TOTALE APOLOGETIEK

3. Idealisme, existentialisme, relativisme

Wie het geloof heeft, zal in deze reeks voordrachten gesterkt worden in de overtuiging dat ons christelijk geloof zo redelijk is en zo in harmonie met de menselijke natuur, dat we steeds beter de intelligentie van God in zijn oneindige volmaaktheid begrijpen. En de ongelovige zal erdoor voorbereid worden op het geloof. Veel van zijn tegenwerpingen zullen ontkracht worden en hij zal zeggen : « Het is werkelijk wat het menselijke verstand als het meest superieure heeft voortgebracht, het gaat echt om de basislijn in de geschiedenis van de mensheid ; ik kan dat niet veronachtzamen en zeggen dat ik daar helemaal buiten sta. »

3. IDEALISME, EXISTENTIALISME, RELATIONISME

WE onderzoeken één na één alle wegen van de menselijke kennis en zullen vaststellen dat ze allemaal samenkomen in een hoogste top : het christelijke geloof.

Plato en Aristoteles op het beroemde
fresco van Rafaël, “De school van Athene”, in het Vaticaan.

Vandaag beginnen we met de metafysica, waarvan men zegt dat het de meest verheven wetenschap is. De metafysica is de wetenschap van de filosoof ; het is de wijsheid zelf of beter gezegd : het zoeken naar wijsheid. Filosofen beweren namelijk antwoorden te geven op de ultieme vragen die de mens zich stelt : Wie heeft ons geschapen ? Waarom heeft Hij ons geschapen ? Waartoe zijn wij gemaakt ? Waar gaan we naartoe ? Wat zijn wij ? Wat is de mens ? Waarom is hij er ? Hoe is hij er gekomen ? Dat zijn de ultieme vragen en het is daarop dat de metafysica een antwoord wil geven.

Daartoe redeneert de metafysica over het “ zijn ”. Men heeft er geen instrumenten voor nodig, enkel het vermogen om te redeneren, te mediteren, aandacht te schenken aan het zijn, de diepten van het bestaan te onderzoeken. Iedereen kan metafysica beoefenen, zolang men maar goed wordt geleid.

Het gaat er uiteraard niet om een middelmatige of verkeerde metafysica te presenteren. Want als je metafysica fout is, zullen ook je conclusies zonder waarde zijn. Meer nog : als een katholiek zich van een zwakke of verkeerde metafysica bedient, zal men vermoeden dat ook zijn geloof zwak of vals is. Onze apologetiek stelt dus zeer hoge eisen : op elk domein moet onze wetenschappelijke redenering onberispelijk en sluitend zijn. Alleen dan zal de weg naar het geloof overtuigend blijken.

We moeten dus echte metafysica bedrijven, zoals ik gedaan heb in 1981-1982 in de reeks voordrachten over Totale metafysica. Vandaag zal ik daarop terugkomen, op een manier die niet oppervlakkig is, maar wel bondig genoeg om mijn redenering vlot te kunnen volgen zodat mijn conclusie je niet zal verbazen.

HET GRIEKSE IDEALISME

De metafysica is een uitvinding van Aristoteles. Niettemin kwam ze voort uit een traditie (Socrates, Plato, Aristoteles) waarin de intuïtie – het onmiddellijke aanvoelen van de waarheid – zich richtte op de substantie. Wat is het “ zijn ”? Antwoord van Aristoteles : een substantie. Neem het voorbeeld van een klein hondje dat door de straat rent, voor je uit. De Griek, de aris­totelische denker en in het algemeen de westerling ziet dat hondje lopen en heeft een intuïtie, een onmiddellijk begrip : dat kleine hondje is op zichzelf een volledig wezen, onderscheiden van de rest, compleet en in staat om uit zichzelf te handelen. Het kwispelt, rent, blaft enz. Het is een wezen dat op zichzelf kan bestaan. Daarom noemde Aristoteles het een substantie.

