Wetenschappelijk eerherstel
Voor de H. Lijkwade van Turijn

1. DE OOSTERSE VOORGESCHIEDENIS VAN DE RELIKWIE

door broeder Bruno Bonnet-Eymard

DOOR toepassing van de koolstof-14-methode is men ertoe gekomen de Lijkwade te bestempelen als een middeleeuwse vervalsing. Maar het wetenschappelijke onderzoek én de eeuwenoude traditie van de Kerk zijn niet achterhaald door dit zogenaamde “verdict”. Want alles wijst er op dat de H. Lijkwade wel degelijk authentiek is. Dat zal ik overvloedig bewijzen door terug te gaan in de geschiedenis zover als ik kan, tot aan de waarachtige oorsprong van deze kostbare Relikwie.

IN HET WESTEN : DE MONSTRANS VAN HET H. BLOED

Maar laten we, vooraleer we aan de oosterse voorgeschiedenis beginnen, even opmerken hoe weinig bekend de nochtans overvloedig gedocumenteerde westerse geschiedenis ervan is. Of moeten we veronderstellen dat het om een bewuste poging gaat de Relikwie in de vergeethoek te doen belanden ? Hoe anders moeten we de houding van kardinaal Ballestrero opvatten, die doet alsof hij zichzelf in de zuivere traditie van de Kerk plaatst op hetzelfde moment dat hij breekt met « de houding die altijd al aangenomen is tegenover de H. Lijkwade » door de pausen ? De vroegere Opperherders hebben, naar de woorden van Benedictus XIV (1740-1758), « getuigd dat de buitengewone relikwie van de H. Lijkwade die in de stad Turijn bewaard wordt, dezelfde is als die waarin Onze Heer Jezus Christus werd gewikkeld » 1. Krachtens deze zekerheid heeft paus Sixtus IV (1471-1484) aan de kapel van het kasteel van Chambéry (Savoie), waar de Lijkwade lange tijd bewaard werd, de titel verleend van « Sainte-Chapelle van de H. Lijkwade », met aflaten en voorrechten ; en hij eiste voor de Relikwie dezelfde eerbewijzen en aanbidding die men verschuldigd is ten aanzien van het Kruis van onze Verlosser, omwille van « het echte bloed van Christus zelf » waarmee het weefsel gekleurd is 2.

Paus Julius II gaf in 1506 toelating voor de verering van de « Lijkwade zelf waarin de Heer Jezus Christus werd gewikkeld en in het graf gelegd ». Hij stelde de feestdag ervan vast op 4 mei, met eigen officie en misformulier, en schreef in dezelfde termen als zijn voorganger ook verering en aanbidding voor omwille van het « waarachtige bloed van Christus zelf » dat iedereen met eigen ogen op het weefsel kan waarnemen 3.

Dat is gedurende vijfhonderd jaar de houding geweest van alle pausen van de moderne tijden. Zij verleenden nieuwe aflaten, bekrachtigden de oude of eerden op andere manieren de H. Lijkwade van Turijn. Ook de pausen van de 20ste eeuw deden dit, van de H. Pius X tot Joannes-Paulus I, bij wiens troonsbestijging in 1978 de Lijkwade publiek ter verering getoond werd : 3,5 miljoen bedevaarders stroomden toe in Turijn om de Relikwie te vereren en te aanbidden.

Toch is het een feit dat honderd jaar vóór Sixtus IV de tegenpaus Clemens VII niet zo’n grote zekerheid manifesteert als heel de latere reeks Roomse pausen. Maar Sixtus IV zelf gaf ook geen uitsluitsel over de vraag naar de manier waarop de afbeelding tot stand gekomen was, ongetwijfeld omdat hij de « sporen » van het lichaam niet met eigen ogen gezien heeft. Vandaar dat hij aarzelt en zijn standpunt wijzigt van de ene bul tot de andere, wat alle ernstige historici perfect hebben verklaard 4. Wat het Memorandum van Pierre d’Arcis 5, bisschop van Troyes (1378-1395), betreft : de echtheid ervan is voor twijfel vatbaar. Het is niet ondertekend noch gedateerd ; de stijl komt niet overeen met die van de bisschoppen uit die tijd. In elk geval liegt de auteur van dit stuk schaamteloos waar hij zich beroept op een onderzoek door bisschop Henri de Poitiers : er is in de archieven nergens een spoor te vinden van een dergelijk onderzoek en evenmin van een zgn. “onderzoekscommissie” – en nog minder van bekentenissen door een voorgewende “schilder” van de Lijkwade ! Als de Lijkwade dus niet geschilderd is in 1355, waar komt zij dan vandaan ?

