TOTALE APOLOGETIEK

4. De mens is de vrucht van Gods liefde

De metafysicus die de zin van het bestaan wil doorgronden, wordt onvermijdelijk geconfronteerd met vragen waarop hij het antwoord schuldig moet blijven. Op dat moment is het aan de priester, de gelovige, om hem de hand te reiken en hem de oplossingen van onze godsdienst aan te bieden. Als de aantrekkingskracht van de waarheid groot genoeg is, zal de metafysicus die waarheid graag willen omarmen.

4. DE MENS IS DE VRUCHT VAN GODS LIEFDE

God blaast de mens de levensadem in.

Mozaïek uit de 12de eeuw in de kathedraal van Monreale, Sicilië.

WE spraken in het vorige artikel over Ik Ben, het  oneindige en absolute Zijn. Maar waarom heeft dat mij geschapen ? Welke beweegreden lag daaraan ten grondslag ? Het is duidelijk dat ik, bij deze ontdekking van het volmaakte Zijn, het absolute Zijn, het oneindige Zijn, volledig verloren loop : ik weet niet wie Hij is. Het is geen mens, geen boom, geen hond, geen engel – en ik weet trouwens niet eens goed wat engelen zijn. Wat is God ? Hij is het Zijn zelf.

In wezen weet ik slechts één ding over God : dat ik besta omdat Hij mij heeft doen bestaan. Radicaal gezien is dat in onze metafysica het enige wat vaststaat. Ik ben het gevolg van een scheppend gebaar. Wat ik dus van God weet, is dat Hij mij heeft... ik zeg niet “ verwekt ”, dat woord is veel te precies, te menselijk, te antropomorf ; dan zou ik van God een Vader maken die voortbrengt, en in welke schoot, vraag ik je ? Ik kan niet zeggen : “ Hij heeft mij verwekt ”, maar wel : “ Hij heeft mij geschapen ”, Hij heeft mij doen bestaan. Maar mijn geest blijft verder werken. Bedenk goed dat mensen eeuwenlang, in Griekenland en elders, deze vraag hebben gesteld : waarom, wat beweegt Hem ? Heeft God een hart ?

LIEFDE DIE TEGENLIEFDE VERWACHT

Daarover heb ik in 1941 inzicht gekregen. Het was in Lyon. Een dominicaan, pater Pessac, onderwees ons het Traktaat over de Schepping. Wanneer men eenmaal wordt binnengeleid in het mysterie van de metafysica, vergeet men dat nooit meer. Ik zie het lokaal nog voor me en die dominicaan in zijn witte pij. Hij deed me één ding begrijpen : als God ons geschapen heeft, was dat niet omdat Hij ons nodig had – wat zou God ons nodig hebben ! God heeft de mens niet nodig ! – en het was ook niet omdat God boos op ons was : men kan niet boos zijn op iemand die niet bestaat. Het was evenmin om ons ongelukkig te maken : men schept iets niet om het meteen te vernietigen, men heeft nog nooit een beeldhouwer gezien die een standbeeld maakt om het onmiddellijk kapot te slaan ; gekken zijn er overal, maar niet in God. Uiteindelijk liet pater Pessac ons begrijpen dat ons bestaan het getuigenis is van een beweging van liefde van God.

Ik Ben is de definitie van God volgens het Oude Testament, maar het is ook de metafysische definitie van God. En deze metafysica leidt mij in haar mystieke zoektocht (nogmaals : een natuurlijke mystiek, niet het christelijke geloof, niet de religie), enkel door aandacht voor het bestaan, tot deze uitspraak : Ik Ben is Liefde. Ik ben een werk van liefde. God houdt van mij. Door een vrije daad van liefde heeft God mij tot het bestaan geroepen, zoals men nooit heeft gezien dat ouders kinderen zouden willen om hen ongelukkig te maken. Op het moment dat zij naar de komst van een kind verlangen, is dat vanzelfsprekend voor het geluk van dat kind ; het is een daad van liefde voor een wezen dat nog niet bestaat, maar het is een liefde die het zijn zelf grondvest. Ik ben de vrucht van de liefde...

