Wetenschappelijk eerherstel 
Voor de H. Lijkwade van Turijn

2. Anatomie en fysiologie van de Lijkwade

door Dr. Pierre Mérat

Fig. 1 : Op deze mooie miniatuur door de Milanees Giovanni Battista della Rovere (1560-1627) zien we bovenaan engelen die de geopende Lijkwade vasthouden en onderaan hoe Jezus na de Kruisafneming in het lijnwaad gewikkeld werd.

Zelfs de meest fanatieke voorstander van de koolstofdatering moet logisch blijven met zichzelf : vermits de Lijkwade reeds bestond vóór de datum die vastgesteld werd door de laboratoria van Oxford, Arizona en Zürich, moet die datum verkeerd zijn. Want hoe zou een cijfer, dat enkel maar het resultaat is van mathematische berekening, stand kunnen houden als historische datum wanneer alle andere samenhangende wetenschappelijke gegevens in een andere richting gaan ? De heren van de koolstofmethode moeten dus hun berekeningen herzien of een afdoende verklaring geven voor het cijfer op hun computers.

En toch... Na de georkestreerde campagne die de publieke opinie wereldwijd misleid heeft aangaande de Lijkwade, blijft er twijfel bestaan. Sommigen zullen geneigd zijn het probleem te verschuiven naar een ander vlak : zelfs als de Lijkwade uit de 1ste eeuw dateert en al zeer vroeg aan Christus toegewezen werd, dan bewijst dit nog niet dat op het weefsel de authentieke afdrukken voorkomen van het lichaam van de gestorven en verrezen Jezus. Zou het niet kunnen dat de Lijkwade van bij het begin, of in latere tijden, behandeld werd, dat men er bloedsporen en verwijzingen naar de kruisiging op aanbracht om de mensen te misleiden ? Wie kan ons zeggen dat die sporen afkomstig zijn van het Lichaam en het Bloed van Jezus van Nazareth zelf, zonder dat er enig bedrog in het spel is ?

Dokter Pierre Mérat (1931-2024), orthopedisch chirurg, was jarenlang voorzitter van het Centre international d’études sur le Linceul de Turin (CIELT). Hij was ook oud-intern van het Hôpital Saint-Joseph in Parijs, waar de befaamde dokter Barbet in de jaren 1930 begon met zijn anatomisch en fysiologisch onderzoek van de Lijkwade. Toen De Katholieke Contrareformatie in de 20ste eeuw op 27 november 1988 een reeks voordrachten organiseerde om de H. Lijkwade in ere te herstellen, presenteerde abbé de Nantes de chirurg als spreker en vroeg hem : « Wat ziet u op de Lijkwade ? Wat zijn die bloedsporen ? Hoe interpreteert u deze objectieve gegevens ? Gaat het om een overduidelijke vervalsing of is men zeer handig te werk gegaan bij het nabootsen ? Of gaat het volgens u daarentegen om een onbetwistbaar en authentiek document ? »

EEN AFWIJKEND RESULTAAT NOOPT TOT NIEUW ONDERZOEK

HET opvallende verschil tussen het resultaat van  de koolstofdatering en het geheel van samenhangende bewijzen voor de echtheid van de Lijkwade, is voor een geneesheer niet verwarrend. Wij worden namelijk vaak geconfronteerd met zulke situaties.

Laten we een eenvoudig voorbeeld nemen : een dokter die aan het ziekbed geroepen wordt van een kind dat lijdt aan geelzucht. De diagnose is vanzelfsprekend. De moeder van het kind heeft die trouwens zelf al gesteld : de huid is citroengeel, de urine is donker gekleurd zoals thee.

Maar als de dokter het resultaat van de laboratoriumanalyse opvraagt, verneemt hij dat de lever normaal zou moeten functioneren. Denkt men nu dat hij gerustgesteld is en de familie zal wijsmaken dat er niets aan de hand is ? Natuurlijk niet. Hij zal vermoeden dat een of andere vergissing het laboratoriumonderzoek vervalst heeft of dat een onbekende, te achterhalen factor het resultaat grondig beïnvloed heeft.

Wat zal hij nu als zijn eerste taak beschouwen ? Het hernemen van zijn klinisch onderzoek, om de goede kwaliteit van zijn waarnemingen te verifiëren. Dat onderzoek gaan wij samen opnieuw verrichten voor de Lijkwade : het zal een echt gerechtelijk-geneeskundig onderzoek worden, vermits het gaat om bloedvlekken op een weefsel. Ik zal u die vlekken aanwijzen en de betekenis ervan verklaren. Op uw beurt zult u dan uw mening kunnen vormen, geholpen door de anatomie, de fysiologie en de neurologie.

