Het grote plan van de Alta Vendita:
de infiltratie van de Loge in de Kerk

DE vrijmetselarij verscheen op het wereldtoneel in 1717, toen de naar Engeland uitgeweken Franse protestant John Desaguliers in Londen de Engelse Grootloge stichtte. Dat gebeurde met de goedkeuring van koning George  I van het huis Hannover en met de oorspronkelijke bedoeling om de aanhangers van zijn vijanden, de katholieke Stuarts, tegen te werken en hun zaak te saboteren. Maar al snel werd het opzet verbreed : « Deze Grootloge, moeder van alle loges ter wereld, kreeg van de Britse protestantse vorst de opdracht om met alle middelen de Anglo-protestantse zaak, belichaamd door de dynastie van Hannover, te dienen en de verafschuwde machten van de paus in Rome, de Bourbons in Frankrijk en alle Europese katholieke dynastieën te vernederen en zo mogelijk te vernietigen » (abbé de Nantes, La franc-maçonnerie, Ndl. vert. in Hij is verrezen ! nr. 87, mei-juni 2017).

Het embleem van de Italiaanse Carboneria

Het duurde niet lang of overal in Europa verschenen maçonnieke loges, die in het grootste geheim opereerden. Op het Italiaanse schiereiland nestelde de vrijmetselarij zich tijdens de overheersing door Napoleon. De logebroeders namen de naam van carbonari aan, “ kolenbranders ”. Hun doelwit waren de katholieke vorstendommen die na het Congres van Wenen (1814-1815) Italië vormden : het koninkrijk der Beide Siciliën, het koninkrijk Sardinië-Piëmont, het groothertogdom Toscane, de hertogdommen Parma en Modena en – het meest gehaat van allemaal – de Pauselijke Staat. De carbonari streefden naar een revolutie die de katholieke monarchieën ten val zou brengen en trokken daarvoor de nationalistische kaart : de eenmaking van Italië en de verdrijving van de Oostenrijkers, die op dat ogenblik de belangrijkste politieke en militaire steun voor de vorstendommen vormden.

Rome was zich bewust van het gevaar van de vrijmetselarij. Al in 1738 had paus Clemens XII de bul In eminenti apostolatus afgekondigd, die aan katholieken verbood om lid te worden van de loges « die met de dag in kracht toenemen ». Benedictus XIV herhaalde dat verbod in Providas Romanorum uit 1751. Vervolgens was er Pius VII, die met ­Ecclesiam a Jesu Christo (1821) alle carbonari en andere vrijmetselaars excommuniceerde op grond van hun doctrine van godsdienstige onverschilligheid, de door een eed bezegelde geheimhouding die hen kenmerkte, de profanatie van Christus in hun rituelen en hun samenzwering tegen Kerk en staat. In 1825 verscheen de apostolische constitutie Quo graviora van Leo XII, die opnieuw lidmaatschap van een loge strikt verbood. In 1832 volgde Mirari vos van Gregorius XVI, de encycliek gericht tegen het liberale ideeëngoed van Lamennais, maar waarin ook « geheime genootschappen die proberen de wettige regeringen van de Italiaanse staten omver te werpen » aangeklaagd werden.

Ondanks die dringende oproepen verwierven de loges in heel Europa steeds meer macht. Sliepen de vorsten, zoals een paus later zou schrijven ?

In 1846, toen op heel het continent grote antiklerikale omwentelingen voorbereid werden die zouden leiden tot het revolutiejaar 1848, publiceerde de Z. Pius IX de encycliek Qui pluribus, die een veroordeling uitsprak over « geheime sekten die tevoorschijn zijn gekomen uit de duisternis om zowel het gewijde als het burgerlijke gemenebest te vernietigen ». Deze grote paus zou niet veel later te maken krijgen met de georganiseerde aanval op de Pauselijke Staat en de vernietiging ervan in 1870...

HET GEHEIME DOCUMENT VAN DE ALTA VENDITA

De Carboneria was georganiseerd in geheime cellen die Venditas (vergaderplaatsen) werden genoemd. De leiding over al die afdelingen was in handen van de Alta Vendita, de hoogste loge van de sekte. Het was van daaruit dat op een bepaald ogenblik een document naar de verschillende cellen gestuurd werd met de titel Permanente instructie van de Alta Vendita ”. Het was een explosieve richtlijn : het ging om een plan om de katholieke geestelijkheid te infiltreren met dubbelagenten die liberale en ketterse ideeën moesten verspreiden ; zo zou de Kerk van binnenuit kunnen veroverd worden.