IN GRIEKENLAND (1205-1350)

Laat ons de ene stap na de andere teruggaan in de geschiedenis. Gedurende de eerste helft van de 13de eeuw bevindt de H. Lijkwade zich in Griekenland en behoort ze misschien al toe aan de Charpigny’s, een adellijke Frans-Griekse familie waarmee de familie De Charny zich in het begin van de 14de eeuw zal verbinden, veertig jaar vóór de Lijkwade in Lirey voor het eerst wordt tentoongesteld. In elk geval staat het vast dat Agnès de Charpigny, vrouwe van Vostitza, de heilige relikwie naar Frankrijk heeft gebracht 6. En zij huwde met Dreux de Charny, de oudste broer van Geoffroy, heer van Lirey.

Vóór Lirey bevond de Lijkwade zich dus in Vostitza, aan de Golf van Lepanto, ten oosten van Patras. En vóór Vostitza was zij in Athene, een etappe die goed gekend is. Onmiddellijk na de inname van Constantinopel door de kruisvaarders (1204) werd de Lijkwade naar Athene gebracht ; de neef van keizer Isaak II beklaagt er zich over bij paus Innocentius III : in de massa schatten die van zijn oom gestolen werden eist hij in de eerste plaats « wat heilig is » op, de relikwieën, en « daaronder het allerheiligste voorwerp, de Lijkwade », die op dat ogenblik (in 1205) « in Athene » is 7.

Daar heeft Nicolaas van Otranto, abt van Casole, haar vereerd in het gezelschap van de legaat Benedictus van Sint-Suzanna 8.

Aan de vooravond van de inname van de stad door de kruisvaarders (april 1204) heeft Robert de Clari in Byzantium de « sydoines la ou nostres sires fut envelepes » (“de lijkwade waarin onze Heer was gewikkeld”) gezien. Deze ridder uit Picardië, die in augustus 1203 in de Byzantijnse hoofdstad was, verklaart dat « on i pooit bien veir le figure notre seigneur » (“dat men daarop heel goed het gelaat van onze Heer kon zien”) 9.

Twee jaar voordien had Nicolaas Mesarites, bewaker van de relikwieën die bewaard werden in een kapel bij het keizerlijke paleis, de mysteries van Jezus’ leven, vereeuwigd door de relikwieën in die kapel, als volgt opgeroepen : « Hier verrijst Hij en de Lijkwade (soudarion) met de doeken zijn er het bewijs van... Ze zijn van linnen. Ze vergaan niet, want ze hebben de onsterfelijke Dode omhuld, naakt en gebalsemd zoals Hij was na het Lijden. » 10 « Van linnen », apo linou : een eerste overeenkomst met de heilige doek van Turijn, die van linnen is geweven. « Naakt en gebalsemd » is een tweede overeenkomst, want de uitdrukking verwijst naar wat men op het doek kan zien en wat algemeen bekend is.

Deze bladzijde uit het Pray-manuscript ( 12de eeuw) verbindt twee taferelen : boven de zalving van het Lichaam van Jezus door Nicodemus in de avond van Goede Vrijdag, onderaan de ontmoeting van de heilige vrouwen met de engel op paasochtend. Cliché bibliotheek Doucet.

De vervaardiger van het Pray-handschrift heeft stellig tien jaar vóór Mesarites het weefsel « van linnen » gezien en de afbeelding erop « van de onsterfelijke Dode, naakt en gebalsemd na het Lijden ». Hij heeft Christus volledig naakt voorgesteld, zoals op de Lijkwade, maar helemaal in tegenstelling tot de artistieke conventies. Jezus ligt uitgestrekt op een stuk stof, waarvan het uiteinde gedraaid is rond de hals van Jozef van Arimatea tot op diens linkerhand ; die neemt het stuk stof vast met de klaarblijkelijke bedoeling het over Jezus’ voorzijde te trekken. De armen van de Verlosser zijn gekruist ter hoogte van de polsen, de rechterarm over de linkerarm, zoals op de Lijkwade (wanneer men vergeet dat men met een spiegelbeeld te maken heeft !).

Zoals op de Relikwie zijn er slechts vier vingers aan de handen van de Dode zichtbaar... maar ook bij Nicodemus is dat zo ! De miniaturist heeft deze eigenaardigheid op de Lijkwade dus opgemerkt, zonder ze te begrijpen. Nicodemus giet reukwerk uit dat hij over het Lichaam uitstrijkt : men dacht in die tijd namelijk dat de afbeelding op de Lijkwade het resultaat was van contact tussen het weefsel en de aromatische kruiden op het Lichaam.

Het onderste tafereel stelt de ontdekking van het lege graf door de heilige vrouwen voor, die het Lichaam komen zalven. Zij ontmoeten de engel die de Verrijzenis verkondigt en wijst naar de H. Lijkwade, voorgesteld door twee stijve banen stof ; ze komen bijeen waar het hoofd van de Dode lag en gaan dan uiteen in een scherpe hoek om de binnenkant van het weefsel te tonen, waaruit het Lichaam verdwenen is. De bovenste strook toont de buitenkant van de Lijkwade : de kunstenaar heeft de gekeperde stof, die hij zeker met eigen ogen geobserveerd heeft, geïmiteerd. De onderste strook toont de binnenkant : zij staat vol met kleine, rode Griekse kruisjes die de bloedvlekken weergeven.