Uiteraard ben ik niet de eerste die zich met deze studie bezighoudt. Verscheidene geneesheren hebben zich over dit weefsel gebogen, maar de man die de meest volledige werkzaamheden gerealiseerd heeft, is dokter Pierre Barbet, chirurg aan het Hôpital Saint-Joseph in Parijs van 1934 tot 1948. Zijn experimentele methode daarbij was zo rigoureus dat het ook vandaag nog altijd onmogelijk is hem niet op elk ogenblik te citeren. Alle hedendaagse publicaties zijn hem schatplichtig, al vergeten zij hem vaak te noemen. De nu volgende uiteenzetting plaats ik dan ook graag onder zijn beschermheerschap.

RECONSTRUCTIE VAN EEN BEGRAFENIS

De H. Lijkwade van Turijn is een linnen weefsel met een lengte van 4,36 m en een breedte van 1,10 m. Daarop komt het dubbele silhouet voor van een naakt mannenlichaam, waarbij de hoofden van de rugzijde en de buikzijde mekaar in het midden raken.

Een miniatuur uit de 16de eeuw, werk van Giovanni Battista della Rovere, stelt de begrafenis van Jezus voor zoals die door de voorstelling op de Lijkwade gesuggereerd wordt (fig. 1). Christus, uitgestrekt op zijn rug, ligt op één uiteinde van het weefsel, de voeten en de handen over elkaar gekruist, in de houding die het silhouet van de voorzijde weergeeft. Het andere uiteinde van het weefsel werd over het hoofd geslagen en met zorg uitgestrekt over het Lichaam, zodat de buikzijde bedekt is. Op het bovenste paneel van het kunstwerk ziet men engelen die de H. Lijkwade tonen met daarop de zo verkregen dubbele afdruk.

Een aandachtig waarnemer zal merken dat de kunstenaar een vergissing begaan heeft door de rechterhand boven de linkerhand af te beelden. Hij had het omgekeerde moeten schilderen. Hij stelde evenwel voor wat hij op het linnen zag en vergat daarbij dat, op het moment dat de Lijkwade de afdruk kreeg, zij als een spiegel was ten opzichte van het Lichaam, waardoor de afbeelding omgekeerd werd : het was de linkerhand van Jezus die bovenop lag toen Hij met het weefsel bedekt werd. Wat de wonde in de zijde betreft, toegebracht door de lanssteek, hier heeft de kunstenaar zich niet vergist. Hij heeft ze rechts op het Lichaam geschilderd, hoewel ze op de Lijkwade links lijkt te liggen.

Deze vergissing, die ook door de auteur van het Pray-manuscript 1 begaan werd, is leerrijk. Zij toont aan hoe moeilijk het voor een artiest was op een volmaakte manier de resultaten te simuleren van een reëel fenomeen als het wikkelen van Jezus’  Lichaam in dit weefsel ; een verraderlijke fout is vlug begaan !

Welnu, de H. Lijkwade kan nooit op een fout betrapt worden. Bij de studie van de bloedsporen zullen wij dit vaststellen. Dat het om bloed gaat, is door de Amerikaanse specialisten van de STURP (Shroud of Turin Research Project) na de nodige specifieke testen definitief vastgesteld 2.

RECONSTRUCTIE VAN DE MISDAAD

Wanneer we de beide silhouetten van de Man van de Lijkwade in de natuurlijke kleur van het linnen bekijken (fig. 6 en 10), bemerken we een groot aantal roodbruine vlekken : op het gelaat, de nek, de handen, de onderarmen, de borst, de voetzolen. Verder zien we een massa regelmatige vlekjes die het hele Lichaam van het hoofd tot de voeten overdekken.

WONDEN AAN HET HOOFD

Men bemerkt op het voorhoofd drie bloedvlekken, één in het midden en twee aan de zijkanten (fig. 6 en 7). De middelste vlek heeft de vorm van een omgekeerde 3. Zij schijnt van dik en zwaar bloed te zijn, dat langzaam naar beneden gesijpeld is over het voorhoofd en dat daarbij de tijd genomen heeft om twee horizontale afwijkingen (kleine “ bochten ”) te maken naar links. Het resultaat is die karakteristieke vorm die we als haarlokken terugvinden op het voorhoofd van de bekende afbeeldingen van Christus Pantocrator 3.