Het document kwam echter in katholieke handen terecht en rond 1855 werd paus Pius IX erover ingelicht. Hij was diep geschokt en besloot dat de Permanente instructie onmiddellijk openbaar moest gemaakt worden. Daartoe zocht hij contact met de Franse katholieke historicus en journalist Jacques Crétineau-Joly, die al naam had gemaakt met een uitvoerige studie over de jezuïetenorde. Met de steun en de aanmoediging van de H. Vader gaf Crétineau-Joly in 1859 een boek uit : L’Église romaine en face de la Révolution (2 delen). In dat werk nam de schrijver de volledige tekst van het bewuste document op.

Onder het pseudoniem Piccolo Tigre (“ Kleine Tijger ”) legt de auteur van de Permanente instructie gedetailleerd uit hoe de vrijmetselarij er kan in slagen om binnen te dringen in de katholieke Kerk, er haar pionnen te plaatsen en vervolgens te wachten tot die opklimmen in de hiërarchie. We geven hieronder de kernpassages van het document, ons baserend op de Engelse vertaling die gepubliceerd werd als annex in het boek Infiltration van de Amerikaanse katholieke schrijver Taylor R. Marshall (Infiltration : the Plot to Destroy the Church from Within, Manchester, New Hampshire, 2019).

« Ons einddoel », aldus de Permanente instructie, « is dat van Voltaire en de Franse Revolutie : de definitieve vernietiging van het katholicisme en zelfs van de christelijke idee op zich, want als we die laten voortbestaan op de puinen van Rome zal zij later leiden tot de wedergeboorte van het christendom.

« Het pausdom is al zeventien eeuwen nauw verbonden met de geschiedenis van Italië. Het land kan niet ademen of bewegen zonder de toelating van de Opperste Herder. Mét hem heeft het de honderd armen van Briareus [een wezen uit de Griekse mythologie] ; zonder hem is Italië veroordeeld tot een meelijwekkende onmacht. Voor die situatie moeten wij een remedie zoeken. Welnu, die remedie hebben wij gevonden.

« De paus, wie hij ook mag zijn, zal nooit naar de geheime genootschappen gaan. Het is aan de geheime genootschappen om zelf eerst naar de Kerk te gaan, met de bedoeling hen beiden te winnen. Het werk dat wij ondernomen hebben is niet het werk van één dag, één maand of één jaar. Het kan vele jaren duren, misschien zelfs een eeuw, maar in onze rangen sterft de soldaat en gaat de strijd verder.

« Wat wij moeten zoeken en verwachten is een paus volgens onze wensen. Daarmee zullen we met meer zekerheid onze aanval op de Kerk uitvoeren dan met de pamfletten van onze broeders in Frankrijk of zelfs met het goud van Engeland. Wij twijfelen er niet aan dat wij dat hoogste doel van al onze inspanningen ooit zullen bereiken. »

« GA NAAR DE JEUGD »

Op welke concrete manier zal dit maçonnieke opzet dan verwezenlijkt worden ? Door te focussen op de jeugd :

« Het is naar de jeugd dat wij ons moeten keren. Het zijn de jongeren die wij moeten verleiden, het zijn zij die wij onder de banier van de geheime genootschappen moeten brengen. Om op die gevaarlijke weg stap voor stap vooruit te gaan, berekenend maar zeker, zijn twee zaken bijzonder belangrijk. Jullie moeten de indruk wekken eenvoudig te zijn als duiven, maar jullie dienen ook voorzichtig te zijn als slangen. Jullie vaders, kinderen en vrouwen moeten altijd onwetend blijven van het geheim dat jullie in je boezem meedragen. Weet dat het doodvonnis al uitgesproken is over wie vrijwillig of onvrijwillig dit geheim openbaart.

« Om ons te verzekeren van een paus overeenkomstig ons hart is het noodzakelijk voor die paus een generatie te scheppen die het koninkrijk waarvan wij dromen waardig is. Laat ouderdom en middelbare leeftijd aan de kant en ga naar de jeugd, indien mogelijk zelfs naar de kinderen. Spreek in hun aanwezigheid nooit een goddeloos of onzuiver woord uit : “ Maxima debetur puero reverentia ” [“ Aan een kind is het grootste respect verschuldigd ”, een citaat van de Romeinse dichter Juvenalis]. Vergeet deze woorden van de dichter niet, want ze zullen je behoeden voor elke vorm van losbandigheid en het is absoluut essentieel om je daartegen te wapenen voor het goed van onze zaak.