Een laatste detail 11 tenslotte bevestigt dat het om een waarheidsgetrouwe kopie gaat. Op de buitenkant van de Lijkwade, ter hoogte van de eerste van de heilige vrouwen, heeft de kunstenaar vier kleine kringetjes getekend die samen een omgekeerde L vormen.

Op de voorstelling van de binnenzijde, ter hoogte van de tweede heilige vrouw, vormen vijf andere cirkeltjes te midden van de Griekse kruisjes een soort lus.

Dit motief komt overeen met de sporen van een eerste brand vóór die van Chambéry, want de gaatjes die erdoor werden veroorzaakt komen al voor op de kopie die in de Sint-Gummaruskerk in Lier bewaard wordt (1516). Hun symmetrische plaatsing op vier plekken op het doek wijst op een incident dat vóór 1192 plaatsgreep, toen de Lijkwade in vieren gevouwen was en er in de lengte nog geen strook aan toegevoegd was (fig. 2) 12. Volgens P. Dubarle kan een « onhandige zwaai met een wierookvat » de oorzaak zijn. Sinds wanneer bevond de H. Lijkwade zich in Constantinopel ? Hierover bestaat geen enkel precies document. Volgens Paul Vignon wist de keizer zelf niet « wanneer zijn voorgangers haar ontvangen hadden en waar zij vandaan kwam » 13.

Fig. 2 : Schema van de wijze waarop de Lijkwade geplooid was, zoals bevestigd door de brandsporen van vóór 1192 ( in het zwart aangegeven). In de lengte was onderaan nog geen strook toegevoegd.

DE DOEK VAN VERONICA

 


IN EDESSA (8ste-10de eeuw)

Alles is anders geworden sinds Gino Zaninotto in 1986 voor het eerst een Grieks manuscript uit de Vaticaanse bibliotheek ontcijferde. Het bevat de tekst van een preek van « Gregorius, aartsdiaken en referendaris van de hoofdkerk van Constantinopel », de Hagia Sophia, uitgesproken ter gelegenheid van de plechtige inhaling van de Beeltenis van Edessa in de keizerlijke hoofdstad (Ms Vat. Graec. 511, fl. 143-150r).

Een “acheiropoiètische” afbeelding (van het Griekse a-cheir-poiein : “niet door (mensen)handen gemaakt”) vormde sedert eeuwen de roem van Edessa, het huidige Urfa in Zuid-Oost-Turkije. De historici weten dat dit kostbare voorwerp op 15 augustus 944 naar Constantinopel werd overgebracht. Gregorius beschrijft deze Beeltenis van Edessa en uit zijn woorden blijkt dat hij het heeft over de Lijkwade van Turijn.

De aartsdiaken zegt dat hij een zorgvuldig onderzoek heeft ingesteld in boeken in Constantinopel én in Edessa. Hij maakte dus deel uit van de keizerlijke delegatie die zich naar Edessa begaf om daar de Beeltenis te bekijken... en tegelijkertijd alle kopieën die ervan bestonden. Zij moesten het origineel aanduiden en het in triomf naar de Byzantijnse hoofdstad overbrengen. Gregorius bekeek de heilige relikwie dus zeer aandachtig en in tegenstelling tot alle toen bestaande literatuur beschrijft hij de Lijkwade op een totaal nieuwe wijze.

Hij legt namelijk duidelijk uit hoe hij tot de conclusie is gekomen dat die ene afbeelding precies de authentieke is en de andere “vervalsingen” zijn – hoewel we die term niet zouden mogen gebruiken : het ging om kopieën die als icoon vereerd werden en die men wellicht ook “acheiropoiètisch” noemde, maar niet met de bedoeling de gelovigen te bedriegen. We komen hier verderop nog op terug.

De passage is prachtig en werpt een onverwacht licht op de duizendjarige devotie tot het H. Aangezicht : « Kijk eens hoe schitterend mooi de bovennatuurlijke luister van het model is », roept Gregorius uit. Het heeft niets gemeen met de « afwisselende kleuren » waarmee de schilderkunst beeltenissen vervaardigt ; die zijn slechts « een toegangsdeur » voor de intelligentie om « het model » te begrijpen. Het is duidelijk wat hij met “het model” bedoelt : de niet-door-mensenhanden-gemaakte Afbeelding zelf.

Dan gaat de aartsdiaken over op de beschrijving van de Beeltenis van Edessa, « prototype » van alle portretten. « Iedereen moet bij deze beschrijving vervuld worden van enthousiasme ! De afdruk is uitsluitend het werk van de zweetdruppels die tijdens de doodstrijd van het gezicht van de Levensvorst afdropen als bloedklonters én van de vinger Gods... En de afbeelding werd nog mooier gemaakt door de bloeddruppels die uit Zijn zijde stroomden. » Die laatste woorden leveren een onverwacht en kostbaar getuigenis : Gregorius heeft dus met zijn eigen ogen naast de afdruk van het Gelaat ook de vlekken gezien die door de wonde in de zijde gemaakt werden !