De liefde van God : wat betekent dat ? Wanneer wij van iemand houden, willen we het aan die persoon zeggen, we willen dat hij of zij ons ook liefheeft. Liefde is niet iets dat stilstaat : het is het begin van een groot proces dat naar eenheid streeft, naar de volheid van de vereniging in een vermeerdering van zijn die juist voortkomt uit de ontmoeting tussen diegenen die elkaar liefhebben. Als God ons dus liefheeft, als ik mij voorstel dat God mij liefheeft, dan is er een beweging, een soort van “ verstoppertje ”. God laat mij door mijn eigen bestaan ontdekken dat Hij mij liefheeft.

Maar gaat Hij dat dan niet tegen mij zeggen ? Zal Hij het mij niet laten blijken door andere gaven ? Waartoe houdt Hij van mij ? Opdat ik met Hem in relatie zou treden. Hier stokt de metafysica, blijft zij als het ware zweven.

We zijn aan het einde van een weg gekomen. De metafysische weg leidt tot een diep verlangen : Heer, maak U bekend ! De natuurlijke mystiek zoekt de openbaring van God, van die God die mij liefheeft : Hij moet zich openbaren ! Stel je voor dat een vrouw liefdesbrieven ontvangt van iemand ; ze blijven maar komen, steeds charmanter, steeds vuriger. Op een dag zal ze zeggen : vermits hij mij schrijft, laat hij zich dan ook bekendmaken, dat ik weet wie het is, dat ik hem zie en kan reageren !

VERSTOPPERTJE

Dat is precies het gevoel waarin wij ons bevinden. De metafysica van Aristoteles met zijn substanties plaatste de mens en alle wezens in een soort zelfgenoegzaamheid. Ze waren er, als zich ontwikkelende substanties. Hun hele moraal bestond erin zichzelf te ontplooien en daarmee basta. Ze hadden absoluut niets van God nodig. Als dat de waarheid zou zijn, dan is de mens een eenzame grote egoïst die probeert te genieten van zijn eigen volmaaktheid. Dat is een slechte metafysica die ons op een verkeerd pad heeft gezet : aan het einde daarvan staat niet het christendom, maar de religie van de humanist, de zelfverering van de mens.

In de meditatie over het bestaan die ik jullie hier voorstel, wordt de mens daarentegen steeds meer in beslag genomen door de contemplatie van dat volmaakte Zijn waarvan hij zelf slechts een armzalige miniatuur is : de contemplatie van Ik Ben. En gaandeweg ontdekt hij in Ik Ben een liefde, maar een mysterieuze liefde, een liefde die zich verbergt. Vaak moet ik aan ongelovigen uitleggen waarom dat verstoppertje-spelen bestaat. « Als God bestaat, wil ik Hem zien ! » Hoe vaak heb ik dat niet van de boeren in mijn plattelandsparochie gehoord ! « Als God bestond, hadden we Hem wel gezien ! » Dat lijkt absurd uit de mond van een boer.

De pseudo-theoloog zal zeggen : « Nee, je kan Hem niet zien, want Hij is een geest. Een geest ziet men niet ! Kijk naar de wind : men ziet de bomen buigen, maar de wind zelf ziet men niet ! » Dat is een heel slecht antwoord, want zo vervalt men opnieuw in de filosofie van de substanties. De boer heeft gelijk. Ik herinner me een grote boerin die zei : « Uw God, dat is goed voor kinderen ! » Ik zal jullie niet het hele gesprek navertellen. Ze zei : « Weet u, meneer pastoor, uw godsdienst is goed voor kinderen, maar ik ben geen kind meer. » Ik antwoordde : « En wij, priesters, die deze godsdienst onderwijzen, zijn wij dan kinderen of dommeriken ? » Haar reactie : « Dat zeg ik niet ! Ik heb altijd gezegd dat priesters heel intelligent zijn, want om mensen van zulke dingen te overtuigen, moet je echt wel sterk zijn ! »

Dus die boerin zei tegen mij : « Als God bestond, zou je dat zien. » Dit is een zeer sterk argument. De grootste metafysicus komt op hetzelfde punt uit wanneer hij mediteert en ontdekt wat het Zijn is, het oneindige Zijn, het meest volmaakte, het mooiste, het noodzakelijkste, het meest bewonderenswaardige van alle zijnden. En dan leert hij dat dit Zijn vol liefde voor hem is. En hij zegt : ik moet Hem kennen !

