengevallen, kende ons continent een opeenvolging van Europese burgeroorlogen, altijd gericht tegen Rome en de katholieke naties... tot men besloot om een Europese gemeenschap op te richten, die zich ontdaan heeft van de Wet van Christus en geacht wordt om vrede en welvaart te verzekeren !

3. De Franse Revolutie (1789) bracht aan het eeuwenoude vredeswerk van de Kerk de derde slag toe, door de katholieke naties uit te leveren aan hun doodsvijand, de wereldwijde alliantie tussen jodendom en vrijmetselarij. Dat gebeurde door middel van revolutionaire regeringen, opgelegd via het mechanisme van de democratie, die voorgoed komaf maakten met de traditionele orde.

4. Tenslotte heeft de conciliaire revolutie van Vaticanum II (1962-1965), die er prat op ging de Kerk te verzoenen met de moderne wereld, haar in werkelijkheid herleid tot nog enkel een Beweging voor Geestelijke Animatie van de Wereldwijde Democratie, de MASDU. Die MASDU-Kerk is er fier op dat ze door staten en internationale organisaties erkend wordt, maar haar moraliserende tussenkomsten hebben geen andere invloed dan wat toegestaan wordt door de machten die er controle over uitoefenen... voor de vernietiging van de laatste christelijke bastions.

Punt 59 van de 150 punten van de Falanx van de Onbevlekte