« Om profijt te kunnen halen uit elk huisgezin, om jezelf het recht op verblijf te geven bij de huiselijke haard, moet je jezelf presenteren als een ernstig en moreel hoogstaand man. Van zodra je reputatie gevestigd is in de colleges, de gymnasia, de universiteiten en de seminaries, van zodra je het vertrouwen geniet van professoren en studenten, moet je zodanig handelen dat zij die de geestelijke status nastreven [dat wil zeggen de toekomstige priesters] ervan houden met jou te converseren. Prikkel deze naturen die zo vol warmte en vaderlands vuur zijn en maak ze geestdriftig. Bied hen eerst, maar altijd in het geheim, onschuldige boeken aan, poëzie vol nationale trots. Dan zal je, zachtjes aan, je leerlingen tot het vereiste kookpunt brengen. »

De werkwijze die de carbonari voorstellen is echt duivels. Men mag die jonge seminaristen niet overvallen met antireligieuze literatuur, want dan haken ze af. Het is veel handiger hen te lijmen met datgene wat elke rechtgeaarde Italiaan bekoort en waarvoor zeker de jeugd gevoelig is : de verheerlijking van de nationale trots, het promoten van de eenmaking van Italië... door de beweging “ Jong Italië ” van de vrijmetselaar Giuseppe Mazzini of door het Risorgimento, de “ Herrijzenis ” die de vrijmetselaar Camillo Benso di Cavour had gesticht. Via het nationalisme zouden de maçonnieke ideeën bij de toekomstige geestelijken binnensijpelen.

« De faam een goede katholiek en een goede patriot te zijn zal de weg vrijmaken voor onze leerstellingen, die zullen doordringen tot in de harten van de jonge geestelijken en zelfs tot in de verborgenheid van de kloosters. Op enkele jaren tijd zal de jonge clerus als vanzelf alle kerkelijke organen bereikt hebben. Zij zullen besturen, administreren en oordelen vellen. Ze zullen de Raad van de Opperherder vormen. Zij zullen opgeroepen worden om de paus te kiezen die zal regeren. En die Opperste Herder zal, net als het overgrote deel van zijn tijdgenoten, noodzakelijkerwijs doordrongen zijn van de Italiaanse en humanistische beginselen die wij nu in circulatie willen brengen. »

HET ZAAD VAN HET KWAAD

« Het is een klein mosterdzaadje dat wij in de aarde stoppen, maar de zon der Rechtvaardigheid [wellicht een allusie op de Grote Architect waarin de vrijmetselarij zegt te geloven] zal het tot ontwikkeling brengen en er een grote macht van maken. En op een dag zal je zien wat voor rijke oogst dat kleine zaadje zal voortbrengen.

« Wil je de heerschappij van de uitverkorenen vestigen op de troon van de Hoer van Babylon ? Laat de geestelijken dan opmarcheren onder jouw banier, terwijl zij naïef geloven dat zij opstappen onder de banier van de Apostolische Sleutels.

« Wil je de laatste sporen van de tirannen en de verdrukkers [de katholieke monarchieën] doen verdwijnen ? Werp dan je netten uit zoals Simon Bar Jona ! Werp ze tot diep in de sacristieën, de seminaries en de kloosters, eerder dan op de bodem van de zee. En als je de zaken niet overhaast, beloven wij jou een veel miraculeuzer vangst dan die van Petrus !

« De visser van vissen werd een visser van mensen. Ook jij zal enkele vrienden vissen en hen leiden tot aan de voeten van de Apostolische Stoel. Je zal revolutie in tiara en koorkap gepredikt hebben, voorafgegaan door het kruis en de pauselijke vlag, een revolutie die slechts een weinig hulp nodig heeft om alle hoeken van de wereld in vuur en vlam te zetten.

