Wetenschappelijk eerherstel
Voor de H. Lijkwade van Turijn

3. Fysische en chemische
aspecten van de Afbeelding

door broeder Bruno Bonnet-Eymard

In dit derde deel probeert broeder Bruno, in de hoedanigheid van exegeet lid van het Internationaal Congres voor Sindonologie (Turijn 1978 en Bologna 1981), te antwoorden op twee vragen. Ten eerste : welke zijn de natuurkundige en scheikundige eigenschappen van de afdrukken op de Lijkwade ? Ten tweede : welk soort van oorzaak, procedé of techniek zou aan de basis van die afdrukken kunnen liggen ?

DEZE beide vragen vatten eigenlijk het hele programma samen van het Amerikaanse Shroud of Turin Research Project (STURP) dat doorging in oktober 1978, na twee jaren van intense voorbereiding (1976-1978). Nooit tevoren of erna is er zo’n groots opgezet onderzoek van de H. Lijkwade geweest, waarbij alle mogelijke disciplines betrokken werden.

Fig. 1 : Macrofotografie van de bloedvlek op het voorhoofd in de vorm van een omgekeerde 3 zoals ze verschijnt op de achterzijde van het weefsel. Terwijl er van de afbeelding van het lichaam niets te zien is op de achterkant, is er wel degelijk echt bloed doorheen de Lijkwade gegaan (cliché Schwortz, STURP).

Alleen het antwoord op de eerste vraag heeft de algemene consensus van de leden van de STURP kunnen wegdragen : « In het huidige stadium kunnen wij besluiten dat de afbeelding van de Lijkwade deze is van de werkelijke menselijke vorm van een gegeselde en gekruisigde man. Zij is niet het werk van een kunstenaar. De bloedvlekken zijn samengesteld uit hemoglobine en geven ook een positief resultaat bij de albuminetest » (Preliminary Results of the 1978 Shroud of Turin Investigation).

Deze duidelijke woorden zijn de bekroning van een grondig en minutieus onderzoek, maar meer nog van de tweeduizend jaar oude traditie van de Kerk. Die traditie wordt er op overduidelijke wijze door gerechtvaardigd en ze geeft op haar beurt aan het uitgevoerde onderzoek het karakter van een absolute zekerheid 1.

« DE WERKELIJKE MENSELIJKE VORM VAN EEN MAN »

De eeuwenoude overlevering, die we uiteengezet hebben in deel 1 van deze studie (De oosterse voorgeschiedenis van de Relikwie), verklaarde reeds dat de afbeelding van de Lijkwade die van een gegeselde en gekruisigde man is en dat de naam van deze man Jezus Christus is. Precies dat is het wat de massa’s aantrekt wanneer men de Relikwie uit haar reliekschrijn haalt.

Nochtans gebeurde deze bevestiging door de traditie tot in 1898 tegen alle uiterlijke schijn in. Want wat zag de pelgrim die Jeruzalem, Edessa, Constantinopel, Lirey, Chambéry of Turijn bezocht ? Zeer vage en moeilijk te onderscheiden afdrukken, zoals ze weergegeven worden op fig. 3. Deze afdrukken vormen in het midden van een groot stuk linnen, vergeeld door de ivoorkleurige patina van zovele eeuwen en in zwak contrast ermee, twee silhouetten zonder duidelijke aflijning en bijna onzichtbaar. De gezichtsafdruk staat daarbij tegenover de afdruk van het achterhoofd. Men ziet een naakt en gekwetst lichaam van een man, op natuurlijke grootte, ongeveer 1,80 m lang en bevlekt met bloed.

De Amerikaanse geleerden zeggen nadrukkelijk : « Het is niet het werk van een kunstenaar. » Dat is het minste wat men kan zeggen ! De afbeeldingen in kwestie missen elke esthetische waarde. De moderne pelgrim heeft meer nog dan die uit vorige eeuwen reden te over om ontgoocheld te zijn over de onaantrekkelijke aanblik, nog geaccentueerd door de sporen van de brand van Chambéry en de opgenaaide stukken stof die, om de schade te herstellen, de silhouetten langs beide zijden omgeven. Tot overmaat van ramp heeft het water dat op het doek werd geworpen om het vuur te doven ruitvormige sporen achtergelaten, omringd met vuile zwarte randen, die over de hele lengte de overeenstemmende verbrande delen met elkaar verbinden.

EEN ECHTE FOTO !

De ontdekking die don Noël Noguier de Mali­jay 2 in 1898 deed door voor de eerste maal de H. Lijkwade te laten fotograferen, heeft op een totaal onverwachte manier gelijk gegeven aan de volksdevotie. Het cliché van de foto bracht aan het licht dat de sinds eeuwen vereerde vlekken ondanks hun onaantrekkelijk voorkomen wel degelijk het portret ten voeten uit waren, maar dan als negatief, van een echte man, groot en goed gebouwd, met een bewonderenswaardig nobel voorkomen, wat onderlijnd wordt door de majestueuze houding van het hoofd dat losstaat van de schouders (fig. 4).