Op dat punt moet de priester, de apologeet, hem zeggen : ja, maar er is sprake van verstoppertje-spelen. Hij zal zich aan jou openbaren, zoals iemand die brieven in de brievenbus stopt van de vrouw die hij liefheeft. Hij heeft zijn plan. Ook al duurt het een maand, twee maanden, drie maanden, tien jaar vooraleer hij zich bekendmaakt, men moet hoe dan ook toegeven dat die man die haar brieven stuurt wel degelijk bestaat. Al tien jaar worden ze toch maar gepost ! Dat betekent dat hij een spel speelt, een reden heeft om zich te verbergen. Die reden is misschien dat hij jou op de proef wil stellen, om zeker te zijn van wat je waard bent.

Wij bevinden ons in een spel : God verbergt zich voor ons, maar dat is alleen te begrijpen als het gaat om een spel van een God die ons liefheeft en die wacht om zich te openbaren op de dag die Hij heeft voorzien, op de manier die Hij heeft gewild, om de mens op de proef te stellen en hem zijn liefde waardig te maken. Dat is godsdienst !

HOOGMOED VERSUS NEDERIGHEID

Zo verzandt mijn metafysica van God en blijft de metafysicus wachten, hunkerend om die God te leren kennen die hem liefheeft. Hij zoekt in de godsdiensten of er een openbaring is, dat wil zeggen of die God zich werkelijk bekend heeft gemaakt, of Hij zich laat benaderen, zich laat winnen, een teken geeft aan de mens.

De klassieke filosofie is een filosofie die de mens doordrenkt van het gevoel dat zijn rede alle dingen kent en beheerst ; hij is de meester van de natuur en zoekt niets anders dan het geheim van de dingen, dat hij op een dag zal weten te doorgronden. In de traditionele filosofie is de mens geen “ bedelaar ”. De mens is een wezen, doordrenkt van hoogmoed, dat zichzelf tot god maakt. Hij sluit zich elke dag verder af voor de godsdienst. Ik beweer dat dit een valse metafysica is.

In de lijn van een waarachtige metafysica daarentegen ben je werkelijk vanaf het begin van je filosofie een bedelaar ; je bent doordrongen van nederigheid. Het is de mens die versteld staat van een grassprietje, van een voorbijlopende hond, van zijn kat die daar op de radiator ligt. Alles verbaast hem, alles is verbazingwekkend ! Eén ding kan dit alles verklaren : het bestaan van God. Maar wanneer God bestaat en alle dingen met Hem en naast Hem bestaan, rijst er een gigantisch probleem waarvan de filosoof heel goed weet dat hij het nooit zal kunnen oplossen : waarom heeft God dit alles geschapen ? Uit liefde. Laat Hij dat dan tonen ! En zo gaan wij over tot de godsdienst.

Ten tweede : God heeft mij geschapen als een bijzonder iemand en jullie als bijzondere personen. Wij zijn individuen die erg trots zijn op wat ze zijn. Omdat wij in het huidige tijdvak leven, wordt die trots om anders te zijn dan de anderen ondraaglijk. Vandaag zijn jonge kinderen, al vanaf vijf of zes jaar, er zo van overtuigd dat zij kleine goden in wording zijn, volstrekt bewonderenswaardige wezentjes, dat zij het niet verdragen dat men hun raad geeft, hun discipline bijbrengt, hen onderbrengt in een gemeenschap. Zij hebben rechten, zij hebben hun vrijheid, zij moeten zichzelf kunnen zijn ; iedereen moet hen dienen en zij hoeven aan niemand dienstbaar te zijn. Ook dat is opnieuw een vrucht van diezelfde filosofie. Hoe wil je daarop een moraal bouwen ?