Alle wezens in de schepping zijn voor de Europeaan, erfgenaam van de Grieken, zulke substanties, met een structuur die de geest kan begrijpen. De Europeaan, anders dan de oosterling, voelt zich op gelijke voet met al die wezens. Zijn intellect is gemaakt om ze te kennen ; hij dringt door tot wat Sint-Thomas van Aquino hun quidditas noemt, hun “ wat-heid ” of zoals wij zeggen hun natuur. Deze intuïtie was zo juist dat de hele moderne wetenschap erop gebouwd werd. Een wetenschapper in zijn laboratorium isoleert een stof of een element en beschouwt het als een structuur, een substantie, een lichaam waarvan hij de eigenschappen bestudeert.

De metafysica gaat echter verder en onderzoekt die substantie niet door ze letterlijk te ontleden, maar door er mentaal over na te denken. Men ontdekt dat, als een substantie in beweging is (zoals die hond die loopt), ze bestaat uit act en potentie. De act is de verwezenlijking van een mogelijkheid (potentie) die er al in aanleg was, maar nog niet was voltooid. Elke substantie bestaat uit materie en vorm. Zo is bij de mens het lichaam de materie en de ziel de vorm, nl. het principe van al zijn handelingen. Kijk naar een eik die groeit, wortels en bladeren vormt : ook dat is een substantie die uit zichzelf bestaat, die alles in zich heeft om te zijn wat ze is. Die groei, dat leven, die harmonie komt voort uit haar vorm : het innerlijke beginsel van haar activiteit.

Dat alles is buitengewoon. Thomas van Aquino voegde daaraan een cruciale gedachte toe : we kunnen ons een wezen indenken dat mogelijk is (bv. een hond met vijf poten) ; dat idee bestaat in onze geest, maar niet in de werkelijkheid. Als ik op een dag wél zo’n hond zie lopen, heeft dat wezen iets méér dan de idee die ik ervan had : het bestaan. Daarom onderscheidt Thomas in elke substantie essentie (de wijze van zijn, wat het is) en existentie (het feit dát het is).

EEN ZAK VOL KNIKKERS ?

Sint-Thomas, die sterk op Aristoteles steunde, had echter essentie en existentie opgesloten binnen die volmaakte bol van de substantie. Daardoor heeft de hele Griekse filosofie, het Griekse idealisme voortgezet in de scholastieke filosofie, geleid tot het moderne denken van Descartes, Leibniz, Spinoza en anderen. Volgens hen zijn wij allemaal complete wezens – “ monaden ” zoals Leibniz zegt – die besloten zijn in onszelf, zelfgenoegzaam, met slechts uiterlijke relaties : ik geef een klap, hij valt, hij slaat terug ; dat zijn externe relaties. Maar ieder van ons blijft, op zichzelf, een autonoom wezen dat uit de kracht van zijn eigen natuur streeft naar steeds grotere volmaaktheid. In die visie is de wereld dus eigenlijk een soort zak vol knikkers : substanties die min of meer onafhankelijk naast elkaar bestaan.

Voor de joodse filosoof Spinoza, die veel in de Bijbel had gelezen, waren die wezens integendeel juist zo met elkaar verbonden dat hij alle grenzen ophief : alles vloeit samen in één groot geheel dat hij het universum noemde en dat voor hem de échte substantie was. De grote knikker.

Voor Leibniz daarentegen was elke mens een kleine knikker. Maar in beide gevallen bleef dat idee van substantie overeind en daarmee ontglipten de vragen naar oorsprong en doel. Waar komt die substantie vandaan ? Wie heeft haar gemaakt ?
Dat hondje dat volgens jou “ uit zichzelf bestaat ”, dat is toch ooit geboren ? Het probleem van de oorsprong heeft de westerse filosoof zelden echt onder ogen willen zien, van Aristoteles tot Heidegger. “ Wij zijn in de wereld geworpen, ” zegt Heidegger. Onzin : wij worden geboren uit een vader en een moeder.