Hij benadrukt overigens dit onderscheid, net zoals een moderne geleerde het verschil zou trachten uit te leggen tussen afbeelding van het lichaam enerzijds en bloedvlekken anderzijds : « Ze zijn beide zeer leerrijk : bloed en water hier, zweet en afbeelding daar. » Het getuigenis van Gregorius over de wonde in de zijde bewijst dat de huidige Lijkwade van Turijn en de aloude Beeltenis van Edessa één en hetzelfde doek zijn. Het manuscript in het Vaticaan rekent voorgoed af met de stelling dat de H. Lijkwade uit de middeleeuwen zou dateren.

Gregorius vertelt in zijn uiteenzetting dat de afbeelding bij haar aankomst in 944 werd gekroond met de keizerskroon en op de troon van de basileus werd geplaatst. Hiermee symboliseerde men de soevereiniteit van Christus Pantocrator, het meest geliefde thema van de Byzantijnse iconografie tijdens de renaissance die volgde op de periode van het iconoclasme (de beeldenstorm in het Byzantijnse rijk). Dit thema werd altijd geïnterpreteerd in nauw verband met de Lijkwade (zie fig. 3 en fig. 4), zoals ook alle andere thema’s van de Byzantijnse kunst na de beeldenstorm verwijzen naar de Lijkwade, van het eerste kruisbeeld na het iconoclasme af tot aan de zgn. Moeder Gods van Vladimir, aan het eind van de 10de eeuw door Byzantijnse missionarissen naar Rusland gebracht 14.

IN CONSTANTINOPEL (7de-8ste eeuw)

De overbrenging van de Relikwie naar Constantinopel in 944 was in feite slechts een terugkeer. De Byzantijnse troepen hadden Edessa alleen maar belegerd om het kostbare lijnwaad te heroveren dat in Constantinopel bewaard was geweest vanaf de inname van Jeruzalem door de Perzen in 614 15.  Onder keizer Leo III (714-741) was ze echter wegens de heftige iconoclastenstrijd, die duurde van 726 tot 843, uit de stad gesmokkeld en waarschijnlijk in Edessa ondergebracht.

Zeker is dat tijdens het eerste verblijf van de Lijkwade in Byzantium de H. Braulion (gestorven in 651) de echtheid ervan bevestigt en dat keizer Justinianus II (685-695 en 705-711) zijn muntstukken slaat met als beeldenaar het H. Gelaat van de Lijkwade 16.

IN JERUZALEM (1ste-6de eeuw)

De eerste bloeiperiode van de Byzantijnse iconografie valt in de 6de eeuw. Hiervan getuigen de kunstwerken van het Sint-Catharinaklooster in de Sinaïwoestijn, die aan het iconoclasme ontsnapt zijn ; dit klooster is heel de geschiedenis door nauw verbonden geweest met Jeruzalem en meer bepaald met « de school van Jeruzalem » 17. Welnu, de iconen van het Sint-Catharinaklooster vertonen al de invloed van de H. Lijkwade 18.

Het is dus in Jeruzalem dat men van in de vroegste tijden begonnen is met het kopiëren van het H. Gelaat op de Lijkwade.

DE DOEK VAN « VERONICA »

We bezitten een anonieme tekst uit de 11de eeuw waarin het gaat over « het kostbare Kruis » uit de schat van de Hagia Sophia in Constantinopel : « De lichaamslengte komt overeen met de grote lengte van Onze Heer Jezus Christus, zoals die nauwkeurig werd nagemeten in Jeruzalem door betrouwbare en achtenswaardige lieden » (Anonymus Banduri, Griekse patrologie van Migne, dl. 122, kol. 1305). Meer zegt de tekst niet, alsof het voor iedereen vanzelfsprekend is dat er verwezen wordt naar de afdruk die de atletische gestalte van Jezus heeft nagelaten op de Lijkwade 19, die toen in Jeruzalem was, zoals iedereen wist.

Wij weten dat deze « betrouwbare en achtenswaardige lieden » gezonden waren door keizer Justinianus I de Grote (527-565). Misschien bevonden zich onder hen kunstenaars die met veel aandacht het H. Gelaat op de Lijkwade observeerden. Zeker is dat op datzelfde ogenblik (540) de zgn. « picturale afstamming » (Vignon) van de Lijkwade ontstaat, herkenbaar aan bepaalde eigenaardigheden van de Relikwie die worden overgenomen door mozaïekwerkers en schilders (fig. 3 en fig. 4) 20.

Een hele reeks Christusportretten vertoont deze eigenaardigheden, waarmee bewezen wordt dat het H. Gelaat van de Lijkwade eeuwenlang het verplichte model was van alle kunstenaars : sedert onheuglijke tijden zag men er namelijk het echte gelaat van Christus in, « afgedrukt door de zweetdruppels van de doodstrijd », zoals aartsdiaken Gregorius zei.