Als God mij uit liefde schept, nog vóór Hij zich aan mij openbaart, terwijl Hij als het ware verstoppertje met mij speelt, dan heeft Hij mij toch zo geschapen dat ik in relatie sta tot een groot aantal andere wezens : al diegenen die er waren nog vóór ik zelf bestond – mijn ouders, grootouders, nonkels en tantes... – en vervolgens alle wezens die ik zelf zal kunnen laten bestaan uit mijn eigen lendenen, zoals de Bijbel zegt, door voortplanting, dat wil zeggen door mij samen met God toe te leggen op het scheppen van nieuwe wezens of op het vervolmaken van bestaande wezens. Ik heb een immense taak ten dienste van de mensheid, zoals de mensheid mij heeft gediend.

WAARHEEN GAAT DE WERELD ?

Welke taak ? De humanistische filosofen zeggen : “ Wij bouwen aan de nieuwe wereld. ” De utopisten : “ Wij bouwen een schitterende wereld. ” Dat is veel zelfgenoegzaamheid, veel zelfvoldaanheid. Wanneer men de wereldgeschiedenis leest, krijgt men de indruk van een soort brij, een vermenging van volkeren, een verwarring van talen, een voortdurende toren van Babel : oorlogen, volkeren die binnenvallen bij andere volkeren, genocides, wederopbouw... Zien jullie daar een orde in ? Aangezien men beweert dat dit alles door God wordt gedragen, is er niet alleen het probleem van het kwaad, maar ook het probleem van het goede ! Hoe schept deze God van liefde mij persoonlijk te midden van dat hele spektakel ? En waarom dat hele spektakel, die hele vermenging van volkeren, die hele verwarring van de geschiedenis ? Is het God die dit doet ? Waarom ? Men zegt : uit liefde ! Welke liefde en met welk doel ? En wie moet wat bereiken ? Dat is het probleem van het doel, van de finaliteit.

God heeft mij uit liefde op de plaats gezet die ik nu inneem. Goed. Als ik een zuiver geweten heb, als ik een braaf mens ben, kan ik van deze natuurlijke mystiek mijn plicht maken. Een agnosticus als Charles Maurras was een voortreffelijk Fransman, de meest Franse van alle Fransen. Hij wijdde zich aan zijn naasten toen hij begreep in welke crisis zijn vaderland verkeerde. Hij stelde zich in dienst van de anderen, hij antwoordde op zijn roeping door anderen te helpen, uit naastenliefde voor het arme volk dat altijd weer wordt afgeslacht in revoluties en oorlogen. Dat is een voorbeeld van natuurlijke moraal, samenhangend met een soort natuurlijke mystiek.

Maar waarvoor ? Op een dag werden Maurras en zijn leer in vraag gesteld. Waarom zich inzetten voor het vaderland ? « Wat kan mij dat vaderland verdorie schelen ? », zeggen de moderne mensen. Dus moet de liefde waarmee God ons heeft geschapen haar bedoeling openbaren. De metafysicus wil weten waar de wereld naartoe gaat, hoe deze immense onderneming zal eindigen. Want er moet wel een einde zijn : er is geen beweging, geen liefde die op gang komt zonder gericht te zijn op een doel en wel op een gelukkig doel, een liefdevol doel, een doel dat beantwoordt aan die scheppende liefde.

En mijn filosoof draait rond in een cirkel waaruit hij niet kan ontsnappen, hij verliest zich in vragen zonder antwoord. Waarom is de wereld geschapen ? Wat is het doel van de wereld ? Waarheen gaat de wereld ? Hij weet het niet... Op dat moment kan hij alleen nog maar zijn toevlucht nemen tot de Openbaring. Zou deze Openbaring, het woord van God dat zijn Hart openbaart, niet zijn plan bij de schepping van de wereld onthullen ? En zo kom ik nu bij mijn apologetische conclusie. Als ik met een goede metafysicus te maken heb, iemand die zijn leven heeft gewijd aan het zoeken naar wijsheid en die tot de conclusies is gekomen die ik zojuist voor jullie heb samengevat, dan is het voor de priester een genoegen om met zo iemand te spreken ! Hij zal mij drie vragen stellen.

