TOTALE APOLOGETIEK
5. De wegen van de natuurwetenschappen

De vorige hoofdstukken waren fundamenteel, want ze behandelden het probleem van het bestaan van God. Wanneer dat probleem eenmaal is opgelost door de metafysica, de hoogste wetenschap van de menselijke geest, dan hoeft men deze kwestie niet meer ter discussie te stellen. Maar het was belangrijk om de vooruitgang van de metafysica doorheen de eeuwen aan te wijzen. Dat zal richting geven aan onze studie van de natuurwetenschappen, die we nu aansnijden. Aan het einde van de wegen van die wetenschappen bevindt zich, zoals we zullen zien, het Geloof.
ALLES begon met het Griekse rationele denken. De Grieken hebben ons een immense dienst bewezen : ze ontdekten de als het ware onfeilbare kracht van de menselijke rede in de kennis van de werkelijkheid, in de kennis van de dingen. Doordat zij door de rede alle soorten, alle naturen en de volledige hiërarchie van vormen hebben leren kennen – wat bewonderenswaardig is en nooit opnieuw gedaan moet worden, want het is volmaakt – begrepen zij dat er een volmaakte essentie bestaat, de verheven natuur van degene die zij de Zuivere Act noemden, de idee van volmaaktheid. En aangezien de mens door zijn rede de dingen beheerste, begrepen zij ook dat er vóór de mens (want zij waren niet waanzinnig van hoogmoed) een God bestond die zelf de Rede en de hoogste Wijsheid is.
Daarom kan men aan het einde van elke metafysica, als die metafysica tenminste redelijk en geldig is, aan het einde van elke weg van wijsgerige reflectie, God ontdekken.
DE ONTWRICHTING VAN DE WERKELIJKHEID
Er is slechts één vorm van “ wijsheid ” die Hem niet ontmoet : die van het absurde. De wijsheid van de chaos, de duizeling van de chaos. De rede ontkent dan de orde van de dingen. Zij werpt zich in de cultus van Dionysos in plaats van die van Pallas Athena. Zij beschrijft de wereld als een immense chaos. Dat is het absurdisme van Sartre, al waren er vóór hem al velen die deze weg waren ingeslagen.
Wanneer men de wereld op die manier ontwricht door een verdorven rede, wordt een dergelijke metafysica zelf een soort zelfmoord van de rede. Het is duidelijk dat men vanuit een absurde wereld niet kan besluiten tot het bestaan van God. De vraag is of Sartre tot het atheïsme kwam omdat hij zijn existentialisme naar het absurde leidde of – wat waarschijnlijker is – dat hij, omdat hij een atheïst was, zijn ervaring van het bestaan omvormde tot een esthetiek van het absurde.
Ik heb jullie tijdens mijn voordrachten in het werkjaar 1980-1981, toen we spraken over de wetenschappen (“ Afrekening met Darwin ”, “ Afrekening met Freud ”, “ Afrekening met Teilhard de Chardin ” enz.) al uitgelegd dat er tussen 1900 en 1950 in de moderne wetenschappen een ontwrichting van de werkelijkheid heeft plaatsgevonden. Die was van dezelfde aard als het absurdisme van Sartre en moest uitlopen op de conclusie dat God niet bestaat.
Een duidelijk voorbeeld van die ontwrichting is het boek van Jean Hamburger waarover tegenwoordig zoveel te doen is : La raison et la passion. Réflexion sur les limites de la connaissance (1984). In de stijl van Kant is het een boek dat absoluut geen waarde heeft, maar dat wel goed de intellectuele leegte van de moderne filosofie en de absurditeit van de moderne wetenschappen weergeeft. In het eerste deel vernietigt Hamburger de werkelijkheid en brengt hij de wetenschap tot zelfmoord : zij kan de werkelijkheid niet kennen. En wanneer hij dit anarchistische afbraakwerk heeft voltooid, legt hij in het tweede deel uit dat hij zelf geen geloof heeft, maar dat wanneer de rede eenmaal heeft aangetoond dat zij de dingen niet kan kennen, het leven voor de mens toch nog niet voorbij is. De mens kan namelijk een reden om te leven vinden in passie, gevoel of geloof.