Deze intuïtie van de metafysica, of liever van de aristotelische fysica, heeft ertoe geleid dat God steeds verder werd weggeduwd. Het universum werd zozeer gezien als een verzameling van zelfstandige substanties dat het niet meer vanzelfsprekend was om te zeggen dat zij door God geschapen waren. Zo komen we bij de grote breuk in het moderne westerse denken : bij Kant. Immanuel Kant zegt : causaliteit – het feit dat dingen elkaar beïnvloeden, denk aan het voorbeeld van de klappen die we elkaar toebrengen – geldt enkel binnen onze zintuiglijke wereld. Maar voorbij die wereld gaat dat principe niet meer op. De stelling dat “ alles een oorzaak heeft ” geldt enkel in de sfeer van onze ervaring, niet daarbuiten. Is het universum dan door God geschapen ? Dat kunnen we niet weten ! Dit is het fameuze agnosticisme van Kant, dat het geloof uit onze moderne wereld heeft weggerukt.

Het probleem zat echter al veel dieper : door alle wezens, ook de mens (volgens Boëthius een “ individuele substantie met een redelijke natuur ”) te beschouwen als zelfstandige substanties heeft men de mens gezien als een autonoom geheel. Waar blijft dan God ?

Soms denkt de mens na over de orde van de wereld en bouwt hij redeneringen op die hem tot de conclusie voeren dat God moet bestaan. Maar dat blijft een redenering. God behoort niet langer tot zijn directe ervaring. Zijn onmiddellijke ervaring leert hem enkel dat wij zelfstandige, op zichzelf staande substanties zijn. Het is dan ook bijzonder moeilijk om vanuit deze filosofie een overtuigend betoog voor het geloof op te bouwen. Het kan nog wel, want Thomas van Aquino heeft het gedaan door te laten zien dat deze substanties beperkt, veranderlijk en afhankelijk van elkaar zijn en dat ze daarom een oorzaak buiten zichzelf moeten hebben, namelijk God. Maar, zeggen veel apologeten, ook al is die bewijsvoering rationeel geldig, ze overtuigt niet echt.

HET MODERNE EXISTENTIALISME

We gaan een andere overweging maken, over een andere intuïtie die mij rijker en werkelijk fundamenteler lijkt. Dat is de intuïtie van het bestaan. Het gaat niet meer om de intuïtie dat dit kleine hondje dat voorbijloopt een goed gevormd, compleet wezentje is, maar : wanneer ik naar dat hondje kijk of naar mijn kat Minoes, dan stel ik vast dat zij bestaan !

Mijn kat bestond, daar, voor mijn ogen. En omdat ik een metafysisch hart heb, raakte zijn bestaan mij diep. Het was een kwetsbaar bestaan ! Ik dacht : vroeger bestond hij niet, er was enkel het niets. Toen begon hij te bestaan. En op een dag zal er opnieuw niets zijn. Als ik erover nadenk : vóórdat hij bestond, was er absoluut niets ; hij bestond niet, niemand dacht aan hem. Dan is hij er plots. En de dag dat hij sterft, zal hij er niet meer zijn – maar hij zal toch nog een beetje bestaan, in mijn geest. Het zal niet het absolute niets zijn, want hij heeft bestaan. En dus, in de miljarden eeuwen van het bestaan van de wereld, heeft dit kattenbestaan, hoe relatief ook, toch iets absoluuts.

Laten we wat dieper graven in dit bestaan. Mediteer even over het feit dat ik ben. Die kat die mij aankijkt, zou kunnen zeggen : “ Ik ben. ” – “ Maar drie jaar geleden bestond je niet ! ” – “ Ja, maar op dit moment bén ik. ” Wij allemaal zeggen : “ Ik ben. ” Er is in ons iets dat we allemaal gemeen hebben en toch niet delen : dat we bestaan.