« Zorg ervoor dat elke daad van je leven leidt naar de ontdekking van de Filosofensteen. De middeleeuwse alchemisten verloren hun tijd en het goud van hun zelfbedrog in de zoektocht naar die droom. Maar de droom van de geheime genootschappen zal in vervulling gaan en wel om de meest eenvoudige reden : omdat hij gebaseerd is op de menselijke passies. Laat ons daarom niet ontmoedigd worden door een controle, een tegenslag of een nederlaag. Laten we onze wapens voorbereiden in de stilte van onze loges en onze batterijen opstellen. Laten we alle passies vleien, van de meest boosaardige tot de meest edele. Mocht alles leiden tot het besef dat onze plannen op een dag in vervulling zullen gaan en zelfs onze meest onwaarschijnlijke berekeningen zullen overtreffen. »

MGR. DILLON EN PAUS LEO XIII

De Permanente instructie van de Alta Vendita geraakte in de Engelstalige wereld bekend door de vertaling die Mgr. George F. Dillon er in 1884 van maakte (en die Taylor Marshall overnam in zijn boek Infiltration).

Dillon was een Ierse missionaris en schrijver die faam verwierf met een reeks voordrachten die hij in Edinburgh gaf over wat hij « de maçonnieke oorlog tegen de christelijke beschaving » noemde. Zijn conferenties werden later gebundeld tot het boek War of Anti-Christ with the Church and Christian Civilization (1885). Nadat paus Leo XIII een samenvatting van dit werk gelezen had, prees hij het en bekostigde een Italiaanse versie ervan. Uit erkentelijkheid voor Dillons dienst aan de Kerk zou de paus hem later tot “ Monseigneur ” maken en hem de titel van geheim kamerheer geven, waardoor hij lid werd van de Famiglia Pontificia.

De grote belangstelling van de Opperherder voor het onderwerp was een gevolg van het feit dat hij precies een half jaar vóór de voordrachten van Dillon een belangrijke encycliek over de vrijmetselarij had gepubliceerd : Humanum genus. De paus onderstreepte dat de late 19de eeuw een tijd van bijzonder groot gevaar voor de Rooms-katholieken was omdat de vrijmetselarij de wind in de zeilen had en steeds openlijker ageerde. Interessant is dat Leo XIII zich in dit document krachtig afzette tegen het bevorderen van het openbare onderwijs, dat de rol van de Kerk ontkende en « de opvoeding van de jeugd uitsluitend in de handen van leken legde ». Het is een onmiskenbare zinspeling op de Permanente instructie van de Alta Vendita en haar plan om de H. Stoel te veroveren via de beïnvloeding van de jongeren.

De paus maakte zich het beroemde onderscheid van Sint-Augustinus tussen de twee vijandige steden eigen : het menselijke ras, zo schreef de Opperherder, is « verdeeld over twee verschillende en tegengestelde groeperingen, waarvan de ene standvastig strijdt voor waarheid en deugd, de andere voor wat in strijd is met deugd en waarheid. De ene is het Koninkrijk Gods op aarde, namelijk de ware Kerk van Jezus Christus ; de andere is het koninkrijk van Satan » dat « geleid of bijgestaan » wordt door de vrijmetselarij.

Deze kordate veroordeling van de vijand kan verbazing wekken bij wie denkt de figuur van Leo XIII beter te kennen. Maar zij past volledig in het denkkader van deze paus. Hij was een liberaal-katholiek, wat betekent dat hij openstond voor alle gevaarlijke moderne ideeën, maar niet zozeer in de theorie als wel in de praktijk. Abbé de Nantes heeft die dubbelzinnigheid glashelder uitgelegd :

« De leer van Leo XIII bleef zeker heel strikt : zijn talrijke encyclieken getuigen daarvan. Hij maakte zich echter het onderscheid van Mgr. Dupanloup eigen, dat de bron is van alle compromissen en toegevingen van het liberaal-katholicisme. Volgens dat onderscheid is de nauwkeurig onderwezen leer de thesis, het ideaal dat men altijd moet bewaren ; maar de omstandigheden blijken vaak heel wat matiging en inschikkelijkheid te vereisen, vrijheden zelfs die eigenlijk de contradictie van de thesis zijn : dat is de hypothesis, de waarheid van het ogenblik, het pragmatisme. Men onderwijst de juiste doctrine en men excuseert zich daarmee voor de valse leer die men ondertussen hanteert voor de weldaad van de vrede, omwille van het compromis waardoor men hoopt op de verzoening met de vijanden van God » (Liberalisme, modernisme, progressisme en Rome, brochure uitgegeven door de KCR, 2022).

