DE ACTUALITEIT DOORGELICHT
MEI 2026
HOE ISRAËL DE CHRISTENEN
WEGZUIVERT UIT HET H. LAND
Dit artikel is de Nederlandse vertaling van verschillende passages uit een essay geschreven in 2020 door Jonathan Cook, een Britse freelance journalist die zich in 2001 in Nazareth vestigde en bekend staat om zijn betrouwbare en degelijke bijdragen over het Israëlisch-Palestijnse conflict: Israel’s slow ethnic cleansing of christians from the Holy Land, verschenen op de website van The Unz Review.
De Israëlische regering heeft de gestage daling van het aantal Palestijnse christenen gebruikt om de bewering te promoten dat moslims hen uit de regio verdrijven. Maar de werkelijke schuld ligt bij Israël.
De foto van een Israëlische soldaat die met een voorhamer een groot kruisbeeld van Jezus kapotslaat in een dorp in Zuid-Libanon ging eind april viraal op sociale media. De commotie was zo groot dat zelfs gevestigde media zoals de BBC zich genoodzaakt voelden de ontheiliging ter sprake te brengen. Hun berichtgeving zat, zoals gebruikelijk, vol met “naar verluidt” en “schijnbaar”, ondanks het feit dat het Israëlische leger bevestigde dat de foto echt was.
In werkelijkheid heeft de Israëlische staat een lange en duistere geschiedenis van onderdrukking van Palestijnse christenen, als onderdeel van doelbewuste pogingen om hen te verdrijven uit de bakermat van het christendom. Waarom? Omdat de traditionele en centrale rol van christenen in de Palestijnse nationale (verzets-)bewegingen Israëls pogingen ondermijnt om een vals verhaal te verspreiden: dat van een ideologische kloof tussen enerzijds een zogenaamd joods-christelijke beschaving en anderzijds vermeende islamitische barbarij. Het bestaan zelf van Palestijnse christenen maakt het moeilijk om het simplistische relaas te handhaven dat Israël nodig heeft om de systematische uitwissing van het Palestijnse volk te rechtvaardigen.
De vernieling van het kruisbeeld heeft veel aandacht gekregen, maar is veel minder ingrijpend en afschuwelijk dan aanvallen op christelijke kerken die door de Israëlische staat worden uitgevoerd via het leger en de kolonistenmilities. De drie kerken in Gaza werden getroffen tijdens de verwoestende militaire campagne van de Israeli Defence Forces, als onderdeel van de bredere vernietiging van religieuze en culturele plaatsen die centraal staan in de identiteit van de lokale bevolking. In juli vorig jaar probeerden joodse kolonisten de 5de-eeuwse Sint-Joriskerk in Taybeh in brand te steken, de laatste volledig Palestijns-christelijke gemeenschap op de Westelijke Jordaanoever.
Een van de redenen waarom dit systematische geweld van de joodse staat tegen Palestijnse christenen decennialang zo weinig is gerapporteerd, is dat de buitenlandse christelijke Kerken ervoor gekozen hebben hun stem niet te verheffen. In het laatste deel van het onderstaande essay leg ik uit waarom zij zo terughoudend (om niet te zeggen laf) zijn geweest.
Ik woonde twintig jaar in Nazareth, de grootste Palestijns-christelijke gemeenschap binnen Israël. Dat gaf me ruimschoots de tijd om na te denken over de kwesties die ik hieronder beschrijf. Dit essay werd geschreven in de zomer van 2020, in de beginfase van de coronapandemie, die de Westelijke Jordaanoever nog geïsoleerder maakte – en nog afhankelijker van Israëls willekeur – dan normaal. Maar de ervaringen van Palestijnse christenen zijn in wezen onveranderd gebleven, wat de reden is dat ik het nu opnieuw publiceer.
OP BEZOEK IN BETHLEHEM
Het was onvermijdelijk dat, toen de coronapandemie de bezette Palestijnse gebieden bereikte begin maart 2020, zij haar eerste uitbraak zou hebben in Bethlehem, enkele kilometers ten zuidoosten van Jeruzalem op de bezette Westelijke Jordaanoever.