Op dat moment probeer ik me voor te stellen wat “ zijn ” eigenlijk is. Ik doe een inspanning om te beseffen wat het betekent te bestaan. Het is het kostbaarste wat er is. Het is een hoedanigheid : de meest waardevolle werkelijkheid. Eerst en vooral moet men “ zijn ”. Ik stel me voor dat het bestaan zelf, vanaf het moment dat er iets bestaat, al veronderstelt dat er een oneindig bestaan moet zijn, een bestaan zonder grenzen : het volmaakte Zijn.

En dan kom ik er met Sartre toe om het tegelijk ellendig, paradoxaal en schandalig te vinden : die kat, die schoen, die man, die oude dame die door de straat loopt, dat alles is belachelijk, het zijn kleine existenties van niets ! Maar het bestaan van God – dat zegt Sartre niet – dringt zich aan mijn geest op. Als er ooit iemand moet hebben bestaan, dan is het dat Zijn waaraan wijzelf slechts als toevalligheden deelnemen ; wij zijn als het ware kleine “ nietsen ”, kleine leegten. Daarom wijzig ik de definitie van Aristoteles en zeg : de metafysica is de wetenschap van het zijn van wat bestaat.

In eerste instantie betekent dat : wat ons hier allemaal verbindt, is dat we bestaan. We delen allemaal dat ene, kostbare gegeven : te zijn. Misschien zijn onze ouders al overleden ; we hopen dat kinderen hun plaats zullen innemen, maar die kinderen bestaan nog niet. We verlangen naar hen, ze bestaan al een beetje in ons verlangen, maar nog niet in werkelijkheid. We wachten op de conceptie, de geboorte, op het moment dat ze werkelijk zijn. Wonder ! Ze zijn er. De geboorte van het eerste kind in een gezin : wat een wonder !

Het zijn is rijk én kwetsbaar. Ik had evengoed niet kunnen bestaan of ik had me te pletter kunnen rijden in een ongeval ; als ik toen gestorven was, zou ik niet meer bestaan hebben, althans niet op aarde.

HET HOOGSTE ZIJN

Ik zet mijn overpeinzing voort en geef aan het Zijn waarover ik hierboven sprak en dat ik met een hoofdletter schrijf een andere betekenis : het gaat om het “ Zijn van alle zijnden ”, dat wil zeggen het hoogste Zijn. Als er wezens bestaan die onafhankelijk van elkaar zijn, dan moet er – dat dringt zich vanzelf op – een hoogste Zijn bestaan, het eerste, het mooiste, het meest noodzakelijke van alle wezens, waarvan de andere slechts herhalingen zijn, uitstralingen, voortbrengselen, participaties... Ik weet niet welk woord ik moet kiezen !

Maar ik zie duidelijk dat het Zijn bestaat, Diegene die alle religies God noemen. En het ongelooflijke is dat eeuwen en eeuwen geleden een zekere Mozes, in de woestijn, de openbaring ontving van de Naam van dit Zijn, dat tot hem sprak : “ Ik Ben, Jahweh, Ik Ben ! ” Dat is het Zijn.

Onze metafysica maakt dus vooruitgang, stap voor stap. Ik merk op dat de belangrijkste eigenschap het zijn zelf is. Het woord “ eigenschap ” is eigenlijk verkeerd ; de oer-werkelijkheid is het zijn. Wij bezitten het allemaal, maar in beperkte mate, in kleine vormen : onze naturen, ieder van ons is wat hij is ; hij is niet de ander ; hij bestaat op een bepaald moment in de wereld enz. Daarom moet het hoogste Zijn bestaan vóór alles, buiten alles, boven alles, zonder grens. Wanneer men mij een lap blauwe stof toont, kan ik mij die ook oneindig voorstellen. Mijn verstand vindt rust in dat oneindige van het Zijn, in die absolute noodzaak van het Zijn, waartegenover als contrast die niet-noodzakelijke wezens staan die op een dag zijn verschenen. We zien duidelijk dat er tussen het Zijn van alle zijnden en deze wezens een relatie bestaat.

