De Pelgrimbeweging, voor een waarachtige katholieke Vlaamse kunst
Tijdens het interbellum verenigden een aantal katholieke schrijvers en kunstenaars hun krachten om op een vernieuwende wijze uiting te geven aan hun geloofsovertuiging en hun Vlaams-zijn. De beweging die zij stichtten, was geen lang leven beschoren, maar ze had de grote verdienste om de kunst te heroriënteren naar wat zij in wezen moet zijn : een hefboom om de gemeenschap op te tillen naar het ware, het goede en het schone – naar God.
Glasraam door Eugeen Yoors in de Sint-Lutgardiskerk in Tongeren.
DE Pelgrimbeweging werd in 1924 in het leven geroepen door schrijver-illustrator Felix Timmermans, letterkundige Ernest Van der Hallen en schilder-architect Flor Van Reeth. Zij kwamen daarvoor bijeen in het huisje van Van der Hallen in het Lierse begijnhof. Het was daar dat Timmermans zei : « Laten wij gedrieën ermee beginnen, vandaag, en pelgrimeren naar de ideale schoonheid. »
« De drie stichters gingen dadelijk aan het werk. Beslist werd dat er twaalf Pelgrims zouden zijn, net zoals er twaalf apostelen waren. Renaat Veremans werd als een der eersten opgenomen. Daarna volgden : Eugeen Yoors (kunstschilder-glazenier), Gerard Walschap (letterkundige), Frans Delbeke (letterkundige), Herman Deckers (kunstschilder), dom Gregorius De Wit (kunstschilder), Dirk Vansina (letterkundige), Anton van de Velde (letterkundige-dramatisch kunstenaar) en Jan Van Puyenbroeck (kunstschilder) » (Kunsttijdschrift Vlaanderen, jrg. 19, 1970, p. 137). De deelname van Walschap kan verwondering wekken, maar het was pas in de jaren 1930 dat hij met de Kerk zou breken.
Uitgangspunt van de Pelgrims was het streven naar een vernieuwing van de katholieke kunst in Vlaanderen, op alle gebieden. De initiatiefnemers wilden af van wat zij een verouderde, zielloze kunst vonden, die van de bondieuserie en de « plaasteren koekebakheiligen ». In de plaats daarvan moest een « dynamische, katholieke gemeenschapskunst » komen, gedragen door « een geest van christelijke solidariteit onder de katholieke kunstenaars ».
HET MANIFEST VAN DE PELGRIMS
Enkele van deze citaten komen uit een manifest dat op Nieuwjaarsdag 1926 werd gepubliceerd door de nieuwe beweging :
« De Pelgrim beoogt, door het bevorderen van een geest van christene solidariteit onder de katholieke kunstenaars en door het steunen van elkanders werk, de katholieke Vlaamse kunst hoger op te voeren en ze in het cultureel leven de plaats te geven die haar rechtens toekomt.
« Het standpunt door de vereniging ingenomen wordt door haar naam zelf bepaald. Al wat geschapen is verheerlijkt de Schepper door te zijn wat het is. Zo werd het immers door God geschapen ; en Gods schepping kan niet anders dan Gods glorie tot doel hebben. In deze economie is de mens ingeschakeld als onder al de aardse schepselen Gods het volmaaktste, zodat zijn verheerlijking van God de volmaaktste moet zijn. Zijnde de mens stof en geest, moet zijn hulde en lof er een zijn door stof en geest beide ingesteld. Dat doel van de mens eindigt niet met zijn leven : de mens is geroepen om na dit leven God te aanschouwen, Hem verheerlijkend in eeuwigheid. Tot aan zijn dood pelgrimeert dus de mens.
« De kunstenaar, die slechts naarmate hij meer bij uitstek mens is, meer kunstenaar kan zijn, is dus de Pelgrim bij uitstek. Zijn bepaaldelijk streven is het door de uitdrukking van het vormelijk schone de eeuwige Schoonheid die in God is te benaderen. Zo vatten ook de leden van De Pelgrim hun katholiek kunstenaarschap op : en, wijl hun artistiek leven dus mede de uiting is van hun geloofsleven of geestelijk leven, beschouwen zij elk werk dat zij voortbrengen als een etappe van hun pelgrimage naar God in artistieke en geestelijke zin.