Dat is anti-apologetiek. De wetenschap bewijst zogezegd niets, behalve de absurditeit en de chaos van de werkelijkheid en het onvermogen van de mens om die te kennen. In het tweede deel mag de mens zich dan behelpen met mythen uit te vinden en religies te creëren die op zichzelf geen enkele waarde hebben, maar die wel troost bieden. Het is werkelijk een verschrikkelijk boek. En dat is wat men ons vandaag aanbiedt. Het is het tegenovergestelde van wat ik wil doen.
Wij, die de metafysica van de Grieken overstijgen en als het ware een nieuwe metafysica creëren – een intelligent existentialisme of een existentieel intellectualisme, zoals je wil – en die het kader van de idealistische Griekse wetenschap achter ons laten, hebben in al zijn omvang en waarde het bestaan ontmoet : het bestaan van de wezens, het feit van te bestaan. Toen we deze intuïtie uitdiepten, hebben we daarin het Zijn van alle zijnden ontmoet : God, die het zuivere bestaan is, zonder grenzen, het noodzakelijke bestaan, het volmaakte bestaan, Degene die zegt : “ Ik ben ”.
We hebben Hem als het ware ontmoet in onze aandacht voor het mysterie van ons bestaan. We hebben Hem bezig gezien in zijn scheppingswerk, dat een werk van liefde is. We concludeerden dat onze existentiële intuïtie (de meest volle metafysica waartoe de menselijke geest kan komen) het begrijpen is, doorheen het bestaan van de geschapen dingen, van het Zijn van de Schepper, in zijn daad van liefde : het scheppen, het uit het niets tevoorschijn brengen van de wezens die wij zijn. Wij zijn niet absurd, maar verbazingwekkend.
Omdat het uit liefde gebeurt, zeiden wij dat de definitie van de God die wij aanbidden is : “ Ik ben Liefde ”. Wij zijn met Hem verbonden in een soort natuurlijke mystiek, een soort directe gewaarwording van God door de mens, door het geschapen verstand. Deze natuurlijke mystiek laat ons de relatie kennen waardoor wij in het bestaan geplaatst zijn en ook, vanwege die relatie, onze onderlinge relaties, omdat wij allemaal van Hem afhankelijk zijn.
WAT WETEN WIJ VAN HET UNIVERSUM ?
Nu gaan we de wetenschappen ondervragen om te weten wat zij ons vertellen over deze geschapen wereld. Hoe ver reiken zij in de ontdekking van de geschapen werkelijkheid ? We moeten snel gaan, want het terrein dat we moeten doorkruisen is enorm. Het gaat om de domeinen van de kosmologische, astrofysische, biologische en biogenetische wetenschappen : materie en leven. We zullen daarbij gebruik maken van onze studies uit 1980-1981 om daaruit de geest en de besluiten te halen.
Laten we meteen beginnen met de ASTRONOMIE. Jullie weten nog hoe de Grieken zeer geïnteresseerd waren in astronomie en kosmologie. Ze bestudeerden het planetenstelsel ; sommigen dachten dat de aarde in het centrum stond, anderen – zoals Aristarchus van Samos (3de eeuw v. Chr.) – dat de zon het centrum was. Ze hebben niet gewacht op Galilei ! Maar wat zeker is : door toedoen van hun idealisme stelden de Grieken, met hun rede die alles beheerste, zich voor dat alle hemellichamen noodzakelijkerwijs cirkelvormige bewegingen maakten. Ze bewogen in cirkels, want voor hen was de cirkel de perfecte beweging : regelmatig, uniform en rond. Dat zou hen in hun waarnemingen sterk hinderen, want de hemellichamen volgen een dergelijke perfecte beweging niet.
In de middeleeuwen (en laten we ophouden altijd met een zekere minachting over dat tijdperk te spreken !) hebben christelijke denkers de Griekse opvatting opnieuw in vraag gesteld. Sommigen kwamen zelfs weer uit bij een heliocentrisch model en naderden de waarheid met Copernicus. Maar helaas bleef dat Griekse “ idée fixe ” hen beïnvloeden. Copernicus en zijn leerling Tycho Brahe wilden nog altijd die perfecte cirkelbeweging terugvinden, omdat dat volgens hen de beweging van de planeten rond de zon moést zijn – of van de zon rond de aarde.
Zelfs onze fameuze Galilei, die zogezegd als eerste het heliocentrisme wetenschappelijk bewees, vergiste zich in zijn berekeningen en gaf ze uiteindelijk op omdat ze allemaal fout bleken te zijn. Dat kwam precies doordat hij vasthield aan de cirkelvormige beweging.