Tekenend is bv. dat Leo XIII probeerde om goede betrekkingen te onderhouden met de politici van de Derde Franse Republiek, “ les vrais républicains ” die zeer antiklerikaal waren en van wie er velen lid waren van de vrijmetselarij. De paus drong de katholieken zelfs het “ Ralliement ” op, de “ aansluiting ” bij het republikeinse regime en de verloochening van de monarchie, op het ogenblik dat de restauratie van de Bourbons op de Franse troon binnen handbereik leek.

Kardinaal Rampolla del Tindaro
met de eremedaille voor zijn zilveren jubileum als kardinaal in 1912.

DE STEILE OPGANG VAN MARIANO RAMPOLLA

Tijdens het lange pontificaat van Leo XIII (1878-1903) konden alle geestelijken met dubieuze ideeën en “ vooruitstrevende ” opvattingen ongestoord opklimmen in de hiërarchie van de Kerk. « De hoge kerkelijke ambten werden uitsluitend toevertrouwd aan de voorstanders van de openheid, in naam van de paus. Uiteindelijk bracht men de opposanten tegen de pauselijke politiek in diskrediet en vervolgde men hen als rebellen tegen de orders van Leo XIII ! » (abbé de Nantes, ibid.).

Een van de meest invloedrijke creaturen van de paus was een Siciliaan, iemand die in 1843 bij Palermo in een aristocratische familie geboren was als onderdaan van de Bourbonkoning van het Rijk der Beide Siciliën : Mariano Rampolla del Tindaro. Hij was erg intelligent en na zijn middelbare studies zond men hem naar Rome om er zijn opleiding verder te zetten aan het Collegio Capranica. In 1866, op 23-jarige leeftijd, werd hij tot priester gewijd. Hij ging naar de Academie voor kerkelijke edelen en werd vervolgens binnengehaald in de Romeinse Curie, waar hij snel carrière maakte. In 1882 (39 jaar) volgde zijn benoeming tot aartsbisschop en werd hij als nuntius naar Spanje gestuurd, waar hij blijk gaf van een groot diplomatiek talent. Leo XIII creëerde hem kardinaal in 1887 (44 jaar) en stelde hem datzelfde jaar aan tot staatssecretaris – de belangrijkste post binnen de Curie.

Het was duidelijk dat de paus rekende op de vaardigheden van Rampolla om de politiek van verstandhouding en modus vivendi met de regimes die vijandig stonden tegenover de katholieke Kerk in goede banen te leiden. De staatssecretaris legde zich meer bepaald toe op de verbetering van de relaties tussen de H. Stoel en Parijs. Dat gebeurde op het moment dat de regering van het eengemaakte Italiaanse koninkrijk een uitgesproken anti-Frans beleid voerde na de totstandkoming van de Triple Alliantie, het verbond tussen Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië. Rampolla kreeg zo de reputatie van erg Fransgezind te zijn.

Maar in de Kerk bleef de ster van de kardinaal-staatssecretaris rijzen en toen Leo XIII in 1903 overleed, zagen velen in hem de gedoodverfde kandidaat om de Troon van Petrus te bestijgen.

HET CONCLAAF VAN 1903

Als we mogen voortgaan op de gegevens van David  V. Barret in zijn artikel in de Catholic Herald van 2 juni 2014, spraken 29 van de 62 aanwezige kardinalen bij de derde stemronde hun steun uit voor Rampolla ; om de vereiste meerderheid te halen kwam hij toen nog 13 stemmen tekort (Ballot Sheets from 1903 Conclave to be Sold at Auction). Het zag ernaar uit dat de staatssecretaris in de vierde of uiterlijk de vijfde ronde de tiara zou verwerven.

Maar alles veranderde toen de Poolse kardinaal Jan Puzyna de Kozielsko van Krakau na de derde stemronde het woord vroeg en in het Latijn volgende uitspraak deed : « Officieel en in de naam en bij het gezag van Frans-Jozef, keizer van Oostenrijk en koning van Hongarije, verklaar ik dat Zijne Majesteit, op basis van een oud recht en privilege, zijn veto uitspreekt tegen Zijne Eminentie kardinaal Rampolla del Tindaro. »

De keizer maakte gebruik van het zogenaamde ius exclusivae, een aloud gewoonterecht dat aan de vorst van het Heilige Roomse Rijk toestond om de keuze van bepaalde kandidaten voor het pontificaat te blokkeren. Wou de Habsburgse keizer geen paus die uitgesproken Fransgezind was ? Vond hij dat Rampolla zich, in de lijn van Leo XIII, veel te soepel had opgesteld ten aanzien van de vrijmetselaarsregering in Parijs ? Wat de zaak van de staatssecretaris zeker geen goed gedaan had, was de ongewone tussenkomst van de Franse minister van Buitenlandse Zaken, die de kardinalen van zijn land vóór het conclaaf op het hart had gedrukt voor Rampolla te stemmen...