« De sociale roeping der kunst erkennen zij, want te streven naar gemeenschapskunst vatten zij op als liggend in de lijnen der naastenliefde en der christelijke solidariteit. Gemeenschapskunst is niet voor hen alle kunst welke door de gemeenschap wordt begrepen, maar die kunst welke door de schoonheid de mens veredelt en hem nader brengt tot God. Zij streven er dus naar de katholieke kunst, hun kunst en die van andere waarachtig katholieke kunstenaars, te brengen tot het volk, door praktische werking als inrichten van tentoonstellingen enz.
« En vervolgens zal het hun zorg zijn het specifiek karakter der katholieke kunst zuiver te bewaren, niet alleen door zulke kunst voort te brengen, maar door zich te verzetten tegen het opdringen als godsdienstige kunst van werk dat als zodanig aan de essentiële vereisten niet voldoet. Zij, enkele vertegenwoordigers der kunst van een volk dat in zijn breedste lagen katholiek is, en dat zijn artistiek wezen het heerlijkst door de katholieke kunst heeft uitgesproken (de geschiedenis getuigt het), zijn er zich van bewust als kunstenaars en katholieken God en hun volk niet doelmatiger te kunnen dienen dan door het streven hunner pelgrimvereniging. »
Voor compromissen was geen ruimte : « Wie in zijn overtuiging niet langer katholiek is, wie het katholiek-zijn in zijn leven verwaarloost, wie kunstwerk voortbrengt dat klaarblijkelijk tegen de katholieke principes ingaat, heeft Pelgrimtitel en -lidmaatschap verbeurd. » Hier waren geen oppervlakkige liberaal-katholieken aan het woord, maar overtuigde integraal-katholieken voor wie het geloof het leven in al zijn aspecten moet doordesemen.
De voorzitter van de beweging was... Jezus Christus in het tabernakel !
EEN JEZUÏET ALS MENTOR
Van bij de start was de Vlaamsgezinde jezuïet pater Leonce Reypens (1884-1972) de geestelijke bezieler van de Pelgrimbeweging. Hij was doctor in de Germaanse filologie, maar ook specialist in de mystieke theologie. Hij publiceerde studies over de H. Lutgardis van Tongeren, de Z. Jan van Ruusbroec, de Z. Beatrijs van Nazareth en Hadewijch, waarmee hij ook bekendheid verwierf buiten het Nederlandse taalgebied. Die studies beschouwde hij als zijn persoonlijke bijdrage tot de Vlaamse culturele en godsdienstige heropbloei.
Samen met zijn confraters Desideer Stracke en Toon Van Mierlo stichtte hij in Antwerpen in 1925 het gerenommeerde Ruusbroecgenootschap, dat zich toelegde op de geschiedenis van de vroomheid in de Nederlanden. De Vlaamsgezinde volgelingen van Sint-Ignatius was er in die tijd « veel aan gelegen om de jonge Vlaamse intelligentsia in katholiek vaarwater te houden. Ze waren er immers van overtuigd dat de godsdienstige toekomst van het gewone volk grotendeels afhing van die groeiende Vlaamse middengroep, die een eigen plaats innam tussen de verfranste hoge burgerij en de lagere klassen en die zich als een culturele elite opwierp. Gebruikmakend van de moderne wetenschappelijke kennis [...] hadden ze met hun publicaties op het gebied van de Dietse mystiek hoofdzakelijk die veeleisende intellectuele elite op het oog » (digitale Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, lemma Ruusbroecgenootschap).
Het was dan ook niet verwonderlijk dat Reypens zich onmiddellijk aangetrokken voelde tot de Pelgrimbeweging, die het Vlaams-katholieke kunst- en cultuurlandschap wilde vernieuwen. De idee van Timmermans over “ het pelgrimeren ” werd door de jezuïet verder uitgewerkt : de kunstenaar als mystieke pelgrim naar het hiernamaals, die op zijn tocht zijn Vlaamse volk meevoert. Om het half jaar kwamen de leden samen voor een vergadering en een door Reypens opgedragen Mis in de kapel van het Onze-Lieve-Vrouwecollege in Antwerpen.