Dat geeft ons inzicht in de geest van de Grieken. Volgens hen is de wereld van een geometrische perfectie. Hij is altijd geweest en zal altijd zijn. In deze wereld die in beweging is, maar in een eeuwige beweging, is God de Zuivere Act of de laatste sfeer die zelf volledig onbeweeglijk is en die deze volmaakte en dus eeuwige beweging veroorzaakt.
Maar plotseling moet deze filosofie, deze idealistische fysica, de baan ruimen met Kepler. Het zijn niet langer cirkels, maar ellipsen, met de zon als brandpunt. Met Newton gaan we over naar de DYNAMICA : er is energie aan het werk, er zijn energieën, krachten die aan het werk zijn. Op dat moment verandert alles. De wereld wordt een soort drama, het is geen eeuwige beweging, het is een beweging die wordt aangedreven door krachten en die krachten zullen misschien uitgeput raken. Die krachten moeten we een vreemde naam geven : de universele zwaartekracht. Deze beweging wordt voortdurend geaccelereerd in snelheid en richting. Dit is helemaal niet wat men dacht ; en de mens komt voor het eerst uit zijn rationele ivoren toren en wordt geconfronteerd met de realiteit van een wereld die hem te boven gaat.
Op dat moment laat Laplace een bol olie in een bak met lauw water ronddraaien en ziet hij geleidelijk een gordel ontstaan, een rand aan de evenaar ; als deze rand zich afscheidt, ontstaan er planeten. Hij heeft de vorming van het planetenstelsel ontdekt (ASTROFYSICA).
Dat is onze wetenschap, die in honderdvijftig jaar tijd een duizelingwekkende vooruitgang heeft geboekt. Onze zon is slechts een kleine ster in de Melkweg. En onze Melkweg zelf is slechts een van de sterrenstelsels in een bepaald systeem, er zijn clusters van sterrenstelsels die miljoenen lichtjaren van elkaar verwijderd zijn en er zijn superclusters die verspreid lijken te liggen langs de randen van een dihedraal (tweevlakshoek) in het universum. Dit universum heeft een straal van twintig miljard lichtjaren. Er zijn duizend miljard miljard sterren zoals de zon. Fantastisch ! En het is waar ! Ik durf niet te beweren dat het cijfer helemaal exact is, maar het is wel degelijk verbazingwekkend.
DE « BIG BANG »
De mens, met zijn intelligentie en zijn rede die deze grote processen tracht te begrijpen, stelt zich de vraag naar de oorsprong van dit universum. Ik heb jullie verteld dat dit een van de grote, prachtige verworvenheden is van de moderne wetenschappelijke geest. Het is de theorie van het oer-atoom, door Hubble en kanunnik Lemaître (1948). Het universum kan het resultaat zijn van de explosie, op een bepaald moment in het verleden, van dit oer-atoom. Alle massa, alle materie van de wereld is samengeperst in één punt en onder invloed van een explosie, een plotselinge energie, barst dit oer-atoom uiteen ; alle werelden zijn stukjes ervan (THERMODYNAMICA).
De wereld is in expansie. De radioactieve explosie die het begin markeerde, vecht tegen de zwaartekracht en al de materieklonten verspreiden zich met een aanzienlijke snelheid door het heelal. Geleidelijk aan wordt deze beweging echter afgeremd en op een gegeven ogenblik komt er een moment van evenwicht tot stand. Op dat ogenblik had het universum kunnen teruggevallen, het had zich opnieuw kunnen concentreren in het oer-atoom – maar neen, het is voorbij deze evenwichtszone gekomen, zeiden onze wetenschappers Hubble en Lemaître, en nu bevindt het universum zich in een staat van versnelde verspreiding. Alle spiraalnevels, alle sterrenstelsels vluchten met een steeds toenemende snelheid weg en de wereld gaat de oneindigheid tegemoet.
Sindsdien ben ik van gedachten veranderd, zoals ik jullie vier jaar geleden heb uitgelegd. De wiskundigen hebben hun vooroordelen in de wetenschap willen introduceren door met “ constanten ” af te komen. De constante h van Hubble drukt de roodverschuiving uit, de redshift, nl. de verschuiving van de zwarte lijnen in het spectrum naar het rood, als een vlucht van de sterrenstelsels, wat betwistbaar is. Er is de constante c van Lemaître, ontleend aan de relativiteitstheorie van Einstein. Al die constanten voeren in de moderne systemen meer willekeur dan feitelijkheid in.