Fig. 2 : Eerder dan een kroon van doornen heeft de Man van de Lijkwade een soort van helm gevlochten uit doornen gedragen. Om de vlijmscherpe takken, waarschijnlijk afkomstig van de zizyphus spina-christi die veel voorkomt in het H. Land, bijeen te houden vlochten de Romeinse soldaten een band van rietstengels. Deze helm, die het hele oppervlak van het hoofd bedekte en er met geweld op gedrukt of misschien zelfs geslagen werd, heeft talrijke verwondingen (minstens vijftig) aan de uiterst gevoelige hoofdhuid veroorzaakt, waardoor ader- en slagaderbloed is gaan lekken.

Barbet dacht dat het de banden waren die de doornenkroon op haar plaats moesten houden die het bloed gedwongen hadden “ uit te wijken ”. Mijn Italiaanse collega Sebastiano Rodante 4 heeft een andere, verleidelijke hypothese : het bloed zou op de voorhoofdsrimpels in horizontale richting gevloeid zijn ; bij vergelijking met een foto van een voorhoofd dat krampachtige pijnrimpels vertoont (fig. 8), overtuigt deze veronderstelling onmiddellijk. Dit detail volstaat op zichzelf om te bewijzen dat de Lijkwade geen kunstwerk is, maar een echte relikwie. Op de artistieke voorstellingen van het met doornen gekroonde Gelaat stroomt het bloed als het ware in talloze druppels over voorhoofd en slapen. Maar de H. Lijkwade gehoorzaamt niet aan esthetische indrukken : zij drukt de waarheid uit met fysiologische precisie.

De twee vlekken op de zijkanten van het voorhoofd zijn goed vergelijkbaar met elkaar, maar geheel verschillend van de hierboven beschreven bloedvlek. Ze zijn fijner van tekening en bijna rechtlijnig en ze ontspringen ter hoogte van de voorhoofdsknobbels. Allebei hebben ze de vorm van een omgekeerde V ; de linkervlek heeft een hoek van 38°, de rechtervlek van 40°. Het lijkt alsof het bloed gehoorzaamd heeft aan een volgehouden wijziging van de stand van het hoofd. Wij, chirurgen, zien te vaak bloed vloeien om nog te twijfelen : de grote vlek in het midden van het voorhoofd is aderbloed, dat langzaam vloeit en dik is ; bij de twee andere vlekken daarentegen gaat het om slagaderbloed.

Fig. 3 : Detailfoto van de handen. De spijker is niet in de handpalm geslagen, maar in de pols. Omdat hij daarbij de middelste zenuw raakte, boog de duim zich naar binnen : we zien slechts vier vingers.

De anatomie leert ons dat de middelste vlek precies gesitueerd is op de plaats waar de middelste voorhoofdsader loopt (de grote ader die opzwelt als wij ons boos maken). En de andere vlekken liggen op de plaats van de voorhoofdsvertakkingen van de oppervlakkige slaapslagaders.

Deze bewijsvoering van Dr. Rodante levert op zichzelf een absoluut bewijs voor de authenticiteit van de Lijkwade, vermits de fysiologie van de bloedstolling pas in de 17de eeuw werd ontdekt door William Harvey. Een middeleeuwse vervalser kon dit onmogelijk nabootsen !

Richten we onze aandacht nu op de achterkant van het hoofd. We bemerken daar een massa grote, onregelmatige vlekken : een mengeling van bloedklonters en haarlokken. Deze vlekken lopen in het midden verder naar beneden dan aan de zijkanten. Barbet was de mening toegedaan dat deze eigenaardigheid het gevolg is van de band die het hoofd van de veroordeelde stevig omwond en de bloeduitstortingen aan de zijkanten onderbrak of stopte. Volgens mij heeft hij daarin gelijk.

WONDEN AAN DE HANDEN

Op een totaalbeeld van het silhouet van de buikzijde (fig. 6) stellen we de aanwezigheid vast van bloed op de rug van de handen en op de onderarmen. Als men een radiografische afdruk van de pols, de hand en de vingers op de afbeelding van de linkerhand legt, bemerkt men twee zaken :

1° de bloedvlek tekent zich niet af op de rug van de hand, maar op de pols ;

2° de afgebeelde hand toont maar vier vingers ; ook met de rechterhand is dit trouwens zo : er is geen duim te zien.

Fig. 4 : Dr. Barbet bewees dat de spijker in de zgn. ruimte van Destot geslagen werd, waardoor de “ nervus medianus ” ernstig gekwetst werd en een vreselijke pijn veroorzaakte.