LEVENSLUST EN TAALVIRTUOSITEIT
Van alle Pelgrims is Felix Timmermans (1886-1967) ongetwijfeld de bekendste. De schitterende taalvirtuoos was een katholieke Lierenaar in hart en nieren, het dertiende kind uit een gezin van veertien, die zich innig verbonden voelde met zijn geboortestad : « Waar de drie kronkelende Nethen een zilveren knoop leggen, waar plots het spekbuikige, overvloedhoornige Brabant zich scheidt van ‘t mijmerend, magere Kempenland : daar is het » (Schoon Lier). Timmermans kon zoals geen ander schilderen met woorden.
Onder invloed van enkele goede vrienden zoals Flor Van Reeth interesseerde “ de Fé ” zich al vroeg voor de Vlaamse beweging. Vanuit een sterk antibelgicisme werd hij tijdens de Eerste Wereldoorlog activist. Zo hield hij op 8 december 1915 in het met Duits geld gefinancierde blad De Vlaamsche Post een pleidooi voor een zelfstandig koninkrijk Vlaanderen.
Midden in de oorlog werd zijn meest populaire roman, Pallieter – die hij voltooid had in 1914 – in Nederland gepubliceerd. Het succes was overdonderend : de levenslust die het werk uitademde, was voor de lezers een welgekomen tegengif tegen de miserie van de oorlogsjaren. Toen de Wapenstilstand naderde, week Timmermans trouwens veiligheidshalve uit naar onze noorderburen, waar hij vriendschap sloot met Anton Pieck ; de Noord-Hollander zou de grafische kunst van de Lierenaar sterk beïnvloeden.
In 1919 kon Timmermans terugkeren naar zijn vaderland omdat besloten was hem niet te vervolgen voor zijn activisme. De jaren twintig waren bijzonder vruchtbaar : hij schreef het ene boek na het andere, publiceerde dichtbundels en toneelstukken, verwierf faam als illustrator. In 1921 kreeg hij de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Literatuur.
Een smet op het katholieke blazoen van de schrijver was wel het feit dat Pallieter in 1920 op de index van verboden boeken gezet werd omdat de vrijgevochten hoofdfiguur er in spot met het traditionele volksgeloof. Dat neemt niet weg dat Felix Timmermans de grondlegger was van de Pelgrimbeweging vanuit een visie die evenzeer Vlaams als gelovig was. Toen het genootschap later in woelig vaarwater terechtkwam, was hij het die pogingen bleef ondernemen om de Pelgrims weer tot verzoening te brengen.
EEN IDEALISTISCHE JEUGDLEIDER
Ernest Van der Hallen (1898-1948) was een strijdbare katholiek die al tijdens zijn humaniorajaren de communiebonden “ Vlaanderen aan Kristus ” hielp opzetten. Een “ ijveraar ” in elk deelnemend college deelde op zaterdag communiebriefjes uit met de tekst : « Ik verbind mij om elke week één H. Communie op te dragen voor Vlaanderen en het Vlaamse volk. Deze week op : ... Speciale intentie : ... (bv. opdat de Vlamingen meer naastenliefde zouden krijgen – opdat Vlaanderen katholiek zou blijven – opdat de drankzucht in Vlaanderen zou verdwijnen enz.). Handtekening : ... » Helemaal in de stijl van wat de Z. Edward Poppe met de Eucharistische Kruistocht zou doen !
Om gezondheidsredenen moest Van der Hallen zijn noviciaat bij de minderbroeders opgeven, maar hij zou heel zijn leven ongehuwd blijven. In 1920 richtte hij in zijn geboortestad Lier het Katholiek Vlaams Secretariaat voor Studentenarbeid op om « ruimte te scheppen voor activiteiten van de collegeleerlingen zelf. Met als slogan “ Vlaanderen aan Kristus ” wilde hij de klemtoon leggen op de godsdienstige en zedelijke vorming van de collegeleerlingen, zij het ingebed in Vlaamsgezindheid » (digitale Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, lemma Katholiek Vlaamsch Secretariaat voor Studentenarbeid).