Positief noemt men een fotografische afbeelding waarop de lichte delen van een voorwerp licht verschijnen en de donkere donker. « Positieve » afbeelding wil dus zeggen : volstrekt uiting gevend aan de werkelijkheid. Negatief noemt men het omgekeerde : de donkere delen licht en de lichte donker. Een « negatieve » afbeelding wordt door deze omkering van lichtwaarden nietszeggend. Zo is het negatief van de foto van pater Filas (fig. 2) onbegrijpelijk als men het niet ziet in het licht van de positieve foto.

Fig. 2 : Fotografisch negatief van pater Filas. De omkering van de lichtwaarden maakt de afbeelding onduidelijk, net zoals het origineel op de Lijkwade.

Op Secondo Pia’s negatief van de H. Lijkwade (fig. 4) wordt de achtergrond donker, terwijl die in werkelijkheid licht is ; de twee donkere lijnen, sporen van de brand van Chambéry, worden helder. Evenwijdig aan de twee lijnen die symmetrisch over heel de lengte van het doek lopen, verschijnen donkere driehoeken : het zijn de in werkelijkheid lichte stukken die er opgenaaid zijn door de clarissen van Chambéry. Maar dan komt het ongewone, het verbijsterende, het volstrekt ongehoorde dat in 1898 plots ontdekt werd toen de Relikwie voor de eerste maal werd gefotografeerd : tussen de twee parallelle lijnen tekent zich duidelijk een perfect positief beeld af. Uit het halfduister van het weefsel duikt de weergave op van een echt menselijk lichaam van een atletische schoonheid.

Besluit : vermits het fotografische negatief van de H. Lijkwade de positieve afbeelding van een reële man voortbrengt, komt de onduidelijke weergave die we op de Relikwie zien overeen « met een soort fotografisch negatief », naar de woorden van don Noguier. « Een soort negatief », zei de salesiaan duidelijk, want de Lijkwade is geen fotografische plaat ! Overigens werd de oppervlakte van het weefsel niet bedrukt door het op het lichaam weerkaatste licht zoals een fotofilm zou bedrukt geweest zijn. Het is het reliëf van het lichaam dat zijn afdruk heeft nagelaten : de neus, de borstspieren, de voorarmen, de buik die men ziet vooruitspringen boven de gekruiste handen, de knieën.

DRIEDIMENSIONAAL

Don Noguier had er al een geniaal vermoeden van : « Toen ik vaststelde dat het reliëf van het lichaam was weergegeven in donkere kleur, terwijl de ingevallen of diepere delen licht waren, heb ik niet geaarzeld de afbeelding van de Lijkwade te vereenzelvigen met een soort van negatief fotografisch cliché. »

De wetenschappelijke hypothese ligt hier in het verlengde van het vermoeden dat aan de basis lag van de eeuwenoude bewondering en devotie. Deze vormeloze vlekken werden altijd al beschouwd als de authentieke afdrukken van het lichaam van Jezus zelf, omdat het reliëf van het lichaam wordt weergegeven met een intensiteit die omgekeerd evenredig is met de afstand van het lichaam tot het weefsel. Zo wordt de neusbrug, die contact maakt met het linnen, het meest intens weergegeven : we zien op de Lijkwade een donkere streep. De neusvleugels worden daarentegen minder en minder donker naarmate zij zich van het linnen verwijderen en overgaan in de wangen. Daarom wordt de neus op het fotografische negatief licht van kleur en worden de zijkanten van de neus eerder donker.

Aanvullend bij de ontdekking van don Noguier stelt Gabriel Quidor vanaf 1910 dat het volstaat de intensiteit van de bruine verkleuring in elk punt te meten om de derde dimensie terug te vinden, nl. het volume van het lichaam onder het linnen. Die « driedimensionaliteit » is de unieke eigenschap die de H. Lijkwade bezit om, in de woorden van Quidor, « een afdruk door orthogonale projectie op het linnen » achter te laten, waardoor de reconstructie mogelijk wordt, « in de juiste proporties, van het lichaam dat er in gewikkeld werd ».

Rechtstreekse observatie onder de microscoop heeft het mogelijk gemaakt om, tachtig jaar later, de fysische eigenschappen van deze « afdruk door orthogonale projectie op het linnen » te begrijpen.


EEN PERFECT DRIEDIMENSIONAAL NEGATIEF


EEN OPPERVLAKKIGE AFDRUK

Bij een vergroting van vijftig maal kan men zeer goed de strogele verdonkering onderscheiden die de vezels kleurt en zo de zones van de lichaamsafdruk vastlegt. Deze verkleuring is beperkt tot de oppervlaktevezels en dan nog uitsluitend tot de bovenste rand van deze vezels. De verkleuring is zodanig oppervlakkig dat een vezel een witte vlek vertoont op de plaats waar een andere vezel over de eerste ligt : degene die bovenligt, heeft de onderste beschermd tegen de vergeling.