Dat is de metafysische oer-intuïtie, die onze existentialisten in 1950 hebben herontdekt en die zij met grote felheid tegenover het oude idealisme hebben gesteld. Dat was de ontdekking van Sartre, Merleau-Ponty, Jaspers, Gabriel Marcel, maar ook al van Laberthonnière op het einde van de 19de eeuw. Alleen bleven zij daar steken en zeiden : “ Het volmaakte Zijn, dat is wonderbaarlijk, maar het zijn ervan, dat is absurd. ” Zo kwamen we bij het absurde van Sartre. Wij dragen allemaal iets absurds in ons. We vragen ons af : waarom zijn we hier, wat doen we hier ?

MIJN METAFYSICA,
DIE IK “ RELATIONEEL ” NOEM

Deze metafysica legt relaties bloot, maar relaties die geen toevallige verschijnselen zijn, geen bijkomstigheden, maar juist de kern van ons bestaan vormen. Onze wezens kunnen alleen begrepen worden, onze substanties kunnen slechts blijven bestaan als zij zelf in relatie staan tot die volmaakte substantie, tot dat volmaakte Zijn dat God is.

Ik zoek naar een woord om die relatie te benoemen waardoor ik in het bestaan word gehouden... Wanneer men zegt : “ Ik besta ”, voel ik de neiging het gebaar te maken dat ik nu voor jullie maak, namelijk het opheffen van mijn hand. Dit gebaar is de verheffing van het object. Ik neem dit voorwerp, ik toon het jullie : het bestaat, ook al is het niet bijzonder mooi.
Het bestaat, het is als een offer. Ik bied het jullie aan : het bestaat. Kijk naar de beweging van mijn hand : ik hef het op, ik trek het uit het niets.

Dat is precies de uitdrukking die de Kerk al eeuwenlang gebruikt : de schepping, waardoor God uit het niets tevoorschijn roept. Dat betekent niet dat Hij uit zichzelf een deel van zichzelf trekt – dat kan niet. God doet wezens verschijnen als het ware uit het niets (“ uit het niets trekken ” is een te zwakke uitdrukking : uit niets kan je niets trekken). Als Hij hen op een dag doet verschijnen in een scheppende daad, dan ondersteunt Hij hen gedurende hun hele bestaan. De dag waarop deze wezens niet langer gedragen worden door Gods scheppende daad, volgt het niets. Ik zeg niet dat ze terugvallen in het niets, alsof het niets een soort doos was waarin je kan terugvallen, maar het niets volgt. Deze wezens zijn er dan eenvoudigweg niet meer.

Van daaruit vervolg ik mijn metafysische overweging. Ik stel mij het Zijn voor, het oneindige Zijn dat zich naar ons toe buigt om ons in het bestaan te laten verschijnen en ons daarin te houden. Er is dus een relatie tussen Hem en ons, een relatie die ik “ verticaal ” noem, want tussen Hem en ons is het als van de Hemel naar de aarde, en die ik ook “ oorspronkelijk ” noem, omdat zij werkelijk de oorsprong van ons zijn vormt. Ten derde noem ik ze “ constituerend ”, want dit bestaan is niet zoals een vakman een stuk hout neemt om er een beeld van te maken. Nee, het geheel van ons wezen wordt door God gemaakt. En dus vat deze relatie heel ons wezen samen en verklaart zij het volledig. Als ik een persoon ben, dan ben ik een wezen dat duidelijk onderscheiden is van alle anderen. Wie heeft mij gedefinieerd als deze bijzondere persoon, met meer of minder waarde ? Dat is mijn Schepper.