In hetzelfde jaar nam hij het populaire scholierenblad Storm over, dat zich inzette voor een herleving van de katholieke Vlaamse studentenbeweging, maar dat werd geen succes : een artikel over nationalisme bracht de Lierse collegedirecteur ertoe het blad voor zijn leerlingen te verbieden, wat voor een sneeuwbaleffect zorgde. Eind 1921 hield Storm er noodgedwongen mee op. Van der Hallen sloot zich aan bij het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond en werd rubriekleider “ kunsten en letteren ” van Jong Dietschland, het tijdschrift van het AKVS. In die functie groeide zijn bekendheid als bezieler van de jeugd in heel Vlaanderen, als profeet van « een nieuwe wereldorde » na « de wereldkatastroof van veertien-achttien ».
Van der Hallen was een idealist en een romanticus, een dromer die niettemin temperamentvol en strijdlustig was. Het streven van de Pelgrimbeweging, die hij mee lanceerde, sprak hem erg aan. Zelf schreef hij verhalen en essays zoals Stille uren bij primitieve meesters (1924) en Begenadigden uit mystiek Vlaanderen (1925).
RELIGIEUZE GEMEENSCHAPSKUNST
De derde man die aan de wieg van de beweging stond, was Flor Van Reeth (1884-1975). Hij was een begaafd schilder, maar is toch vooral bekend als architect. Van Reeth wilde een authentieke en eigentijdse architectuur ontwikkelen die, teruggrijpend op de oude Vlaamse bouw- en leefcultuur, ook een christelijke levensvisie uitademde. Hij was diepgelovig en stelde zich tot levensdoel bij te dragen tot de ontwikkeling van een nieuwe, religieus geïnspireerde cultuur.
In 1906 kwam hij in contact met Felix Timmermans en Eugeen Yoors, die zijn godsdienstige en mystieke opvattingen – hij verdiepte zich in Ruusbroec en Thomas a Kempis – deelden en met wie hij een levenslange vriendschap sloot.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog week hij uit naar Londen, waar hij in de ban kwam van het Arts and Crafts movement. Inspirator William Morris zette zich af tegen de industriële revolutie en haar massaproductie ; voorwerpen die zo gecreëerd werden, waren in zijn ogen van slechte kwaliteit en zielloos. Hij was dan ook voorstander van een heropleving van het ambacht en koppelde daar een maatschappijvisie aan : het streven naar dezelfde eenheid van kunst en arbeid in dienst van de samenleving die de bouw van de gotische kathedralen had gekenmerkt.
Ook de tuinwijkgedachte – een wijk opgevat als architectonische eenheid, met veel groen – boeide Flor Van Reeth. Na de oorlog realiseerde hij in Lier de tuinwijk “ Zuid-Australië ” (1922-1923), waarvoor hij ideeën putte uit de structuur van de door hem erg bewonderde Vlaamse begijnhoven (die hij ook in waterverfschilderijen vastlegde).
Zijn bijdrage aan de Pelgrimbeweging bestond vooral uit religieuze architectuur in een sobere art-decostijl. In 1925 ontving hij op de Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels modernes in Parijs een onderscheiding. Als zijn belangrijkste werk geldt de kapel van het H. Hart-instituut van de zusters Annunciaten in Heverlee (1930-1931), waaraan trouwens ook andere Pelgrims meewerkten.
OVERDONDEREND SUCCES
In 1927 besloot de beweging een eerste grote tentoonstelling « ter ere van Jezus Kristus » te organiseren. Als locatie koos men de Antwerpse Stadsfeestzaal aan de Meir, die door het toenmalige stadsbestuur gratis ter beschikking werd gesteld. De opening vond plaats op 10 september, waarbij de eregenodigden buitenlanders waren als de Franse benedictijnse architect dom Paul Bellot, de Franse schrijver Léon Bloy en de Nederlandse auteur Frederik van Eeden.
De tentoonstelling omvatte vijf afdelingen : ten eerste een dodenhulde met o.m. Joe English ; ten tweede « aangesloten kunstenaars en genodigden » (werk van de Pelgrims zelf en verder van een hele reeks gelijkgezinde kunstenaars) ; op de derde plaats het Nederlandse Genootschap van Rooms-katholieke kunstenaars, dat bij zijn oprichting (1921) 74 leden telde ; ten vierde letterkundige werken, waarin allerlei bekende namen voorkwamen (naast de Pelgrims bv. Karel van den Oever, Jan Hammenecker, Marnix Gijsen, Marie-Elisabeth Belpaire, Cyriel Verschaeve...) ; en tenslotte muzikale werken met, naast Renaat Veremans, ook Arthur Meulemans, Marinus de Jong en anderen.