De verkleuring is niet alleen oppervlakkig, maar bovendien ook nog uitermate éénkleurig en gelijkmatig. De kleurnuance van elke gele vezel op zich blijft overal dezelfde, zowel in de lichte als in de donkere zones, zonder enig spoor van verzadiging. Aldus vertonen de afdrukken van buik- en rugzijde dezelfde relatieve kleurverdeling, terwijl men zich toch zou verwachten aan een zeer diepe verkleuring op de rugzijde. Niets daarvan ! De intensiteit van de afbeelding wordt uitsluitend bepaald door de dichtheid aan gekleurde vezels.

CHEMISCH ZUIVER

Gekleurd door wat ? Door helemaal niets ! Wat blijft er over wanneer alle specifieke testen zowel organische als anorganische pigmenten hebben uitgesloten ? Onze vriend, de scheikundige John Heller, zei : « een grote ronde nul », waarmee hij uiting gaf aan de verbijstering van heel het team.

Doorslaggevend in dit verband was het onderzoek met X-stralen. Dit heeft alleen maar de aanwezigheid van calcium, strontium en ijzer aan het licht gebracht, die voorkomen in natuurlijk water en zich op de cellulose hebben vastgezet tijdens de periode waarin het linnen werd geweekt. Deze stoffen hebben geen enkel verband met de afbeelding, vermits ze gelijkmatig over heel de oppervlakte van het weefsel zijn verspreid. Het ijzer vormt hierop een uitzondering : omdat het meer voorkomt in de zones die de kleur van bloed hebben, vormt het de eerste aanduiding die op de identificatie van bloed kan wijzen, vermits bloedporfyrine een ijzeratoom bevat.

De radiografie versterkt dit resultaat : bij deze methode wordt enkel de ruitvormige omtrek weerhouden van de “ watervlekken ”, die geladen zijn met ijzeroxide. Maar elke afbeelding verdwijnt, zelfs de bloedvlekken.

Hetzelfde resultaat met spectrofotometrie. Tot grote spijt van Walter McCrone – een beruchte tegenstander van de authenticiteit – vertonen de reflectiecurven die Roger Gilbert verkreeg met de Lijkwade een morfologie die volledig verschillend is van het reflectiespectrum van een vlek ijzeroxide. Niettemin blijft McCrone zich verdedigen door te stellen dat Gilbert incompetent is inzake spectrofotometrie ! De wetenschappelijke waarheid noopt er nochtans toe te herhalen dat de afbeelding gemaakt is zonder enige hulp van buitenaf. Zij ontstaat alleen uit het contrast tussen enerzijds de geoxideerde en gedehydrateerde vezels en anderzijds de ivoorkleurige achtergrond van de stof.

DE BLOEDVLEKKEN

De enige inbreng van buitenaf, waarneembaar met het blote oog, bestaat uit de donkerrode bloedvlekken die vrijwel overlopen in de monochrome kleur van de afdrukken, maar die duidelijk zichtbaar zijn op detailvergrotingen. Er is bloed dat uit de hoofdwonden vloeide, vooraan en in de nek, maar ook bloed dat over geheel het lichaam terug te vinden is en vooral op de rug, op de plaatsen waar wonden zijn ontstaan door de zweepslagen. Men ziet ook op de linkerhand, op de onderarmen en op de voeten het bloed van de kruisiging en aan de rechterzijde het bloed dat uit het doorboorde hart gevloeid is.

Op de drempel van de moderne tijd, toen de uitstallingen van de H. Lijkwade in Lirey begonnen, hernieuwden deze bloedige wonden de stigmata die de Poverello van Assisi een eeuw tevoren in zijn eigen lichaam mocht ontvangen. De bloedvlekken op de Relikwie vormden gedurende vijf eeuwen de grondslag voor de overtuiging van de opeenvolgende pausen. Het verslag van de clarissen van Chambéry, die in 1534 werden belast met de reparatie van de brandschade uit 1532, toont aan dat ook zij ditzelfde aspect, waarvan wetenschappers vandaag overtuigd zijn, als onbetwijfelbaar beschouwden.