Deze gouden eeuw van de Byzantijnse kunst zelf werd echter voorafgegaan door een meer primitieve kunst waarvan nu nog twee heilige Aangezichten getuigen. Het ene behoort tot de pauselijke verzamelingen van het Vaticaan, na tot 1868 bewaard te zijn geweest in de kerk van San Silvestro in Capite in Rome (fig. 7). Het andere wordt vereerd in de kerk van San Bartolomeo degli Armeni in Genua (fig. 5).

Beide passen perfect op een derde Aangezicht, dat « van Veronica », dat men kan zien in de sacristie van de Gesù in Rome (fig. 9). Het gaat om een kopie op zijde, vervaardigd ten tijde van paus Gregorius XV (1621-1623), van de zgn. Doek van Veronica die bewaard wordt in de kapel van de H. Veronica in de Sint-Pietersbasiliek. Deze relikwie werd nog nooit onderworpen aan wetenschappelijk onderzoek, wat nochtans dringend zou moeten gebeuren naar aanleiding van verschillende waarnemingen op de beide andere Aangezichten.


DE H. LIJKWADE, MODEL EN NORM VAN DE CHRISTELIJKE KUNST

Fig. 3 : Christus Pantocrator. Mozaïek in de koepel van Dafni bij Athene (rond 1100 ). « Een brutale visie », schrijft André Grabar ( La peinture byzantine, Genève, 1953, p. 117 ), die in schril contrast staat met het « elegante academisme » van de Byzantijnse kunst. Paul Vignon heeft de verklaring gevonden : de kunstenaars interpreteerden de raadselachtige trekken van het H. Gelaat afgedrukt op de Lijkwade, dat men sinds mensenheugenis als het authentieke portret van Christus beschouwde. Omdat zij niet wisten dat ze met een “negatief” te maken hadden, leek het gezicht hun erg streng. Vignon heeft deze afhankelijkheid bewezen door bepaalde details te observeren die vanuit artistiek standpunt zonder betekenis zijn, maar vanzelfsprekend worden als men weet dat het om een kopie van de Lijkwade gaat.
Fig. 4 : Het gelaat op de Lijkwade zoals het er in werkelijkheid uitziet. Men merkt nauwelijks dat het om een menselijk gezicht gaat : een zwarte neus, wit omrande ogen zoals die van een kerkuil, een onherkenbare mond.

RELIEKHOUDERS

In 1968 heeft men wel het H. Gelaat van Genua grondig onderzocht. Men heeft toen onder het bladgoud waarop het geschilderd gezicht is aangebracht een « stukje linnen » gevonden « dat was vastgekleefd en daarna verborgen onder een laagje pleister » 21. Heel de structuur van dit kunstwerk is opgevat als « een reliekhouder » voor het stukje linnen, dat misschien de Lijkwade aangeraakt heeft – tenzij het echt om een fragment van de illustere Relikwie zelf gaat ! Iets gelijkaardigs kan men vaststellen bij het H. Aanschijn van het Vaticaan (fig. 8) : waar de verf afgebladderd is, bemerkt men een weefsel met hetzelfde patroon als de Lijkwade (fig. 11), nl. in visgraat geweven 22.

Verdere studie zal misschien uitmaken of het om een echte relikwie gaat, een authentiek fragment dus van de Lijkwade, dan wel om een brandeum, een stuk stof waarmee men de Lijkwade heeft aangeraakt. Ondertussen staat het vast dat men van de kostbare Relikwie in de lengte een behoorlijk stuk heeft afgesneden, waarschijnlijk aan weerskanten tot juist aan de afdrukken van het lichaam.

De genoemde heilige Aangezichten zijn reliekhouders. Als zij « acheiropoiètisch » genoemd worden, terwijl zij toch duidelijk de hand van mensen verraden, dan is dat omdat de kunstenaars in kwestie enkel getracht hebben de zuivere « niet-door-mensenhanden-gemaakte » beeltenis van de H. Lijkwade na te bootsen... en wellicht ook omdat deze afbeeldingen bovendien een fragment verbergen van het originele weefsel !

De Aangezichten van het Vaticaan en van Genua vertonen een vreemd, bijna afstotend aspect, door de baard met de drie punten die het gezicht zonder hals abrupt aflijnt. Maar de radiografie van de beeltenis van Genua onthult een primitieve afbeelding die sterk verschilt van wat we momenteel kunnen zien (fig. 6). Het gezicht is verdeeld in twee zones. De bovenste zone heeft kenmerken die volgens pater Pfeiffer ongetwijfeld verwijzen naar de 3de eeuw (op. cit., pp. 27-28). Men treft er al de V tussen de wenkbrauwen aan die noch anatomisch noch esthetisch te verklaren is, maar alleen kan verwijzen naar de Lijkwade (fig. 4). De onderkant van het gezicht toont duidelijk het onderscheid dat de oorspronkelijke beeltenis maakte tussen de baard en de haren die aan weerskanten neervallen.