Barbet heeft deze twee punten opgehelderd en onze ervaringen in labo en operatiezaal hebben zijn uitleg bevestigd. Barbet heeft het volgende experiment uitgevoerd op onderarmen die enkele ogenblikken tevoren geamputeerd waren : in de handpalm sloeg hij een grote spijker en hij hing aan de zo vastgeslagen arm een gewicht dat correspondeerde met de helft van een menselijk lichaam ; de handpalm scheurde open en de arm viel op de grond.

Zelf heb ik een lijk van 80 kg, dat moest gedissecteerd worden, opgehangen door een spijker van 8 mm breed te slaan in de derde tussenbeenruimte. Haast onmiddellijk scheurden de handpalm, de gewrichtsband en de huid tussen de vingers open.

Er moest dus een middel bestaan om een gekruisigde steviger aan het hout te slaan. Barbet zocht en vond een meer geschikte plaats in de polsen. Hij plantte een spijker op die plaats en bekwam zo een stevige ophanging. Maar bovendien deed hij twee merkwaardige vaststellingen. Allereerst zag hij dat tijdens het inkloppen van de spijker de duim zich wegboog in de handpalm. Verder stelde hij bij de dissectie vast dat de spijker altijd dezelfde weg koos, namelijk doorheen de zgn. ruimte van Destot ; de middelste zenuw werd daarbij ernstig gekwetst.

Ikzelf heb gelijkaardige resultaten bereikt bij dissecties, tot twaalfmaal toe. Telkens observeerde ik ernstige verwondingen aan de middelste zenuw, reden waarom de duim zich weg boog in de handpalm.

Als ik een operatie verricht bij reumatische patiënten die lijden aan het “ carpale-tunnelsyndroom ” (nachtelijke tintelingen in de vingers) moet ik de nervus medianus losmaken die ten gevolge van de aandoening samengedrukt is. Het is deze grote zenuw die doorheen de pols loopt en onze vingers gevoelig maakt. Ik maak dan gebruik van plaatselijke verdoving die de gevoeligheid uitschakelt, maar de motorische kracht van de zenuwen intact laat : wanneer ik zeer lichtjes de middelste zenuw prikkel met een zwakke elektrische stroom, begint de duim te beven en naar de handpalm toe te bewegen.

Deze proefnemingen vormen voor mij een absoluut bewijs voor de echtheid van de Lijkwade. Welke artiest of vervalser zou in het begin van onze tijdrekening – of in de middeleeuwen – kunnen geweten hebben hoe een zenuw reageert die gekwetst wordt door een spijker die er langsheen schuurt ?

TETANISERING EN VERSTIKKING

De vlek op de rug van de linkerpols geeft het ontstaan aan twee bloedstroompjes die een hoek van 30° vormen : die getuigen van de doodstrijd van Jezus op het kruis, toen Hij zich afwisselend oprichtte en weer liet neerzakken.

Het lichaam van de veroordeelde werd eerst op de grond uitgestrekt op het kruis : de schouders op het patibulum (de dwarsbalk), de armen in een hoek van 90° ten opzichte van het lichaam. Daarna werd het kruis opgericht en hing het lichaam verticaal. Daardoor zakte de veroordeelde gedeeltelijk naar omlaag, waarbij zijn hele gewicht door de schoudergewrichten moest gedragen worden. De hoek van 90° veranderde in een open hoek van 120°, want de armen werden schuin uitgerekt door de zwaarte van het lichaam.

Het gevolg was dat het slachtoffer begon te stikken. De bovenste ademhalingsspieren werden uitgerekt door de zwaartekracht, de onderste ingewanden deden het middenrif zakken, de borstkas verwijdde zich ten gevolge van het geforceerde inademen, het uitademen ging steeds moeizamer. Langzamerhand verhoogde het koolzuurgehalte in de longen en in het bloed. De prikkeling uitgeoefend op de zenuwcentra van de ademhaling werd daardoor zo sterk dat de veroordeelde zich oprichtte op zijn voeten om de spanningen die zijn borstkas uiteen trokken te verminderen en de bedorven lucht uit te ademen. Daarbij kwamen de armen terug horizontaler hangen.

Zo varieerde de hoek die de armen maakten waarschijnlijk voortdurend tussen 120° en 90°, naargelang Jezus zich liet hangen of zich omhoog duwde op zijn voeten. En het bloed vloeide in twee lichtelijk uit elkaar lopende richtingen, volgens de twee houdingen van de armen : men kan dit zien op de linkerpols, die de rechterpols bedekt, en op de onderarmen, waar het bloed van de hand naar de elleboog liep. Ik vestig uw aandacht op deze fijne bloedstroompjes ; we komen er op het einde van deze uiteenzetting nog op terug.