Terwijl ze de door het vuur beschadigde delen verstelden, merkten de clarissen op dat « er zich op de linkerzijde van het voorhoofd een bloedstraal bevindt die, langer en breder dan de andere, als een kleine slang naar beneden loopt. [...] Men ziet dat de achterzijde van het hoofd werd doorboord door lange en dikke doornen. Deze komen zo veelvuldig voor dat men er kan uit opmaken dat de kroon gemaakt was in de vorm van een hoed en niet als een koningskroon in cirkelvorm, zoals de schilders het hebben weergegeven. Wanneer men aandachtig kijkt, ziet men dat de achterzijde van het hoofd meer gehavend is dan de rest en dat de doornen dieper zijn doorgedrongen, gepaard gaande met grote bloeddruppels die zijn samengeklit met de haren. »

Zij spreken verder over « bloedstromen » op de voorarmen, over « de wonde in de goddelijke zijde, drie vingers groot » en over « de schouders die geheel gehavend en gekneusd zijn door de zweepslagen die overal terechtkwamen en sporen nagelaten hebben die zo groot zijn als marjoleinbladeren ». Ze voegen er nog aan toe : « Toen de Lijkwade uitgestrekt was over het Hollandse doek [het fijne linnen waaraan ze ter bescherming moest vastgehecht worden] en we er van onderaf naar keken, zagen we de vlekken alsof we doorheen een glazen plaat keken » 3.

Wat zal men hier het meest bewonderen : de tedere devotie van deze moderne Veronica’s of de wetenschappelijke precisie van hun waarnemingen ? Zij komen zelfs niet op het idee de aanwezigheid van dit goddelijke bloed dat zij aanbidden in twijfel te trekken. En welke wetenschapper zou hun ongelijk geven, met de radiografieën in de hand waarop men noch de afbeelding, noch het bloed ziet ? Dit is immers het bewijs dat het hier gaat om echt bloed en niet om een mengeling van ijzeroxide en rode kleurstof, zoals McCrone beweerde en zelfs bewezen achtte 4.

Fig. 5 : Het team van de STURP begint op 8 oktober 1978 in de bibliotheek van het koninklijk paleis in Turijn met het wetenschappelijke onderzoek van de Lijkwade (cliché Schwortz).

ALBUMINE EN BILIRUBINE

In 1978 konden Samuel Pellicori en Vernon Miller in Turijn vaststellen dat onder ultravioletbelichting het bloed zwart leek en dus zijn kleur verloor en de natuurlijke fluorescentie van het weefsel wegnam, met uitzondering van de omtrek van de vlekken waar een lichtkring waarneembaar was. Dit was een sterk vermoeden ten voordele van de aanwezigheid van echte bloedklonters en van albumine, een vermoeden dat later bevestigd werd door middel van honderden tests uitgevoerd door John Heller en Alan Adler op microstalen meegebracht uit Turijn door Ray Rogers.

De clarissen van Chambéry hebben in 1534 het serum niet gezien : het is onzichtbaar voor het blote oog en blijft dit ook bij gewone fotografie. Maar de ultravioletbelichting heeft in 1978 onomstootbaar de aanwezigheid ervan aangetoond op de omtrek van de bloedvlekken en de wonden van de geseling.

Uit de oppervlaktevezels afkomstig uit Turijn hebben Heller en Adler een zekere hoeveelheid van dit kostbare Bloed kunnen verzamelen. Op de plaats waar het gestolde bloed de vezels bedekte, was het vaak gebarsten in langwerpige deeltjes, half buisvormig. Zij noemden deze deeltjes “ scherven ”, shards, en bewezen dat het wel degelijk om bloed ging : door de rode fluorescentie van de porfyrine onder UV-belichting en door de spectrofotometrie die de Soret-band liet zien, wat karakteristiek is voor hemoglobine.

Beide geleerden bevestigden de aanwezigheid van albumine rond de bloedklonters door het testen van “ honinggele ” vezels afkomstig uit zones nabij de bloedvlekken en rondom de geselwonden. Tenslotte hebben ze de bloedvlekken onderzocht op het voorkomen van bilirubine. Bilirubine is het voornaamste pigment van de gal en ontstaat door de afbraak van rode bloedcellen ten gevolge van een slechte behandeling. De Man die zijn bloed heeft nagelaten op de Lijkwade heeft dus korte tijd tevoren verschillende slagen en wonden ontvangen.

Het was de scherpzinnige Adler die zoals altijd de nagel op de kop sloeg toen hij verklaarde dat de “ vervalser ”, die in de middeleeuwen in volledige overeenstemming met de biochemie een bloedvlek had gesimuleerd, met de enige bedoeling exact de evangelische verslagen te volgen, werkelijk een uitmuntend vervalser was !

« MET DE HANDEN GESCHILDERD »? OF EEN « WRIJFSEL »?

« De afbeelding is een blijvend mysterie (an ongoing mystery) en het probleem zal onopgelost blijven totdat verdere chemische studies worden gemaakt, hetzij door deze groep wetenschappers, hetzij door andere wetenschappers in de toekomst » (Preliminary Results of the 1978 Shroud of Turin Investigation). Dit was het laatste woord in het onderzoek van de STURP en meteen de status quaestionis.