De H. Pius X
de patriarch van Venetië die in 1903
tot Opperherder van de Kerk gekozen werd.

Het was die politieke interpretatie die de kardinalen op het moment zelf als de enig mogelijke verklaring zagen. Er waren dan ook verschillende misnoegde reacties en velen moeten instemmend geknikt hebben toen een boze Rampolla tegen Puzyna uitriep dat dit « een affront voor de waardigheid van het heilig college » was. Hoe dan ook, de rol van de staatssecretaris op het conclaaf was uitgespeeld. De stemmen verplaatsten zich naar de patriarch van Venetië, kardinaal Giuseppe Sarto, die in de zevende ronde verkozen werd met een overduidelijke meerderheid van vijftig stemmen.

« “ Hoe wil u genoemd worden ? ” vroeg men aan de verkozene, waarop deze antwoordde : “ Omdat de pausen die de voorbije eeuw het meest voor de Kerk geleden hebben de naam Pius droegen, zal ik die naam aannemen. ” We schrijven 4 augustus 1903. Kardinaal Sarto, Pius X, had de verantwoordelijkheid aangenomen, “ de al te ontzagwekkende verantwoordelijkheid van het pausambt ”, en wel met deze woorden : “ Als het niet mogelijk is deze kelk van mij weg te nemen, dat Gods wil geschiede ! Ik aanvaard het pontificaat als een kruis ”. Dat was geen aanstellerij of grootspraak. Zoals Christus had hij een nacht van doodstrijd doorgemaakt. Maar toen hij opstond, toonde hij nog slechts de waardigheid, de grootheid en de kracht die bij zijn gezag hoorden, maar dan met de eenvoud en de charme die hem zo kenmerkten » (abbé de Nantes, ibid.).

WERD EEN LOGEBROEDER BIJNA PAUS ?

Meteen na zijn aantreden schafte Pius X het ius exclusivae af als een ontoelaatbare inmenging van een wereldlijke heerser in de aangelegenheden van de Kerk. Dat betekent dat de nieuwe paus het veto van Frans-Jozef als politiek geïnspireerd beschouwde. Maar Rampolla werd wel onmiddellijk als staatssecretaris vervangen door Rafael Merry del Val. De Siciliaan bleef werkzaam binnen de Curie tot aan zijn dood in 1913.

Kardinaal Rampolla is er vanuit verschillende hoeken van beschuldigd geweest een vrijmetselaar te zijn. Mgr. Ernest Jouin (1844-1932), pastoor van de parochie Saint-Augustin in Parijs en onverbiddelijk bestrijder van de Loge, verdacht de staatssecretaris ervan een maçonnieke infiltrant te zijn. Jouin was niet de eerste de beste : met de goedkeuring van de H. Stoel stichtte hij in 1918 de Revue internationale des sociétés secrètes, waarvan het doel de ontmaskering van de vrijmetselaarsplannen overal in Europa was.

« Mgr. Jouin verwierf de reputatie een soort van klerikale Sherlock Holmes te zijn, die in staat was om alle Talmoedische en maçonnieke intriges uit te roeien. Hij was het inderdaad die de term “ joods-maçonniek ” voor het eerst gebruikte. Paus Benedictus XV prees hem in 1918 omdat hij zijn leven riskeerde in de strijd tegen de vrijmetselaarssekten ; en Pius XI vroeg hem in een privé-audiëntie om zijn gevecht met de Loge verder te zetten. [...] Van Mgr. Jouin wordt gezegd dat hij persoonlijk tussenbeide gekomen is bij keizer Frans-Jozef met de vraag het ius exclusivae in te roepen, omdat hij bewijzen had dat kardinaal Rampolla op zijn minst nauwe banden had met de vrijmetselarij » (Craig Heimbichner, Did a Freemason Almost Become Pope ? The Story of Cardinal Rampolla, 15 december 2020).