DE ANTWOORDEN VAN DE GODSDIENST

Ten eerste : wat is God ? Ik zal antwoorden : jij weet het, God is het Zijn van de zijnden, Hij is Ik Ben. Hij heeft ons uit liefde geschapen, dus we kunnen in ieder geval één ding over Hem zeggen, namelijk dat Hij Liefde is. Meteen zal deze man mij vragen : wat is de liefde van God voor de mens ? Hij zal mij dus vragen hoe er liefde in God kan zijn. Ik zal hem zeggen : ik, die priester ben, heb de openbaring van het geheim van God. Ik zal het je vertellen, maar let op : aan de metafysicus die tot nu toe redeneerde op basis van zijn intuïtie en zijn verstand, zal ik een goddelijk woord spreken ; hij zal het aanvaarden als hij het geloof heeft, als hij bereid is het geloof te aanvaarden. Maar ik zal het hem niet kunnen bewijzen.

Mijn antwoord zal als volgt luiden : omdat er in God zelf drie Personen zijn. In God zelf roept het Zijn het zijnde op, het Zijn is vruchtbaar, er is een Vader die zijn Zoon verwekt en de Vader en de Zoon stralen hun Geest van Liefde uit. Er is een circulatie van liefde in God. Wees dus niet verbaasd dat aan deze wezenlijke, eeuwige, oneindige liefde van God een bijzondere liefde voor ieder van ons wordt toegevoegd. Het mysterie van de H. Drie-eenheid is de enige rechtvaardiging voor wat onzinnig lijkt, maar toch een conclusie is van de metafysica : God is Liefde, in God is Liefde. Dit kan alleen perfect aan de mens worden uitgelegd in de Openbaring van een intieme liefde van God.

Ten tweede zal hij mij zeggen : God houdt van mij ; ik kan het niet verdragen dat iemand van mij houdt en ik dat niet kan beantwoorden. Hij stuurt me brieven, zijn Openbaring, de Bijbel, het lijkt alsof het brieven zijn die Hij me stuurt. En dit bestaan dat Hij me schenkt, de zegeningen die Hij me geeft, het brood dat ik eet, de lucht die ik inadem, voor dit alles ben ik vol dankbaarheid, maar geef me zijn adres zodat ik Hem kan schrijven om Hem te bedanken ! In dat elan hebben de filosofen een natuurlijke religie uitgevonden, ze hebben bedacht dat men met God moest praten, dat men toespraken tot Hem moest houden, dat men zelfs offers aan Hem moest brengen. Men maakt een soort kopie van wat godsdienst is, simpelweg als een eis van de mens om op de liefde van God te reageren met een soortgelijke liefde.

Op dat moment zal ik, als priester, tegen hem zeggen : God heeft ons in zijn liefde geopenbaard wat Hij van ons verwacht. Dat is de godsdienst, om te beginnen Hem ons geloof schenken, vervolgens ons aan Hem toevertrouwen door onze hoop, daarna Hem onze liefde betonen. Dat gebeurt door offers, door een hele morele volmaaktheid waarvan Hij, God, getuige is en die Hij aanvaardt, waarvoor Hij ons dankbaar is. Zo gaan de mens en God een liefdesrelatie aan zoals een echtgenoot met zijn echtgenote. Dat staat in de Bijbel. Deze liefde tot God is dus niet platonisch, de religie geeft haar vorm en inhoud en streeft naar vereniging, want we zijn gemaakt om Hem van aangezicht tot Aangezicht te aanschouwen, dat wil zeggen om in een hiernamaals tot volledige eenheid met Hem te komen.