Voor McCrone is er helemaal geen mysterie. De H. Lijkwade werd « met de vingers » geschilderd met behulp van gelatine en ijzeroxide 5. Men moet dit letterlijk opvatten : de kunstenaar werkte volgens hem zonder penselen, met de blote hand ! Het is louter « toeval » dat het resultaat een meesterwerk is, een perfect driedimensionaal negatief (zie fig. 4). Een echt... mirakel !

Fig. 6 : Infraroodfotografie toegepast op het kostbare weefsel (cliché Schwortz).

De beweringen van McCrone houden geen steek. Zij werden reeds honderdmaal weerlegd. Zelfs zijn onderzoek van de kaart van Vinland, die hem internationale faam bezorgde, is zonder wetenschappelijke waarde 6. Het spreekt voor zich dat het krediet dat men hem nog steeds verleent onrechtmatig is toegeëigend en kunstmatig wordt in stand gehouden om alles behalve wetenschappelijke redenen.

Fig. 7 : Ray Rogers en John Jackson kijken toe terwijl Giovanni Riggi de achterzijde van de Lijkwade toont, die tot op het moment van onderzoek vastgehecht was aan het Hollandse doek waarop de clarissen van Chambéry de Relikwie genaaid hadden (cliché Schwortz).

Joe Nickell is de medeplichtige van McCrone, door in zijn systeem een opvallend afleidingsmanoeuvre in te bouwen om het te bevestigen. Een geslaagde truc van deze Amerikaan die van beroep illusionist is ! Hij stelt voor een plank in bas-reliëf te beeldhouwen, deze nat te maken en vervolgens in te smeren met een mengsel van ijzeroxide en van gelatinelijm (alle ingrediënten van McCrone !). Op deze plank brengt men dan een doordrenkte linnen doek aan, men laat die drogen en begint dan te wrijven... men zal in negatief het getrouwe beeld van de afbeelding op het bas-reliëf zien verschijnen. Dit wordt vervolledigd door bloedvlekken te simuleren met een mengsel van ijzeroxide en rode kleurstof. Rest alleen nog een foto te nemen.

Opgelet, beste lezer, hij speelt vals ! Hij zal u niet het resultaat van zijn « wrijven » laten zien : vormeloze vlekken die een middeleeuwse kunstenaar dadelijk zou hebben verworpen, omdat hij ze niet zou begrijpen en zou denken mislukt te zijn in zijn « poging tot vervalsing ». Ten tweede neemt hij een loopje met de chemie. De wetenschappers hebben overvloedig aangetoond dat de afbeelding van de Lijkwade niet gemaakt is van gelatine en ijzeroxide en dat het bloed niet geschilderd is met een rode kleurstof. De zogezegde vervalser zou dus de bloedvlekken “ geschilderd ” hebben met echt bloed ; hij zou de omtrek van elk van de zweepslagen “ geschilderd ” hebben met albumineserum, dat onzichtbaar is voor het blote oog, met de bedoeling dat een toekomstig ultraviolet-onderzoek deze wonden fluorescerend zou maken !

Dit alles zou geen ernstige discussie waard zijn, ware het niet dat het resultaat van de koolstof-14-analyse plotseling terug de schijnwerper richtte op Nickell en zijn belachelijke theorie...

De agnosticus Yves Delage, lid van de Academie voor Wetenschappen, verklaarde al in 1902 (!) : « Aangezien de lijkwade authentiek is sinds de 14de eeuw en als de afbeelding een schilderwerk zou zijn afkomstig van een vervalser, zou er in die periode een kunstenaar moeten geleefd hebben die in staat was een werk tot stand te brengen dat nauwelijks binnen het vermogen van de grootste schilders van de renaissance ligt ; en dan zou deze kunstenaar onbekend moeten gebleven zijn. Dat is al moeilijk te geloven voor een positief geschilderde afbeelding ; het wordt helemaal ongeloofwaardig als men bedenkt dat ze in negatief is geschilderd, dat ze in die vorm geen enkel esthetisch karakter heeft en dat zij slechts haar waarde krijgt als men licht- en schaduwplekken omwisselt en daarbij rigoureus hun ligging en waarde in het oog houdt », wat onmogelijk is tenzij door de in de 14de eeuw nog ongekende fotografie (Revue scientifique, 1902, p. 684).

MACABERE HERSENSPINSELS

Men kan nog absurder te werk gaan. Jacques Evin beschouwt het C14-resultaat als « onomstotelijk ». In een woelige discussie heb ik hem alle authenticiteitsbewijzen voor de voeten geworpen die wij hier aanhalen en die alle uitmonden in het « onomstotelijke » besluit van de STURP : de H. Lijkwade heeft werkelijk het lichaam omvat van een gegeseld en gekruisigd man.