Maar zelfs als dit systeem ontdaan wordt van alles wat de relativiteitstheorie er aan betwistbaars heeft in binnengebracht, blijft het een feit dat deze hypothese nu door vrijwel alle wetenschappers wordt aanvaard, althans als denkkader. Onze wereld is geen statische wereld en evenmin een wereld die in permanente beweging is. Onze wereld is het resultaat van een eerste fase, een eerste explosie. Energie heeft de toestand van de materie veranderd en de ruimte gecreëerd. En nu bevindt onze wereld zich in een toestand van evenwicht, krimp of uitdeining, op weg naar het oneindige ; we weten het niet.
Dat is het kader van ons apologetisch probleem. Paus Pius XII (1939-1958) hield hierover een opmerkelijke toespraak, precies zoals ik die dit jaar zou willen houden, om de wetenschappers te laten zien hoe zij met een fundamenteel probleem geconfronteerd worden – en eigenlijk beseffen ze dat heel goed – wanneer zij uitgaan van de hypothese van een exploderend oer-atoom en het drama van een uitdijend universum dat misschien op vernietigende wijze weer terugkeert naar het beginpunt. Wie heeft dit gedaan ? Wie heeft de eerste lucifer aangestreken ? Wie heeft de massa van het oer-atoom gecreëerd ? En wie heeft dat atoom die krachtige explosie opgelegd die nu zijn effecten voortbrengt ? Wie ligt aan de oorsprong van de dingen ? Waarom die grote ontwikkeling waarin we ons bevinden op het precieze moment waarop de aarde leefbaar is geworden ? Wat zal de toekomst van onze wereld zijn ? Moet zij terugkeren naar het niets ?
Zoveel vragen die astronomen en kosmologen zich met bezorgdheid stellen en waarop zij uiteraard geen wetenschappelijk antwoord vinden. We moeten hogerop gaan.
MATERIE EN ENERGIE
Laten we nu onze aandacht vestigen op wat dichter bij ons staat : niet meer die grote, oneindige hemel, maar de aarde en de materie. Voor de Grieken was het eenvoudig. Materie werd geïdentificeerd met massa. De materie nam een bepaalde ruimte in en, in haar opeenvolgende bewegingen, manifesteerde zij de realiteit van de tijd, een onomkeerbare tijd waarin de materie voortbestond. Aristoteles, die de materie had gedefinieerd door haar hoeveelheid en haar kwalitatieve structuren, concludeerde dat de materie eeuwig was. Altijd weer die neiging van het menselijke verstand om dingen te vereenvoudigen en ze vast te leggen in een zekere rust, een rust voor de geest, een onveranderlijkheid : het zal altijd zo zijn zoals het geweest is ; het is er altijd geweest en zal er altijd zijn.
Daar heeft de moderne wetenschap natuurlijk een andere visie tegenover geplaatst. Zij heeft aangetoond dat materie veel complexer is dan men vroeger dacht. De materie is de plaats waar energie, of beter gezegd verschillende soorten energie, haar doorkruisen, haar in beweging brengen, haar situatie en chemische toestand veranderen. Kortom, we kennen allemaal het duo materie-energie. Materie is de plaats waar energie wordt verbruikt, uitgewisseld en omgezet. Materie en energie blijken in feite twee aspecten te zijn van één en dezelfde werkelijkheid. Onder bepaalde omstandigheden kan materie worden omgezet in energie en energie kan opnieuw materie voortbrengen. Dit inzicht heeft onze voorstelling van de natuur diepgaand veranderd.
Jullie kennen de twee eenvoudige principes die precies hetzelfde drama op het niveau van onze aarde zullen veroorzaken. Het gaat om het principe van behoud van materie en dat van gelijkwaardigheid van energie. Dus hadden de Grieken toch gedeeltelijk gelijk toen ze zeiden dat de dingen behouden blijven. Behoud van materie, gelijkwaardigheid van energieën, dat wil zeggen behoud van energieën in de verschillende vormen die ze kunnen aannemen. Dat geldt voor wat permanent is.