DE WONDE AAN DE BORSTKAS

Opzij aan de borstkas, onder de rechtertepel en in de buurt van een plek waar het linnen gerestaureerd werd, heeft het bloed overdadig gevloeid. Die vlek is evenwel niet homogeen. Het bovenste deel is compact en vertoont een ovaalronde vorm, met een grote middellijn van 25 mm en een kleine van 15 mm : dit zijn de afmetingen van de punt van een lans zoals die gebruikt werd in het Romeinse leger. Het onderste deel van de vlek is onregelmatig ; er komen lichtere plekken in voor die ook een vloeibaar karakter hebben. Het gaat hier niet om “ tekorten ” in de afdruk, maar om een uitstorting van heldere vloeistof.

De Amerikaanse chemici van de STURP hebben aangetoond dat de vezels die in deze zone werden onderzocht niet de reactie gaven van methemo­globine, maar van albumine. Het gaat dus om een helder vocht dat gepaard gaat met een ontsteking. We denken hier aan het woord van Sint-Jan, die zegt dat uit de zijde die door de lanssteek geopend werd « bloed en water » vloeiden. Hij preciseert met nadruk dat hij die termen gebruikt opdat wij zouden geloven (Jo 19, 34-35).

Wat is dan de bron van deze dubbele en overvloedige bloeduitstorting ? De lanssteek drong binnen tussen de vijfde en de zesde rib. Welke organen worden daarbij gekwetst ? Dat zijn : het borstvlies, de long en het hart.

De long kan uitgeschakeld worden, vermits daaruit bij een lijk geen bloedverlies meer optreedt. Het borstvlies ? Sommige auteurs hebben geschreven dat ten gevolge van de geseling de borstkaswand ernstig toegetakeld werd, waardoor spierscheuringen en ribbreuken optraden. Ik ben het hiermee niet eens. De nauwkeurigheid van de afdrukken van de geseling toont aan dat de huid niet werd weggeslagen. Bovendien is de borstkas van een dertigjarige man goed afgeschermd met stevige spieren. Wanneer het bloed uitgestort wordt in het borstvlies, stolt het pas na enkele dagen ; en in onze chirurgische praktijk hebben wij nog nooit geobserveerd dat stolling van een bloeduitstorting gevolgd werd door uitstorting van een heldere, waterachtige vloeistof.

Het water en het bloed kunnen dus alleen maar voortkomen van het hart.

De lans opende eerst het hartvlies, waardoor « water » tevoorschijn stroomde. Gerechtelijke geneesheren kennen dit verschijnsel goed : het komt vaak voor bij de autopsie van mensen die na een lange en pijnlijke doodstrijd gestorven zijn. Daarna kwetste de lans de basis van het hart, de hartboezems, die onvermijdelijk getroffen worden als de rechterzijde van de borstkas doorboord wordt. De wand van de boezems is fijn en breekbaar. Hun met bloed gevulde holte staat in rechtstreekse verbinding met de bovenste holle ader, die ogenblikkelijk geledigd wordt. De onderste holle ader ledigt zich op zijn beurt als het lichaam in horizontale stand wordt gebracht.

De lanssteek van rechts naar links en iets omhoog gericht is zeer doeltreffend 5 – doeltreffender eigenlijk dan een steek in de linkerzijde van de borstkas ; men denkt verkeerdelijk dat zo’n steek langs links fataal het hart moet doorboren, omdat men zich vergist over de juiste ligging van dit orgaan (fig. 5). Ik heb vaak vastgesteld dat messteken die links toegebracht werden het hart misten of slechts de dikke en gespierde ventriculaire wanden beschadigden, zodat chirurgisch ingrijpen nog baatte.

Het is zonneklaar dat geen enkele vervalser, hoe vindingrijk ook, dit had kunnen bedenken !

We wijzen tenslotte nog op het feit dat deze overvloedige bloeduitstorting op de rugzijde van de borstkas (fig. 10) verder loopt tot in de lendenen via twee fijne bloedstroompjes die elkaar over heel de breedte van het lichaam kruisen. We komen hier nog op terug.