Wanneer men nu deze afbeelding op de H. Lijkwade legt, stelt men vast dat een verbazende gelijkenis tot stand komt met de « Veronica » van de Gesù (fig. 10). Het besluit dringt zich op : de Aangezichten van Genua, het Vaticaan en de Gesù zijn kopieën van het H. Gelaat van de Lijkwade en verbergen soms zelfs een fragment van de echte Relikwie.

Deze eeuwenoude traditie is blijven doorwerken ook in latere stadia van de geschiedenis van de Lijkwade : niet alleen in Edessa, waar de « Veronica » de naam « Beeltenis van Edessa » krijgt, maar ook in Constantinopel waar men haar « Mandylion » noemt en waar het H. Aanschijn werd vervaardigd dat nu in Laon bewaard wordt ; het is wel van latere datum dan de zo-even besproken gezichten, maar toch zeer sprekend, met de oud-Slavische inscriptie : « Afbeelding van Onze-Lieve-Heer op de Lijkwade » 23.

REEDS TEKEN VAN TEGENSPRAAK

In een brief waarvan de interpretatie al veel inkt heeft doen vloeien, vertelt de H. Epiphanius van Salamis (315-403) aan bisschop Joannes van Jeruzalem hoe hij in het portaal van een kerk nabij Jeruzalem een doek gezien heeft die de afbeelding droeg van een mens die hem deed denken aan Christus, « quasi Christi », of aan « een andere heilige ». Dit is het oudste getuigenis in verband met het bestaan van een afbeelding van Christus op een doek, zoals pater Pfeiffer opmerkt (op. cit., p. 4).

Epiphanius was op bedevaart naar Bethel. Toen hij in Anablatha gekomen was, in de buurt van Jeruzalem, ging hij een kerk binnen om te bidden en zag toen in het voorportaal de doek met de afbeelding hangen. Hij haalde hem van de muur (!) en beloofde de bewakers er een nieuwe te bezorgen, van goede kwaliteit en zonder afbeelding erop.

Sommige historici vinden dat hier sprake is van een verregaand anachronisme : het iconoclasme moeten we pas driehonderd jaar later situeren ! Het is ook vreemd zo’n daad te moeten toeschrijven aan de H. Epiphanius. Maar het vervolg van het verhaal maakt de hypothese van een puur verzinsel onaanvaardbaar. Want volgens de brief voegde Epiphanius de bewakers van de kerk nog toe dat zij de doek die hij weggenomen had moesten gebruiken om er « een arme dode in te wikkelen en te begraven ». Dit detail « verbergt iets », zegt Pfeiffer. Het kan niet dat een beeldenstormer uit de 8ste eeuw dit zo levendige verhaal uit zijn duim gezogen heeft, met al de details die overeenstemmen met het weefsel waar het ons in deze studie om te doen is :

« 1° De kerk bevond zich in Palestina, dichtbij Jeruzalem. 2° De afbeelding was te zien op een stuk weefsel en was geen muurschildering of een schilderij op hout. 3° Het weefsel was zo groot dat het kon dienen voor een begrafenis. [...] Het feit dat de afbeelding opgehangen was bij de ingang van de kerk » wijst volgens pater Pfeiffer op « iets buitengewoons ». Bovendien is er de wel onverwachte raad aan de bewakers om de doek te gebruiken voor de begrafenis van een arme.

Dat alles leidt tot de volgende overtuiging : niet alleen is de geschiedenis van het weefsel met een afbeelding « quasi Christi » authentiek, zij duidt ook op de aanwezigheid, in het H. Land, van een grote lijkwade met de beeltenis van Christus erop. In elk geval toont het incident van Anablatha aan hoe gevaarlijk het was de H. Lijkwade tentoon te stellen gedurende de eerste eeuwen van het christendom : de christelijke gemeenschap was nog doordrenkt van joodse gebruiken en stond dus afkerig tegenover de cultus van een beeltenis en het contact met een begrafenisvoorwerp. Dat is zonder twijfel de reden waarom de eerste generaties christenen, ten tijde van de martelaren, zich ervoor hoedden over de Lijkwade te spreken en dit overlieten aan de half-legendarische verhalen van de apocriefe boeken.

IN DEN BEGINNE : DE H. VERONICA

Inderdaad, de apocriefe boeken hebben voortdurend belangstelling getoond voor de Lijkwade van de Heer, van het Evangelie aan de Hebreeën (einde 1ste eeuw) tot aan het Evangelie van Gamaliël (5de eeuw). Misschien vormde de Relikwie voor de primitieve gemeenschap al een bewijsstuk voor de Verrijzenis. Daarnaast geven de Handelingen van Pilatus (of Evangelie van Nicodemus) uit de 5de eeuw de naam Berenikè of Veronica aan de vrouw die aan bloedvloeiing leed en genas na het aanraken van de zoom van Jezus’ mantel (Lc 8, 43-48). Deze apocriefe geschriften staan vol zeer oude tradities, want Justinus en Tertullianus maken in de 2de eeuw al melding van de Handelingen van Pilatus.