Maar Evin heeft een verklaring : « Het is heel simpel. In de 13de-14de eeuw heeft men een man gekruisigd. Men heeft hem in deze lijkwade gewikkeld en toen men hem eruit wilde verwijderen, waren de afdruk van zijn lichaam en zijn bloedvlekken erop aanwezig. Men is dan tot het besluit gekomen dat dit een zeer mooie lijkwade van Christus zou kunnen zijn. » Letterlijk ! Deze “ theorie ” werd trouwens in gelijklopende termen overgenomen door Yvonne Rebeyrol in Le Monde van 2 november 1988 : « Een lijden analoog aan datgene wat Christus heeft ondergaan en dat in de 13de eeuw misschien werd opgelegd aan een man die dit al dan niet vrijwillig deed (want er waren flagellanten van wie de uitwassen werden veroordeeld door de Kerk). »

Fig. 8 : Uiterst sterke vergroting van vezels van de Lijkwade die bevlekt zijn met bloed.

Overigens was Mgr. Jean-Charles Thomas, bisschop van Versailles, op serene wijze dezelfde mening toegedaan : « De Lijkwade van Turijn is een uitmuntend voorwerp van vroomheid, of het nu werkelijk een reliek van Christus is of van een gemartelde man die op gelijkaardige wijze geleden heeft » (Le Monde, 15 oktober 1988).

Verontwaardigd antwoord van dokter Luigi Malandrucco, hoofdgeneesheer radiologie aan de Sint- Pieterskliniek in Rome : « Als we, zoals kardinaal Ballestrero, van oordeel zijn dat het ¹⁴ C-onderzoek een definitief oordeel velt, dan moeten wij toegeven dat in de middeleeuwen iemand op een levende mens een realistische reconstructie heeft toegepast van het lijden van Christus. In dat geval hebben we te doen, neem me niet kwalijk, met een macaber voorwerp dat geen icoon genoemd kan worden » (Trenta giorni, 10 november 1988).

ONMOGELIJKE “ VAPOROGRAFIE ”

Maar hoe heeft het lichaam van een man in de 13de of 14de eeuw zijn met bloed bevlekte afdruk op dit weefsel kunnen achterlaten met de eigenschappen die we besproken hebben ? In de officiële resultaten stelt de STURP vast : « Vanuit wetenschappelijk standpunt bestaat het fundamentele probleem erin dat bepaalde verklaringen die chemisch als geldig kunnen worden aanvaard, vanuit fysisch standpunt uitgesloten zijn » en omgekeerd (Preliminary Results of the 1978 Shroud of Turin Investigation).

Zo zijn er bv. de bloedklonters en de wonden van de geseling met hun kringen van serum. Zij getuigen uitdrukkelijk van een anatomische en een biochemische waarheid en veronderstellen een rechtstreeks contact van het linnen met een menselijk lichaam dat op deze wrede wijze verwond werd. Maar de driedimensionaliteit van de lichaamsafdruk postuleert daarentegen een werking op afstand. Het lijkt een onoverkomelijke tegenstrijdigheid !

Paul Vignon trachtte de chemie en de fysica te verzoenen door middel van de vaporografie. Volgens deze theorie, vanaf 1902 uitgewerkt in samenwerking met René Colson, zouden de bloedvlekken kunnen verklaard worden door een rechtstreeks contact tussen de stof en het gestolde bloed dat opnieuw vochtig werd door ammoniakdampen, afkomstig van het lichaam gedurende het verblijf in het graf. Deze dampen, ontstaan door de gisting van het ureum (het belangrijkste bestanddeel van de urine), zouden daarenboven het met aloë en mirre doordrenkte linnen bruin gemaakt hebben, vooral op die plaatsen waar er contact was met de vooruitstekende delen van het lichaam.

Maar in 1936 toonden experimenten van Dr. Jean Volckringer aan dat deze theorie geen steek hield : de veronderstelde “ dampen ” werken alleen vanop afstand en helemaal niet wanneer er rechtstreeks contact is. De onderzoeken door de STURP op de Lijkwade in 1978 maakten aan de stelling van de vaporografie een definitief einde : onder de microscoop vond men geen enkel spoor van de verspreiding van dampen, noch aan de oppervlakte, noch in de strogele vezels die de afbeelding vormen.

OXIDATIE, DEHYDRATIE EN BUNDELING

Op basis van de onoverkomelijke tegenstelling tussen de chemische en fysische eigenschappen van de afdruk stelt het rapport van de STURP : « De wetenschappelijke consensus is dat de afbeelding werd geproduceerd door iets dat zich vertaalt als een oxidatie, een dehydratie (uitdroging) en een conjugatie (bundeling) van de polysacharide-structuur van de microvezels van het linnen zelf ». Heller geeft toe dat dit voor de niet-ingewijde lezer waarschijnlijk even opwindend is als het lezen van een telefoonboek. « Maar wij, biochemici, krijgen er grijze haren van. »

De vaststelling dat een intrinsieke verandering van de cellulose van het linnen de oorzaak is van de afbeelding, heeft hen toegelaten zelf « afbeeldingsvezels » te maken door vezels zónder afbeelding onder te dompelen in geconcentreerd zwavelzuur. Na verloop van dertig minuten hadden deze dezelfde kleur en chemische samenstelling als de afbeeldingsvezels. Dezelfde microscopische corrosie en dezelfde thermo-grafische eigenschappen.