Zijn derde vraag : ik moet je bekennen, zegt hij, dat ik als metafysicus met de problemen aan het worstelen ben. Waar gaat de wereld naartoe ? Wat betekent dat agglomeraat van miljarden kleine mensjes op aarde ? Ze hebben iets oneindigs in zich, namelijk hun geest. Ze hebben ook iets dat op dramatische wijze eindig is, hun lichaam met zijn gebreken, zijn verval, zijn dood. Waar gaat dit heen ? Wat heeft dit voor zin ? Heb je daarop een antwoord ? Misschien zal hij mij zeggen : ik heb veel religies bestudeerd en ik ben teleurgesteld in alle antwoorden die andere religies mij hebben gegeven.

Ik zal hem dan uitleggen wat het mystieke Lichaam is, het geheel van alle mensen die gered zijn in Christus, hun Verlosser. Dat is het mysterie van de Verlossing, het mysterie van onze opname in de gemeenschap van de heiligen, de belofte dat er aan het einde van de wereld een herstel van alle dingen zal plaatsvinden en dat alle mensen kennis zullen krijgen van alle andere mensen. Dat is wat de H. Ireneüs in navolging van Sint-Paulus het pleroma noemde of de anakephalaiosis, dat wil zeggen de recapitulatie, de reorganisatie van de hele schepping in de volmaaktheid van liefde en wijsheid. Dat is waar we naartoe gaan door alle drama’s van de aardse beproeving, van het verstoppertje-spelen waarin sommigen geloven en anderen weigeren te geloven.

OP DE TOP VAN DE BERG

Daar houdt de apologetiek op. Dat wil zeggen dat ik mijn medemens niet kan dwingen te zeggen dat alles wat ik hem zojuist heb verteld over de Drie-eenheid, over de Menswording, over de Verlossing, over het pleroma dat de gemeenschap van de heiligen vormt, dat dit alles waar is. Maar hij zal sterk geneigd zijn om, zoals Pascal wilde, in de eerste plaats respect te hebben voor de godsdienst die een antwoord geeft op zijn grote vragen.

Bovendien zal hij in zijn geest en in zijn hart sterk geneigd zijn om deze godsdienst te bewonderen vanwege de manier waarop zij hem onthult wat God voor hem verborgen had gehouden in dat verstoppertje-spelen waarover ik jullie vertelde. Hij zal begrijpen dat het een beproeving is die hem wordt opgelegd, om van zijn eigen reflectie over te gaan tot het zich overgeven aan het woord van God, aan de liefde van God die van hem een antwoord verwacht, een antwoord van geloof en liefde in de duisternis van deze wereld, met het oog op een licht dat zal stralen in een andere wereld.

Ik heb hem ernaartoe geleid, nu is het aan hem om de laatste stappen te zetten. Al met al zal zijn metafysica haar conclusies vinden in het geloof en zal hij moeten toegeven dat zijn metafysica alleen in het geloof een stevig fundament vindt. Daarom is deze metafysica nooit uitgevonden of uitgewerkt door mensen die niet al het licht van het geloof hadden. Zolang de mens dit licht van bovenaf niet heeft, gaat hij op weg zoals iemand die een berg beklimt, zijn weg zoekend, vaak fouten makend, terugkerend op zijn stappen. Maar diegene die op de top staat, kan de klim van wie omhoog klimt het beste begeleiden.

Deze apologetiek kan alleen worden beoefend door mensen die het licht van het geloof hebben, maar dit licht van het geloof is niet dwingend, het nodigt de ware metafysicus alleen uit om te begrijpen dat de hele orde van de metafysica een soort verstoppertje-spelen is, een voorbereiding van God, zodat zijn geest op een dag, toegevend aan de aantrekkingskracht van de waarheid, het geloof omarmt. Zo heeft de metafysische weg ons naar de top van de berg geleid, waar de godsdienst het overneemt.

(wordt vervolgd)

Abbé Georges de Nantes, 1984
Hij is verrezen ! nr. 140, maart-april 2026