Maar er is ook energieverlies. Deze energieën volgen een onomkeerbaar proces door van soort en vorm te veranderen. Geleidelijk aan worden alle hogere energieën (elektrische energie, lichtenergie, energie van magnetische velden) omgezet en eindigen uiteindelijk in warmte-energie. De wereld neigt naar wat wetenschappers entropie noemen, waarbij alles zal terugkeren naar een soort “ dood ” door een totaal evenwicht van energieën in hun absoluut afgebroken vorm. We bevinden ons opnieuw in een proces dat een proces van afbraak is.
EEN “ MYTHISCHE ” FYSICA
Dit alles zou vrij duidelijk zijn geweest als de moderne wetenschap vanaf 1900 niet de hele werkelijkheid had ontwricht. Ik heb vier jaar geleden krachtig geprotesteerd tegen die ontwrichting. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat de moderne wetenschap ongelijk heeft met haar relativiteitsprincipe. Dit beroemde principe dat iedereen kent : E = mc2, kan heel goed worden uitgelegd, het is misschien heel waar, maar de introductie van de constante c door Einstein, volgens dewelke de lichtsnelheid constant zou zijn – men vraagt zich af waarom ! – en die hem vervolgens in staat stelt te zeggen dat ruimte en tijd vervormbare materialen zijn, is echt het tegenovergestelde van het gezond verstand en de proefondervindelijke wetenschap.
Vervolgens is de kwantumfysica gelanceerd : men heeft de materie van continu tot discontinu gemaakt en kwanta in het leven geroepen, dit zijn de kleinst mogelijke, ondeelbare hoeveelheden of pakketjes van energie, materie of lading. Dat was toen de grote mode waarop de moderne fysica nog steeds voortbouwt. Het is het kwantum van materie dat we het atoom noemen en we vragen ons af waarom, want het atoom is sindsdien een buitengewoon complexe structuur gebleken. Het leek het eenvoudigste, onscheidbare deeltje materie te zijn, verder kon men niet gaan.
Planck bedacht, met een andere constante h, zijn energiekwantum. Daarop heeft Einstein zijn lichtkwantum of foton uitgevonden. Zo is alles een deeltje geworden. Het deeltje elektriciteit is het elektron. Men begon een volstrekt mythische fysica te ontwikkelen. Ik weet wel dat ik een iconoclast lijk als ik dat zeg, maar ik volg hiermee uitstekende auteurs die hebben aangetoond hoe dit systeem van atoomopbouw – het universum van Rutherford met de kern, de elektronen die rondzwerven in zeven zones, die om zichzelf draaien, dit alles met enorme snelheden, in een voortdurend evenwicht – werkelijk een mythe is ! Ooit zal men daar op moeten terugkomen. Ondertussen verplicht men onze kinderen om het op school van buiten te leren en geloven ze er rotsvast in...
De elektronen die rond de neutronen draaien en al deze atomen naast elkaar, als knikkers in een zak, dit alles beweegt zich in een immense leegte, want ether bestaat niet meer voor onze moderne wetenschappers. Het is de universele leegte, met hier en daar kwanta van energie, elektriciteit of licht, enz. Je kan geen wetenschappelijke brochure lezen zonder te horen dat de mens zich er nu terdege van bewust is dat al de categorieën van ruimte, tijd, materie, energie “ boerencategorieën ” zijn en dat, van zodra je een beetje wetenschappelijk onderlegd bent, je inziet dat de werkelijkheid met niets van dit alles overeenkomt, dat ze... niet waar is !
Ik denk dat we, na zoveel gekte en bedrog, wanneer we satellieten de atmosfeer in sturen, al deze theorieën, al deze relativiteit, gewoon terzijde laten en de berekeningen uitvoeren volgens de Euclidische wiskunde, volgens de meest gebruikelijke en klassieke fysica, en dat is waarom al die satellieten niet op ons hoofd terugvallen ! Er zit een heel deel mythologie in de moderne wetenschap, dat we moeten negeren, want van zodra de menselijke intelligentie aan de kant wordt geschoven, van zodra men de mens ervan heeft overtuigd dat al wat hij proefondervindelijk geleerd heeft vals is, dan gooit men zijn hele metafysica in één klap omver !
(wordt vervolgd)
Abbé Georges de Nantes, 1984
Hij is verrezen ! nr. 141, mei-juni 2026