In het licht van de Permanente instructie van de Alta Vendita is het perfect mogelijk dat de jonge Rampolla door de carbonari klaargestoomd werd om in de Kerk te infiltreren. We weten niet wanneer het maçonnieke document precies geschreven werd, wel dat het in 1859 op het bureau van de Z. Pius IX belandde. In dat jaar was Mario Rampolla zestien – « het zijn de jongeren die wij moeten verleiden »! – en een onderdaan van een koninkrijk waar de geheime sekte bijzonder actief was. Zeven jaar later was hij priester en begon zijn bliksemcarrière.

Wat vaststaat, is dat Rampolla lid was van de machtige loge Ordo Templi Orientis, opgericht door de Oostenrijker Carl Kellner ergens tussen 1895 en 1906. Lidmaatschap van verschillende geheime organisaties is niet ongewoon voor vrijmetselaars, omdat het hun toestaat meer prestige te verwerven. De naam van de kardinaal-staatssecretaris komt voor in een manifest van de O. T. O. uit 1919 dat verscheen in het blad The Oriflamme, een intern communicatiemiddel van de sekte.

Op 11 juni 2014 publiceerde de Osservatore Romano een nota over het conclaaf van 1903 die kort tevoren teruggevonden was in het archief van het aartsbisdom Krakau. Ze was van de hand van kardinaal Puzyna en bevatte details over de gebeurtenissen tijdens de dramatisch verlopen pausverkiezing. Puzyna zegt dat hij vooraf sprak met de deken van het college van kardinalen over « de ongeschiktheid van de kandidatuur van Rampolla » en eraan toevoegde dat « verschillende kardinalen gemene creaturen van Rampolla waren, afschuwelijke personages die door hem benoemd waren ».

Na de dood van Rampolla in 1913 – enkele maanden vóór de H. Pius X zelf zou overlijden – kwam zijn lidmaatschap van de Loge formeel aan het licht. In 1929 vertelde de bisschop van Montauban, Mgr. Marty, er meer over in een gesprek met de voorzitter van het Franse Bloc Anti-révolutionnaire. De bisschop zei dat hij bij zijn “ ad limina ”- bezoek aan het Vaticaan, dat plaatsvond kort na de dood van Rampolla, een onderhoud had gehad met kardinaal Merry del Val. De staatssecretaris vertelde hem in detail hoe men in de nagelaten documenten van de overledene het onmiskenbare bewijs van zijn vrijmetselaarschap had gevonden. De bewuste documenten werden naar Pius X gebracht, die verbijsterd was en ontsteld uitriep : « De ellendeling ! » Om de nagedachtenis van de prelaat niet te laten besmeuren en om een schandaal te vermijden gaf de paus opdracht om alles ter plekke te verbranden.

* * *

Met kardinaal Rampolla bereikte de Loge ei zo na haar doel : het plaatsen van een vrijmetselaar op de H. Stoel. Uiteraard was hij niet de enige infiltrant. De vraag blijft welke andere prelaten lid van de geheime sekte waren en hoe hoog zij opgeklommen zijn in de kerkelijke hiërarchie. Feit is dat de uitverkiezing van een heilige Opperherder in de persoon van Pius X de maçonnieke plannen gedwarsboomd heeft. Want deze paus ontpopte zich tot de vastberaden bestrijder van het modernisme, de grote ketterij van de 20ste eeuw die bij haar haast onstuitbare verspreiding onder de geestelijkheid ongetwijfeld op de hand- en spandiensten van de vrijmetselarij heeft kunnen rekenen.

Triomfeerde de Loge in 1963 met de uitverkiezing van Paulus VI, de paus die met de Kerk een heel andere koers is gaan varen en op alle vlakken fundamenteel anders dacht en besliste dan zijn heilige voorgangers Pius IX en Pius X ? Het blijft een open vraag. Maar toen de H. Pater Pio na het conclaaf van 1963 dat kardinaal Montini tot paus koos, vernam wie Opperherder geworden was, zei hij : « Coraggio, coraggio, coraggio ! Perchè la Chiesa è già invasa dalla Massoneria. La Massoneria è già arrivata alle pantofole del Papa... » Wat in vertaling luidt : « Moed, moed, moed ! Want de Kerk is reeds geïnfiltreerd door de vrijmetselarij. De vrijmetselarij is al gearriveerd bij de rode pantoffels van de paus... » (aangehaald in Taylor Marshall, Infiltration : the Plot to Destroy the Church from Within, p. 142).

redactie KCR
Hij is verrezen ! nr. 123, mei-juni 2023