In het kader van de expositie gingen themadagen door. Zo was er op 11 september een Letterkundedag, met een voordracht door pater Reypens over “ De Pelgrimziel ” en een andere door August Van Cauwelaert over religieuze poëzie, terwijl Jan Hammenecker zijn “ Veni Creator ” voorlas. De dag daarop was het Plastiekdag (rond de plastische kunsten) ; er waren voordrachten over o.m. “ De hedendaagse katholieke kerkbouwkunst in Nederland ” en “ Godsdienstige kunst in Vlaanderen ”. Op de Toneeldag van 25 september voerde men “ Maskaroen ” van Walschap op, met muziek van Arthur Meulemans.
De sluitingsdag, zondag 2 oktober, werd opgeluisterd met religieuze muziek (Veremans, de Jong...) en een orgelconcert door Alex Paepen. Voor een bomvolle zaal (3000 aanwezigen) sprak Cyriel Verschaeve tenslotte over “ De weg is nu gebaand ! ”
De toeloop naar het evenement was enorm : de publieke belangstelling overtrof alle verwachtingen en vele geïnteresseerden bezochten de expositie meermaals. Op een zondagnamiddag, na twee weken openstelling, moesten politie en brandweer zelfs de zaal tijdelijk ontruimen, omdat ernstig gevaar dreigde dat de keldergewelven het niet zouden houden. Men schatte dat er op dat moment niet minder dan tienduizend personen in de feestzaal rondliepen !
Een enthousiaste Timmermans schreef aan Van Reeth : « We moeten die weg nu stevig en fris op. God zit achter ons en wijst de mannekens aan. De kunst moet opnieuw verstaan worden. ‘t Is een mode geworden dat de kunst niet mag goed of verstaan gevonden worden, zoals ik u gisteren vertelde. Wel, wij zullen ze als vuur onder de mensen dragen. ‘t Zal een middel zijn voor ons en voor hen. De Pelgrim moet de schoonste brok, de geestelijke wacht van Vlaanderen worden ! Dat zal ! [...] En één zijn. Geen persoonlijke belangen dienen. En in vreugde en verlanging werken » (20 sep. 1927).
EEN VEELZIJDIGE HOOFDREDACTEUR
Aangemoedigd door dit succes begonnen de Pelgrims onder impuls van pater Reypens in 1929 met het uitgeven van een driemaandelijks tijdschrift, De Pelgrim. In de beginselverklaring stelde het zichzelf voor als het centrale orgaan waarin de Pelgrimleden uiting konden geven aan hun artistieke opvattingen. De gepubliceerde nummers « staan bol van enthousiasme en veroveringsdurf : de katholieken zouden voortaan, zonder remmingen, de toon aangeven in het openbare en culturele leven, en van Vlaanderen een haard maken van het naoorlogs religieus réveil in West-Europa » (Karel Van Isacker, s.j., Mijn land in de kering, deel 2, 1983, p. 90).
De drijvende kracht achter het tijdschrift als hoofdredacteur was Dirk Vansina (1894-1967), oud-strijder en lid van de Frontbeweging. Hij had zijn sporen verdiend toen hij in 1919 opnieuw van wal stak met de uitgave van Dietsche Warande en Belfort, het bekende literaire tijdschrift van katholieke strekking opgericht door juffrouw Belpaire. Vansina had een grote mystieke aanleg en verheven opvattingen over een met het volk verbonden christelijke kunst.
« O Maria, Middelares van alle genade, verkrijg ons van de barmhartige Drieëenheid de langverwachte genade van de heiliging der Kunst ! Laat ze haar plaats innemen in het Rijk van uw Zoon. Bekom ons christene dichters en heilige kunstenaars, geen kunstenaars die, tot in de christene kunst, heimelijk zichzelf zoeken [...].