Het rapport gaat daarom verder : « Dergelijke transformaties kunnen gereproduceerd worden in het laboratorium door bepaalde chemische en fysische processen. Men kan via zwavelzuur of via warmte een identiek type verandering teweegbrengen in het linnen. »

Het blijft echter een feit dat niemand in een labo monochrome, negatieve, driedimensionale afbeeldingen kan produceren – noch via zwavelzuur, noch via warmte, noch op enige andere denkbare manier. Overigens zou schilderen met zwavelzuur niet alleen de penselen vernietigen, maar ook een verspreiding van deze stof via de haarvaatjes teweegbrengen. En elke warmtebron straalt op een diffuse wijze, wat erop neerkomt dat dit even onmogelijk is als de vaporografie.

EEN « VERSCHROEIING »

Men moet dus toegeven dat « geen enkele gekende chemische of fysische methode uitsluitsel kan geven over de totaliteit van de afbeelding en dat geen enkele combinatie van fysische, biologische, chemische of medische omstandigheden op afdoende wijze de beeltenis kan verklaren. »

Nochtans is één zaak de onderzoekers opgevallen : de afbeelding van de Lijkwade vertoont alle fysische en chemische eigenschappen van een lichte verschroeiing. In die zin biedt de Relikwie zelf alle vergelijkingselementen aan, omdat zij de sporen draagt van twee branden. De lichaamsafdruk vertoont de grootste gelijkenis met de sporen van de eerste brandvlekken, die dateren van vóór 1192 7.  Dezelfde eigenschappen van spectrale reflectie, dezelfde fluorescentie.

Iedereen die een gewone kleurenfoto van de Lijkwade bekijkt (fig. 3) kan dit trouwens vaststellen. Alles lijkt monochroom : de kleuren van de brandvlekken, die van de watervlekken, de afbeelding van het lichaam zelf en op de achtergrond het weefsel dat ook dezelfde tint heeft. De symmetrie van de door het water nagelaten sporen toont aan dat dit water door het linnen werd geabsorbeerd zonder door de afbeelding gehinderd te zijn. Alleen daar waar het water in contact kwam met de bloedklonters kan men een licht oponthoud vaststellen. Want die klonters vormen het enige aanwezige organische element dat chemisch aantoonbaar is. De vezels werden erdoor aaneen geklit en hebben op die manier de verspreiding van het water tegengewerkt.

De afbeelding van het lichaam heeft geen enkele verandering ondergaan in het vuur van de brand van Chambéry of ten gevolge van het water dat op het linnen werd gegooid om de vlammen te doven. Deze weerstand tegen vuur en water suggereert zeer sterk de idee van homogeniteit, van een nauw verband tussen de afbeelding van het lichaam en de verschroeiing door brand. Deze idee drong zich met kracht op aan Schwalbe en Rogers, getuige hiervan hun rapport van 1982, opgesteld met nauwgezette wetenschappelijke precisie 8.

EEN « ZONNEFLITS »

Aan gelijkaardige “ gevolgen ” moet men dezelfde “ oorzaken ” toekennen. Welk soort verbranding, welke brand kunnen we plaatsen aan de oorsprong van de afbeelding op de H. Lijkwade ?

Schwalbe en Rogers brengen scrupuleus verslag uit van de staat van hun onderzoek : « Onze eigen experimenten met sterke flashlampen en infrarood- en ultravioletlasers hebben de densiteit en de kleurenverdeling, waargenomen op de Lijkwade, niet kunnen weergeven. » Daarom is vandaag « de meest waarschijnlijke hypothese dat de afbeelding van de Lijkwade het gevolg is van een lichte verschroeiing, ontstaan ten gevolge van temperaturen lager dan die welke zouden volstaan om het textiel volledig te verkolen » (Schwalbe en Rogers, art. cit., p. 27). Adler suggereert « een bepaald verwarmingsproces aan een lage temperatuur, ofwel aan een hoge temperatuur gedurende een extreem korte tijd. »

Alleszins is het zeker dat de wetenschap zich hier op de grens bevindt van wat kan onderzocht worden. Vignon voorzag al in 1939 dat we te maken hebben met « iets buitengewoons dat de wetenschap overweldigt ». Het eerste experimentele onderzoek van de Brit Geoffrey Ashe op de « verschroeiing » leidde in 1966 tot volgend besluit : « De Lijkwade kan alleen verklaard worden wanneer zij een menselijk lichaam heeft omhuld waarmee iets buitengewoons is gebeurd. » Het besluit van de STURP, samengevat door Adler, is ook vandaag nog gelijklopend daarmee : « Bijgevolg kunnen we ons geen enkel mechanisme voorstellen dat in overeenstemming is met het fysische onderzoek en met de analyse van de afbeelding. »