De geschiedenis van deze heilige vrouw, die teruggaat tot aan de evangelische tijd, is verbonden met een afbeelding van Christus « ten voeten uit » 24. Het lijkt alsof Berenikè-Veronica, de vrouw die op wonderbare wijze van haar ziekte genezen werd, de Lijkwade bewaard heeft die Petrus en Johannes op Paasmorgen in het lege graf aantroffen (Jo 20, 5-7) 25. De traditionele benaming « doek van Veronica » verwijst naar die herinnering en duidt oorspronkelijk op de Relikwie zelf.

AAN DE OORSPRONG ZELF :
EEN MUNTSTUK GESLAGEN ROND HET JAAR 30

Ons historisch onderzoek wordt op een opzienbarende manier bevestigd door de paleografie, die de afbeelding tot op twee jaar nauwkeurig dateert ! Onze betreurde vriend pater Francis Filas, s.j. (1915-1985) heeft ons indertijd heel het dossier van deze ontdekking overgemaakt ; het is zijn verdienste in deze kwestie het laatste woord gesproken te hebben. Gangmaker was echter de consensus onder een groep Amerikaanse geleerden, waarvoor de voorafgaandelijke werkzaamheden van de STURP 26 in Albuquerque in 1977 en de uiteenzetting door Eric Jumper op het congres van Turijn in 1978 het materiaal leverden. Maar op de bijeenkomst van Los Alamos in 1979 ontstond een hetze tegen pater Filas, zodat het hele dossier vandaag over de hele wereld doodgezwegen wordt.


DE DATERING VAN DE AFBEELDING DOOR DE PALEOGRAFIE

Pater Francis Filas, s.j., wiskundige, fysicus en theoloog, hoogleraar aan de Loyola-universiteit in Chicago. Hij was het die het definitieve bewijs leverde voor de opzienbarende vondst van het muntstuk op het rechterooglid van Jezus.

 


Waarom ? Om één enkele reden die helemaal niets met de wetenschap te maken heeft : omdat we hier de datering van de afbeelding krijgen en niet enkel van het weefsel, omdat we hier bijna het jaartal van de Gebeurtenis kunnen aflezen : de stempel en het zegel van Pontius Pilatus, waartegen geen enkele geleerde iets kan opwerpen.

De driedimensionale analyse (fig. 13) heeft de hypothese doen ontstaan, maar ook op een gewone foto kan men op elk ooglid duidelijk een soort schijfje zien liggen : donker op het positief (fig. 4), helder op het negatief (fig. 12). Toen pater Filas de afdruk van het rechterooglid (fig. 14) vergrootte, herkende hij de afdruk van een muntstuk dat onder Pontius Pilatus geslagen werd : dezelfde afmetingen, dezelfde vorm, dezelfde beeltenis nl. de astrologenstaf (fig. 15) en hetzelfde opschrift – vier duidelijk leesbare letters – als een muntstuk dat met zekerheid gecatalogiseerd is als daterend uit de jaren 16, 17, 18 van de regering van keizer Tiberius, dat wil zeggen de jaren 29, 30, 31 van onze tijdrekening (fig. 16).

Deze ontdekking, bevestigd door de driedimensionale analyse (fig. 17), werd tenslotte gestaafd door een anomalie die de numismatische wetenschap verrijkte. De vier Griekse letters Y CAI volstaan inderdaad om het opschrift TIBEPIO[Y KAI]CAROC (« van keizer Tiberius ») te reconstrueren, maar er was iets ongewoons aan de hand : op de Lijkwade staat er blijkbaar een Latijnse C in plaats van de Griekse K (CAICAPOC in plaats van KAICAPOC), die nochtans voorkomt op alle munten van Pilatus die tot 1980 bekend waren.

Pater Filas ging op zoek en vond in 1981 twee muntjes van Pontius Pilatus waarop ook een C in plaats van een K staat (fig. 18, boven). Toen had hij zijn antwoord klaar voor hen die hem ervan beschuldigden zijn wens voor werkelijkheid te nemen : hij was helemaal geen numismaticus en wou zeker niet tegen wil en dank een muntstuk van Pilatus herkennen, anders had hij wel een K en geen C gelezen ! 27 Het fenomeen van de letterverwisseling kende men al in de epigrafie, maar dankzij Francis Filas heeft men moeten vaststellen dat het ook in de numismatiek voorkomt.

Aldus is de Lijkwade gedateerd, op twee jaar nauwkeurig, als door een duidelijke wilsbeschikking van Hem die de Beeltenis op het weefsel tot stand gebracht heeft. Want naar joodse gewoonte hadden op de oogleden ook potscherven kunnen liggen, die uiteraard onmogelijk kunnen gedateerd worden. Het muntstuk daarentegen verklaart luid : deze Man heeft geleden « onder Pontius Pilatus ».