« O Moeder, geef ons dichters die zichzelf verzaken en zichzelf vergeten, kunstenaars die, opgeleid door uw moederlijke zorgen, gedrenkt door Jezus’ Heilig Bloed, leren leven en putten in het licht van Godsbeschouwing ; kunstenaars die de heerlijke natuur en de zielewereld leren genieten in de volle weerglans van de Schepper en Verlosser ! »
Z. Edward Poppe, 1923
Zo lag hij mee aan de basis van Pro Deo, een beweging die ijverde voor het behoud van het gewijde karakter in de moderne religieuze kunst in al haar uitingen, van kerkbouw tot illustraties. Hij was ook medestichter en lid van de raad van bestuur van Het Vlaamsche Volkstooneel.
Al in 1925 trad Dirk Vansina vol geestdrift toe tot de Pelgrimbeweging. In het door hem geredigeerde tijdschrift « verscheen poëzie, proza en toneel van pelgrimskunstenaars als Felix Timmermans, André Demedts, Gerard Walschap en Ernest Van der Hallen. Daarnaast werden er ook heel wat kritische bijdragen gepubliceerd, vooral boekbeoordelingen, waarin religieuze en flamingantische overwegingen als literaire maatstaf werden gehanteerd » (digitale Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, lemma De Pelgrim). De hoofdredacteur kreeg de volle steun van de door hem erg bewonderde kapelaan Cyriel Verschaeve, die in bijna elk nummer een essay publiceerde.
Vansina was een begaafd schilder en tekenaar van bij voorkeur religieuze onderwerpen. Op de Wereldtentoonstelling van 1930 in Antwerpen mocht hij overigens een gouden medaille mee naar huis nemen voor een serie mooie houtskooltekeningen. Zijn ervaringen in de loopgraven van de Grote Oorlog verwerkte hij tot Dagboek van het front, een reeks bijzonder schrijnende schetsen. Hij schreef bovendien verschillende toneelstukken, een roman en essays over figuren als Verschaeve, Pascal en Dostojevski.
GLOEDVOLLE FIGURATIEVE GLASRAMEN
Wie zeker niet onvermeld mag blijven, is Eugeen Yoors (1879-1975). Hij was op verschillende vlakken een buitenbeentje, om te beginnen door het feit dat hij zijn jeugd doorbracht in Sevilla (waar zijn vader een bedrijf oprichtte) en er vrijzinnig werd opgevoed. Het warme coloriet van het mediterrane landschap beïnvloedde hem blijvend.
Toen hij twintig was, keerde hij terug naar zijn geboortestad Antwerpen. Hij studeerde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, maar het reizen zat hem in het bloed : hij vertrok naar Parijs en werd er aangetrokken door het gedachtengoed van twee katholieke bekeerlingen, de flamboyante polemist Léon Bloy en de bij de benedictijnen ingetreden Joris-Karl Huysmans.
« Na kunstomzwervingen doorheen tal van Europese landen, waarbij hij kennis maakte met de glasschilderkunst, belandde Yoors in 1907 in Boechout. Samen met architect Flor Van Reeth sloot hij aan bij de plaatselijke kunstkring Streven, de Vereeniging van Antwerpsche Kunstschilders en de Antwerpse kunstkring De Scalden. In 1908 richtte Yoors mee de Belgische tak op van het spirituele genootschap van de Rozenkruisers, dat hij in Parijs had leren kennen » (digitale Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, lemma Eugeen Yoors). De Encyclopedie vergeet wel te vermelden dat het om katholieke Rozenkruisers ging, want Yoors was ondertussen bekeerd.
Omdat hij de artistieke opvattingen van zijn vrienden Timmermans en Van Reeth deelde, werd Yoors een van de eerste Pelgrims. Hij bekwaamde zich in de glazenierskunst. Zijn ontwerpen waren figuratief, want met abstractie liep hij niet hoog op. Hij werd bekend om zijn vernieuwende stijl : een strenge en eenvoudige lijngeving, grote en gloedvolle kleurvlakken. Hij vervaardigde meer dan 400 glasramen voor kerken (Christus-Koningkerk op het Antwerpse Kiel, Sint-Walburgiskerk op het Zuid) en kapellen (Sint-Lievenscollege en Sint-Lutgardisschool in Antwerpen en vooral de kapel van de Annunciaten in Heverlee). Maar hij werkte ook in andere Vlaamse regio’s en zelfs voor kloosters in Congo en Mexico.