VERWONDINGEN AAN DE VOETEN

Op het totaalbeeld van de rugzijde (fig. 10) kan men zien dat de linkervoet zich hoger bevindt dan de rechtervoet. Ongetwijfeld was het linkerbeen gebogen en de linkervoet vóór de rechtervoet geplaatst. De heldere vlek tussen dij en kuit, ter hoogte van de knieholte, bevindt zich aan de linkerkant wat hoger. We kunnen ervan uitgaan dat de ledematen in deze stand stijf werden na de dood. De bloedvlek van de linkervoet is niet heel duidelijk, maar van de rechtervoet zijn de verschillende delen goed zichtbaar (fig. 14).

Fig. 5 : De honderdman bracht de lanssteek toe langs rechts. De punt van de lans gleed over de zesde rib, doorboorde de ruimte tussen de vijfde en de zesde rib en raakte de rechterboezem, die na de dood gevuld blijft met vloeibaar bloed.

Alles wordt begrijpelijk als men de afdruk bekijkt nagelaten door een natte voet op een badkamervloer (fig. 11) en de contouren daarvan dan overbrengt op de vlekken van de Lijkwade (fig. 12). Het voorste steunvlak van de voet, onderaan op de afbeelding, heeft het bloed tegengehouden omdat het zo krachtig op het hout drukte. Nog lager ziet men enkele afgeronde vlekken die beantwoorden aan de teentoppen. Bovenaan bemerken we dan weer dat het bloed naar de hielstreek gelopen is toen het lichaam horizontaal werd weggedragen en dat er langs de zijkant van de hiel heel duidelijk bloed is weggelopen tot op het linnen.

Barbet dacht dat de voeten gekruisigd werden in de ruimten tussen de middenvoetsbeentjes (metatarsale ruimten), meer bepaald in de ruimte tussen de beentjes van de tweede en de derde teen ; dat is inderdaad een plek waar een spijker gemakkelijk doorheen gaat. Maar we hebben gezien in verband met de linkerpols dat de gekruisigden zich steunend op hun voeten moesten oprichten om tegen de verstikkingsdood te vechten en hun longen terug vol te zuigen 6. Het steunpunt moet dus zeer stevig zijn.

Nu heeft Barbet de kruisiging uitgeprobeerd met het lijk van een tengere oude vrouw, waarbij hij de spijker doorheen de centrale metatarsale ruimte sloeg. Ondanks het geringe gewicht draaiden de enkels naar binnen en zakte het lichaam door, zoals men kan zien op de foto die hij in zijn boek gepubliceerd heeft. A fortiori zou een atletisch gebouwde man van ongeveer 80 kg daar niet de nodige steun hebben kunnen vinden om zich op te richten, voldoende adem te scheppen en meermaals met luide stem te spreken of om op het moment van de dood een kreet te slaken.

Wijzelf hebben dus een doorgang voor de spijker gezocht in de voetwortel, zoals Barbet had gedaan voor de handen in de pols. We namen een vierkante spijker met een zijde van 8 mm en 20 cm lang en we zochten met de hand een doorgang in het vooruit­springende deel van de voet. We gebruikten geen hamer, om geen enkel beentje te breken, het Schriftwoord indachtig (Jo 19, 36). Dit zoeken was vergeefse moeite.

Toen dachten wij aan het feit dat de beulen wellicht met geweld de voeten tegen het hout hadden willen drukken, om ze goed vast te spijkeren. Wij hebben toen de voet van een lijk in een punt gebogen, zoals bij een danseres ; op die manier drong de spijker gemakkelijker naar binnen : twee hamerslagen volstonden om hem uit de voetzool tevoorschijn te zien komen. De tweede voet hebben we op gelijkaardige wijze doorboord, na hem precies bovenop de eerste gelegd te hebben. De dissectie toonde aan dat de spijker tussen het tweede en het derde wigvormige beentje van de voetwortel gedrongen was (fig. 13 en 15). De beentjes waren niet gebroken, maar hoogstens lichtjes gemarkeerd doordat de spijker het kraakbeen had geraakt. Ik heb deze proefneming 18 keer herhaald, met elke keer hetzelfde resultaat.

Als men de doorslag van het voetskelet op de voetomtrek legt en deze twee samen op de bloedvlek van de Lijkwade (fig. 16 en 17), blijkt overduidelijk waar de spijkerpunt door de voetzool moet gedrongen zijn. Het is de donkere, door een heldere kring omgeven vlek, vanwaar het bloed naar het voorste deel van de voet gelopen is. Bij dit bloedstroompje heeft zich een lichte vloeistof gevoegd, die weer verwijst naar de karakteristieke reactie van eiwit. Rond de bloedklonters ziet men de sporen van een bloedloze vloeistof die uit de lymfevaten afkomstig is. Welke vervalser zou dit ooit hebben kunnen uitdenken ?