In elk geval veronderstelt de fijnheid van de afbeelding een perfecte controle over de bron van de uitstraling. En omdat het voldoende vaststaat dat deze bron het lichaam van Christus was dat gegeseld en gekruisigd werd en dat koud en bloedend op de avond van Goede Vrijdag in dit linnen werd gewikkeld, maar dat verrezen is op de derde dag, is de « oorzaak van de gevolgen » bekend : want de glorierijke Verrijzenis van Jezus in zijn Lichaam is een historisch feit dat even onbetwistbaar vaststaat als het smartelijke Lijden waarvan het weefsel de waarachtige getuige is.

Hoewel deze historische gebeurtenis, zonder voorgaande en nooit herhaald, die tweeduizend jaar geleden de wereld op zijn kop heeft gezet, geen voorwerp is van laboratoriumonderzoek, hebben bepaalde mensen nochtans een zekere ervaring gehad met de fysische eigenschappen van de « stralende heerlijkheid ». Op de weg naar Damascus is de verrezen Christus verschenen aan Sint-Paulus in « een licht » dat in staat was hem letterlijk, fysisch, « gedurende drie dagen » te verblinden (Hd 9, 3-9). Terwijl Hij op de berg Thabor bad « veranderde het uitzicht van zijn gelaat en werd zijn kleed verblindend wit » (Lc 9, 29). « Zijn gelaat schitterde als de zon, zijn klederen werden wit als het licht » (Mt 17, 2).

Ik onderstreep het woord « gelaat » omdat deze verduidelijking van de evangelisten overeenstemt met wat wij vaststellen op de H. Lijkwade en wat Paul Vignon ertoe bracht zijn vaporografische theorie zelf in vraag te stellen : « Het lijkt er dus op dat van het Aangezicht een bijzondere werking uitging, die nu fotografisch waarneembaar is door de verlichting van de Lijkwade met een dergelijke straling of door het gebruik van bepaalde platen. Maar onze thesis biedt geen afdoende verklaring voor deze werking, die op een uitstraling gelijkt » (Le Saint Suaire de Turin, 1938, p. 199).

De « zon » is in dit weefsel aanwezig geweest. Zoals abbé de Nantes, mijn geëerde overste en vader, het uitdrukte : deze afbeelding is een « zonneflits ». Daarom bevestig ik sinds 1978 en herhaal ik vandaag met een zo mogelijk nog grotere zekerheid dat de H. Lijkwade het bewijs is van de dood en de Verrijzenis van Christus.

 

Wij kunnen hier enkel maar een samenvatting geven van wat uitgebreid uiteengezet werd in Le Saint Suaire, preuve de la mort et de la résurrection du Christ (SS I), pp. 71-86 en 103-122 (voordracht gehouden aan de Sorbonne op 19 maart 1984).

Deze salesiaan was de eerste die vermoedde dat de Lijkwade een fotografisch negatief was. De Italiaan Secondo Pia, officiële fotograaf van de tentoonstelling die in 1898 doorging, was slechts de uitvoerder van het idee van don Noguier.

Léon Bouchage heeft dit Récit des religieuses clarisses ontdekt en integraal gepubliceerd in Le Saint Suaire de Chambéry à Sainte-Claire-en-ville (avril-mai 1534), Chambéry, 1896, pp. 16-26.

Wall Street Journal, 8 november 1988.

Wij hebben de zaak-McCrone uitvoerig behandeld in SS I, pp. 40-41 en 111-116.

Een groep geleerden van de universiteit van Californië leverde er het bewijs van door een tegenonderzoek. Dit leidde weliswaar niet tot een ontkenning van de authenticiteit van de kaart van Vinland, maar het toonde wel klaar en duidelijk de ongeschiktheid van McCrone voor echt wetenschappelijk onderzoek aan. Cf. La fin d’une longue imposture, CRC nr. 234, juli 1987, pp. 3-4.

« Een onhandige zwaai met een wierookvat » volgens pater Dubarle. Wilson dacht dat een « haardpook » de stof doorboord had met zijn gloeiende punt. Anderen wijzen dan weer op was afkomstig van een kaars dat zichtbaar is in de buurt van de gaten en dat blijkbaar op het weefsel gevloeid is. 

L. Schwalbe, R. Rogers, Physics and chemistry of the Shroud of Turin, Analytica Chimica Acta 135 (1982), pp. 3-49. Dit « speciale rapport » is een meesterwerk van de gespecialiseerde wetenschappelijke literatuur.