DE MISLUKTE EXPOSITIE VAN 1930
De Boechoutenaar Herman Deckers (1888-1973) was van beroep wisselagent, maar in zijn vrije tijd haalde hij palet en penseel tevoorschijn. Aanvankelijk schilderde hij expressionistische taferelen in de lijn van zijn leermeester Albert Servaes (1883-1966), « maar vanaf de jaren twintig legde hij zich toe op religieuze en mystieke composities die vaak de vorm aannamen van monumentale apocalyptische visioenen » (digitale Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, lemma Herman Deckers).
Deckers, die secretaris was van de beweging – het was bij hem thuis dat het manifest eind 1925 ondertekend was – wilde in 1930 een tweede tentoonstelling inrichten. De Stadsfeestzaal was echter benomen omwille van de Wereldtentoonstelling die in Antwerpen doorging. Enkele Pelgrims wilden daarom afzien van de manifestatie, maar Deckers zette door en kon zaal De Harmonie aan de Mechelsesteenweg in de Sinjorenstad reserveren.
De tweede Pelgrimtentoonstelling ging door van 8 februari tot 9 maart 1930. Het motto was “ Herbouw mijn huis ”, naar de beroemde woorden die het kruisbeeld van San Damiano in Assisi tot Sint-Franciscus sprak. Het opzet was internationaal : naast Vlamingen en enkele Walen namen ook kunstenaars deel uit Nederland, Duitsland, Frankrijk, Italië, Denemarken, Polen en Joegoslavië.
Zoals we allemaal weten, zijn kunstenaars doorgaans niet de beste organisatoren... Bij de toch erg prestigieus opgevatte expositie liep van alles fout : men diende te elfder ure de hulp in te roepen van een aannemer voor de materiële inrichting van de zaal, er waren ingezonden werken uit Frankrijk die niet eens geëxposeerd werden en eigenlijk ontbrak het de groep ook aan voldoende financiële draagkracht.
Het resultaat was dat de tweede tentoonstelling ver beneden de verwachtingen bleef en negatieve kritieken kreeg in de pers. Daardoor werd de onderlinge samenhorigheid onder de Pelgrims zwaar op de proef gesteld : ongenoegen, verwijten, wrijving. Deckers zelf onderstreepte later de negatieve impact van de economische wereldcrisis die in 1929 uitgebroken was en die ook op het kunstleven een nadelige weerslag uitoefende. Bovendien suggereerde hij dat er “ vijandige machten ” aan het werk waren geweest die de ondergang van de Vlaams-katholieke beweging gezworen hadden.
HET EINDE... EN EEN NIEUW BEGIN ?
Hoe dan ook, de spanningen onder de Pelgrims liepen zo hoog op dat de drie stichters besloten om zich terug te trekken. Er had nog een laatste vergadering plaats, maar die verliep in geruzie. « Misschien », zei Flor Van Reeth in een interview op het einde van zijn leven, « had het zich een zakenman moeten aantrekken, iemand die rekening houdt met de nuchtere dingen van elke dag. Wij waren zelfs zo naïef dat wij niet eens inkomgeld vroegen voor onze tentoonstellingen. »
Op 13 maart 1930 deed Felix Timmermans, in een brief aan Van Reeth, nog een laatste poging om de zaak te redden : « Wij moeten opnieuw beginnen, kerel, met die Pelgrim, van her opnieuw, al waren we maar met vijf man. Het is een Augiasstal geworden, we moeten er met de zaag aan werken, want schaven kort niet meer. Of heel het ding laten afbranden ! »
Maar de Pelgrimbeweging kwam niet meer van de grond. De leden gingen elk hun eigen weg. In 1931, na acht nummers en twee jaargangen, hield het tijdschrift De Pelgrim op te verschijnen.
De geest die de Pelgrims bezielde, is het waard om gekoesterd te worden voor later. Ooit, wanneer de katholieke Kerk zichzelf zal gezuiverd hebben van de verderfelijke en vernietigende geest van Vaticanum II en er ruimte komt voor een renaissance op alle domeinen, kan het manifest van de Pelgrimbeweging van onder het stof gehaald worden en in een nieuwe context de basis worden voor een heropbloei van waarlijk katholieke kunst en literatuur !
redactie KCR
Hij is verrezen ! nr. 141, mei-juni 2026