DE WONDEN VAN DE GESELING

De voorzijde en de rugzijde van de Man van de Lijkwade (fig. 6 en 10) zijn bezaaid met kleine vlekjes die er als stipjes uitzien. Men telt er ongeveer 120. Bij fotografische vergroting blijken ze de vorm van halters te hebben : twee ronde vlekjes verbonden door een streepje. Zij zijn veroorzaakt door de inslag van loden bolletjes en het dunne leren riempje waaraan die bolletjes geregen waren.

De verschrikkelijke Romeinse zweep, flagrum geheten, bestond uit een kort handvat waaraan twee of drie leren riempjes bevestigd waren, aan het uiteinde voorzien van loden bolletjes of soms ook schapenwervels. Wij hebben dit marteltuig gereconstrueerd en ermee op platen van polystyreen geslagen : de resultaten waren vergelijkbaar met wat men op de Lijkwade ziet (fig. 9).

« Schilders doorheen de eeuwen beperkten zich ertoe om hoogstens vage, onduidelijke schaafwonden weer te geven », schreef Dr. Barbet. « Had één van hen zich ooit al die minutieuze details kunnen voorstellen en ze op doek weergeven ? »

Deze vlekjes zijn bijna allemaal in koppels van twee gegroepeerd, wat wijst op een zweep met twee riemen. Op de rug convergeren de vlekken in de richting van een punt buiten het lichaam en ter hoogte van de lendenen : het geheel lijkt op een waaier waarvan de hand van de beul het centrum vormt.

« Wij weten dat een dergelijke geseling in de Romeinse oudheid het normale voorspel was op een kruisiging. De regel was dat men de veroordeelde geselde terwijl hij de horizontale dwarsbalk of patibulum zelf op zijn schouders naar de plaats van executie droeg. Maar hier zien we dat de wonden van de zweep óók voorkomen op de schouders ; de Man van de Lijkwade is dus gegeseld alvorens Hij met zijn kruis beladen werd. Dit feit verwijst rechtstreeks naar Jezus, want het stemt overeen met wat in de Evangelies staat : de geseling was een poging van Pilatus om de beschuldigde te doen ontkomen aan de doodstraf (cf. Jo 19) 7 ».

Deze afdrukken stellen ons voor een raadsel, waarmee wij deze studie zullen besluiten.

HET RAADSEL VAN DE BLOEDVLEKKEN

Er is één enkele vlek die gemakkelijk verklaard kan worden : diegene die van de rand van de rechterhiel op het linnen is gevloeid en daar een spoor heeft achtergelaten (fig. 15).

Maar hoe moeten we het ontstaan van de andere vlekken verklaren ? Hoe is het bloed overgegaan van het Lichaam op het linnen ? Gewoon door contact tussen beide, menen de meeste auteurs in navolging van Vignon en Barbet. Wij geloven daar evenwel niets van.

Fig. 18 : De Romeinse zweep was voorzien van leren riempjes waaraan loden bolletjes of schapenwervels vastgemaakt waren. De veroordeelde onderging de geseling volledig naakt, zoals we duidelijk kunnen vaststellen op de Lijkwade.

Iedereen kan zien dat de bloedklonters niet uitgelopen zijn op het weefsel, in tegenstelling tot wat altijd het geval is met verbanden : daarop worden afdrukken nagelaten die helemaal niet meer overeenstemmen met de vorm van de overeenkomstige wonde. Op de Lijkwade echter zijn de vlekken zo scherp afgelijnd dat we aan de pols de hoek kunnen meten die het gekruisigde Lichaam ten opzichte van de armen heeft gevormd en aan de slapen de hoek waarin het hoofd zijwaarts gebogen was (38 tot 40°). Zelfs wanneer het bloed week gemaakt was door de vochtigheid van het graf, kon het zich toch niet met zulke precisie aftekenen.

Wij hebben op de onderarmen met grote duidelijkheid de bloedstroompjes tussen pols en elleboog kunnen waarnemen. Hoe zijn zij zo afgetekend kunnen blijven terwijl men Jezus toch van het Kruis heeft afgenomen, Hem vervoerd heeft naar het graf en met geweld de bovenste ledematen, verstijfd door de rigor mortis, heeft gekruist over de schaamstreek ?