Is dat alles ? Is dat alles wat we kunnen halen uit de overweging over het zijn, over mijn zijn, ieder van ons over het feit dat hij bestaat ? Er kan al iets ronduit verbluffends uit gehaald worden. Om jullie een soort van metafysische duizeling te bezorgen : ik (maar het geldt voor ieder van jullie) bestond niet in 1900, ik bestond op geen enkele manier in 1900. Ik ben op een bepaalde datum geboren. In 1924 ben ik beginnen te bestaan. Nu blijkt – Plato heeft het mij uitgelegd – dat ik in mijn geest, mijn geestelijke ziel, onsterfelijk ben. Dus : nu ik eenmaal besta, zal ik altijd bestaan. God bestaat altijd al en voor altijd. Ik ben op een rijdende trein gesprongen, ik ben in 1924 ingestapt in de trein van het bestaan. Ik heb mij gevoegd bij God, die altijd al bestaat. Nu ben ik in die trein met Hem. Over honderd jaar zal ik er nog zijn, maar ik zal mij nog altijd herinneren dat Hij mij in 1924 geschapen heeft. Over duizend jaar zal ik er nog zijn, over een miljard jaar ook. Denken jullie niet dat ik mij over een miljard jaar misschien wel eeuwig zal wanen ? De geest stokt, bevangen door duizeling.

Er is God, die oneindig is, en ik ben er, die anders ben dan God, naast Hem... Nu zet ik een nieuwe stap in mijn metafysische reflectie. God heeft mij in mijn eentje niet nodig. Toen Hij mij schiep, was dat toch niet om samen met Hem een soort tweetjes-gezelschap te vormen : God en ik die samen een praatje maken of zo.

Door mij te scheppen heeft God mij gemaakt tot het wezen dat jullie hier zien, maar mijn bijzonderheid bestaat erin dat ik niet ben zoals jullie, al lijken we wel wat op elkaar. Zo vormen wij samen, met elkaar, als het ware een puzzel : een grote afbeelding waarin ieder van ons zijn eigen plaats inneemt, maar waarin ieders persoonlijke waarde bepaald wordt door de plek die hij inneemt ten opzichte van de anderen. “ Mijn man ”, zegt de vrouw, “ is anders dan ik, maar samen vullen we elkaar aan ; we zijn voor elkaar gemaakt. ”

En het is zelfs heel aangenaam en een van de grote elementen van de liefde om in de ander – mijn ouders, mijn vrouw, mijn broer, mijn baas, mijn medeburger – een ander wezen te vinden dat samen met mij een méér-zijn vormt ; en ieder van ons groeit door de kennis en de liefde, door de relaties die we hebben met andere wezens. Op dat moment lijkt de verticale relatie met God, die mij als persoon vormt, mijn plaats in de wereld te bepalen. Dat betekent dat die verticale relatie zich uitvlakt in een groot aantal horizontale relaties met mijn omgeving, en via-via met het hele universum.

Ik sta in relatie tot God, een heel intieme en unieke relatie. Hij heeft mij geschapen, Hij schept mij nog voortdurend. Maar daarnaast geeft God mij, door mij te scheppen, een geheim mee, een “ roeping ” : mijn plaats innemen in het universum en de anderen liefhebben en dienen, zoals ook de anderen mij moeten liefhebben en dienen, zodat wij méér kunnen zijn en verenigd kunnen worden in een grote, brede gemeenschap die ons gezamenlijk geluk vergroot door het geluk van iedereen afzonderlijk.

Je zal zeggen : dat is religie ! Nee hoor : de stoïcijnen, perfecte existentialistische filosofen, hebben dit allemaal al gedacht !

Dus, als mijn relatie tot God een natuurlijke mystiek is en behoort tot de existentialistische meditatie, dan zijn mijn relaties met de anderen en de dienst die ik hun verschuldigd ben, die enorme wederkerigheid van diensten, ook nog altijd van de natuurlijke orde. Het gaat nog altijd om een natuurlijke mystiek : dat ieder van ons zich bewust wordt van wat anderen hem brengen door hun bestaan en dus wat hij aan anderen moet bijdragen, opdat alles bijdraagt tot het welzijn van het geheel. Hoe prachtig is dat toch !

(wordt vervolgd)

Abbé Georges de Nantes, 1984
Hij is verrezen ! nr. 139, januari-februari 2026