Hij is verrezen ! nr. 19, januari-februari 2026

 

 

 

 

De servorum Dei beatificatione et canonizatione, aangehaald door Noguier de Malijay, Le Saint Suaire de Turin, Parijs, 1929, p. 88.

De sanguine Christi, aangehaald door Benedictus XIV, ibid., pp. 87-88.

Breve van 21 april 1506, ibid., p. 88.

Joseph Du Teil, Autour du Saint Suaire de Lirey, 1902, pp. 9-18 ; Paul de Gail, Histoire religieuse du linceul du Christ, 1974, pp. 146-148 ; Luigi Fossati, Lirey, controversia sull’ autenticità della Sindone in Torino, 1978, pp. 61-68.

Deze tekst, waarin de verering van de H. Lijkwade nogal grof wordt afgedaan als geldklopperij, wordt door alle tegenstanders van de Lijkwade aangehaald, maar is onbetrouwbaar.

Broeder Bruno Bonnet-Eymard, Le Saint Suaire, preuve de la mort et de la résurrection du Christ, uitg. CRC, 1986 (afgekort SS I).

Pasquale Rinaldi, Un documento probante sulla localizzazione in Atena della Santa Sindone dopo il saccheggio di Costantinopoli, in La Sindone, scienza e fede, Atti Conv. Nazionale di Sindologia, Bologna, 1983, pp. 109-113. Zie ook SS I, p. 108.

Daniel C. Scavone, The Shroud of Turin in Constantinople : the documentary evidence, in Byzantinische Zeitschrift 81 (1988). Dit artikel is erg interessant, zowel omwille van de onbetwistbare gegevens over het verblijf van de Relikwie in Constantinopel als omwille van de krachtige weerlegging van de fantasieën van Currer Briggs in The Shroud and the Grail, New York, 1987.

SS I, p. 21 en p. 92.

SS I, p. 138.

Waargenomen door een correspondent van pater Dubarle. Cfr. La data delle prime bruciature che si osservano sulla sindone, in Collegamento pro Sindone nr. 5, juli-augustus 1986, pp. 37-43.

Cfr. het Griekse woord tetradiplon, “ in vieren gevouwen ”. De rugzijde (ACD) is ernstiger verbrand dan de voorzijde (BCD). Het weefsel was dus een eerste keer gevouwen in de lengte (AB) en daarna in de breedte (CD), waarbij de rugzijde (ACD) op de voorzijde (BCD) geslagen werd. De gensters vielen op de rechterkant van de rugzijde (AD) en drongen achtereenvolgens door op AC, BC en BD (deze laatste is het minst beschadigd).

SS I.

SS I, p. 107, waarin het gaat over de onmiskenbare invloed van de Lijkwade op de Russische kunst.

Ian Wilson, The Turin Shroud, 1978. Wilson heeft een volledig hoofdstuk gewijd aan deze expeditie, in de hem eigen kleurrijke en wat geromanceerde stijl. Maar hoe dan ook bewees hij dat de missie die keizer Romanos I Lekapenos gaf aan Joannes Curcuas, “ zijn beste generaal ”, erin bestond de Afbeelding terug te brengen.

SS I, p. 106, met als illustratie een gouden dukaat van deze keizer.

De uitdrukking is van Kurt Weitzmann. Hij werkte mee aan de Grand livre des Icônes van Chatzidakis en Radojcic (Parijs, 1978) en schreef daarin een hoofdstuk (pp. 15-30) over de iconenkunst op de berg Sinaï van de 6de tot de 12de eeuw.

Heinrich Pfeiffer, s.j., Le Christ aux mille visages, Parijs, 1986.

Heinrich Pfeiffer, La Sindone di Torino e il volto di Cristo nell’ arte paleocristiana, bizantina e medievale occidentale, Quaderni Emmaus, 2, 1982, pp. 44-45.

Paul Vignon, Le Saint Suaire de Turin devant la science, l’archéologie, l’histoire, l’iconographie, la logique, 2de uitgave, Parijs, 1939. De auteur telt twintig van die eigenaardigheden.

Colette Dufour Bozzo, Il “ Sacro Volto ” di Genova, Rome, 1974, p. 123.

Luigi Fossati, La cosidetta acheropita de Edessa era la sacra Sindone, in La Sindone, scienza e fede, p. 119.

Ernst von Dobschütz, Christusbilder, Leipzig, 1899, pp. 197-223.

René Robert, Du Suaire de Lazare à celui de Jésus, in Revue thomiste, juli-sep. 1988, pp. 410-420.

André Grabar, La Sainte Face de Laon. Le Mandylion dans l’art orthodoxe, Praag, 1931, pp. 11-13.

Het Shroud of Turin Research Project (STURP) verwijst naar een team wetenschappers die in 1977-1981 een uitgebreid onderzoek van de H. Lijkwade uitvoerden en tot opzienbarende resultaten kwamen.

Voor een uitgebreid verslag van deze ontdekking, zie SS I, pp. 84-86.