Wij hebben ook de bloedstroom bestudeerd die van de wonde in de zijde naar de lendenen loopt. Vermits het bloed van de ene naar de andere zijde gevloeid is, waarbij de bloedstraaltjes elkaar kruisten, was er geen contact met het linnen : het weefsel zou het bloed tegengehouden hebben. Hoe is het bloed dan op de Lijkwade terechtgekomen ? Tot op heden moet ik het antwoord op die vraag schuldig blijven.

Nochtans hebben wij ook bewezen dat elk van deze vlekken zeer exact weergeeft hoe een bloedvlek zich aan de oppervlakte van een wonde vormt. De diagnose van deze wonden laat niet de minste twijfel toe over de identiteit van het Slachtoffer : het met doornen gekroonde hoofd, het gegeselde lichaam, de doorboorde polsen en voeten, de lanssteek in de zijde – alles komt overeen met de evangelische verslagen over het Lijden van Christus. De bloedvlekken afkomstig van deze wonden komen al evenzeer overeen met de gegevens van de anatomie, de fysiologie van bloedsomloop en bloedstolling en de neurofysiologie, evenals met onze kennis van het zenuwstelsel.

We moeten dus alle feiten onder ogen zien en besluiten :

1° het bloed is, overeenkomstig de wetten van de natuur, uit het gemartelde lichaam van Jezus Christus gevloeid dat in deze Lijkwade gewikkeld was ;

2° de vorming van deze bloedvlekken kan niet op natuurlijke wijze verklaard worden ; de Amerikaanse onderzoekers zouden zeggen dat het een « onopgelost mysterie » blijft.

Dit is misschien het duidelijkste resultaat van dit proefondervindelijk onderzoek dat ik in navolging van Pierre Barbet op het getouw heb gezet. Zelfs al was ik agnosticus, dan zou ik toch in mijn hoedanigheid van wetenschapper moeten verkondigen : dit weefsel omhulde het lichaam van een gekruisigde die zoveel bijzonderheden vertoont dat er in de geschiedenis maar één persoon is die hieraan beantwoordt, namelijk Jezus Christus, onze Heer, aan wie de Lijkwade toegeschreven wordt.

Met dit Lichaam is iets buitengewoons gebeurd. We worden hier geconfronteerd met het historische feit van de Verrijzenis van dit Lichaam, dat weer tot leven werd gewekt door een ziel die er vol macht en majesteit bezit van nam. Dit Lichaam liet vervolgens op de Lijkwade zijn plots weer levend geworden bloed achter, waardoor de heilige stigmata van zijn pijnlijke Passie afgebeeld werden.

CONCLUSIE DOOR ABBÉ DE NANTES

In de sobere, maar passionerende uiteenzetting van dokter Pierre Mérat moeten we zowel de bescheidenheid van de geleerde die zijn ontdekkingen verhaalt bewonderen als de eenvoud van de onderzoeker die de lacunes in zijn kennis toegeeft. Bijzonder boeiend vind ik de ontdekking, in de voetwortels van de Gekruisigde, van de plaats waar de spijker doorheen geslagen werd. Naar analogie met de ruimte van Destot, die Barbet in de polsen gevonden had, is er nu een ruimte van Mérat !

Het werk van Pierre Mérat bevestigt de zekerheid die reeds voortvloeide uit de opzoekingen van Vignon en Delage in 1902 en van Barbet in 1933 : de H. Lijkwade kan geen vervalsing zijn, omdat de vervalser dan over een anatomische en fysiologische kennis zou moeten beschikken die de onze nog overtreft ! De verbazing van de dokter over de bloedvlekken is in die zin nog overtuigender dan zijn vernuftige verklaringen in verband met het realisme van de kruisiging. Dit alles nodigt ons uit tot verder onderzoek...

Hij is verrezen ! nr. 140, maart-april 2026

 

Zie de laatste foto van deel 1, De oosterse voorgeschiedenis van de Relikwie.

Meer uitleg volgt in deel 3 van deze studie.

Zie deel 1, fig. 3 : de Christus van Dafni.

The Coronation of Thorns in the light of the Shroud, in Shroud Spectrum International, dec. 1981.

Deze stoot naar het hart vanaf de rechterkant was waarschijnlijk klassiek in de wapenkunst, omdat de tegenstander zijn linkerzijde beschermde met zijn schild. De honderdman was uiteraard van die tactiek op de hoogte.

Om die reden braken de beulen de benen van de twee moordenaars die naast Jezus hingen en nog leefden : zo bespoedigden zij hun dood die moest intreden vóór de sabbat (Jo 19, 32).

Broeder Bruno Bonnet-Eymard, Le Saint Suaire, tome I, no 144, p. 13-14.