Personeel van het Angel Hotel in Beit Jala, een van de satellietsteden van Bethlehem, testte positief nadat zij waren blootgesteld aan een groep besmette Griekse toeristen. Israël werkte snel samen met de Palestijnse Autoriteit, de schijnregering van de Palestijnen in de bezette gebieden, om Bethlehem in lockdown te plaatsen. De Israëli’s vreesden dat het virus zich snel zou kunnen verspreiden naar nabijgelegen Palestijnse gemeenschappen, vervolgens naar de illegale joodse nederzettingen in de buurt van Bethlehem en uiteindelijk naar Israël zelf.
De Palestijnse gebieden bevonden zich echter al lang vóór de komst van het coronavirus in een soort lockdown. Israël, als bezettende macht, heeft ervoor gezorgd dat de Palestijnse bevolking zo geïsoleerd mogelijk blijft: hun stemmen gesmoord, hun ervaringen van onderdrukking en geweld grotendeels onzichtbaar voor het Israëlische publiek en voor de buitenwereld.
Maar Bethlehem, de geboorteplaats van Jezus zo’n 2000 jaar geleden, is het enige Palestijnse gebied – buiten Oost-Jeruzalem, dat illegaal door de joodse staat is geannexeerd – dat moeilijk volledig af te sluiten is. Tijdens bezoeken aan de Geboortekerk kunnen toeristen kort een glimp opvangen van het Palestijnse leven onder de bezetting.
Ongeveer vijftien jaar geleden voltooide Israël een 8 meter hoge betonnen muur rond Bethlehem. Op een gewone dag, voordat corona het toerisme stillegde, arriveerden er voortdurend bussen uit Jeruzalem met duizenden christelijke pelgrims van over de hele wereld. Ze stopten bij een opening in de muur die dienstdeed als controlepost, waar ze wachtten op toestemming van nors kijkende jonge Israëlische soldaten. Na goedkeuring reden de bussen door naar de Geboortekerk, terwijl de passagiers de chaotische graffiti op de enorme muur konden zien, als een getuigenis van zowel de afsluiting als de weerstand van de stad.
Net als de besmette Griekse toeristen konden bezoekers van Bethlehem niet vermijden om, al was het oppervlakkig, in contact te komen met lokale bewoners, meestal Palestijnse christenen. Gidsen leidden hen rond in de kerk, terwijl lokale functionarissen en geestelijken hen in rijen begeleidden naar de crypte waar ooit de stal zou gestaan hebben [sic] waarin Jezus werd geboren. Maar de meeste pelgrims bleven niet hangen om de rest van Bethlehem te verkennen en stapten snel weer in hun Israëlische bussen terug naar Jeruzalem.
EEN GLIMP VAN DE BEZETTING
De laatste jaren begon dat echter te veranderen. Ondanks de muur – of soms juist daardoor – begonnen meer onafhankelijke pelgrims en reizigers de door Israël gecontroleerde toeristische route te verlaten. In plaats van een kort bezoek bleven ze enkele nachten in Bethlehem. Kleine, vaak goedkope hotels speelden daarop in, net als restaurants en souvenirwinkels rond de Geboortekerk. Tegelijkertijd ontstond een nieuwe vorm van politiek toerisme in en rond Bethlehem. Tours richtten zich op de muur en delen van de stad en benadrukten de landonteigening door nabijgelegen joodse nederzettingen en het geweld van Israëlische soldaten die vrij de stad kunnen binnenkomen.
Een paar jaar geleden gaf de bekende Britse graffitikunstenaar Banksy een grote impuls aan deze ontwikkeling door samen te werken met een lokale gids om het Walled-Off Hotel te openen. Dit hotel, ingesloten door de muur, werd gevuld met zijn kritische kunstwerken over de bezetting, aangevuld met een galerie van Palestijnse kunstenaars en een museum over de geschiedenis van de bezetting en de methoden van controle en repressie. Het hotel bood ook dagelijkse rondleidingen aan naar Ayda, een vluchtelingenkamp bij Bethlehem, waar bewoners leven die in 1948 uit hun dorpen werden verdreven tijdens de Nakba, de “catastrofe” [de naam door de Palestijnen gegeven aan de etnische zuivering die de pas opgerichte joodse staat organiseerde; voor meer details zie het artikel Een film over de Nakba, in De Actualiteit Doorgelicht van januari 2023.]
In Ayda leerden bezoekers niet alleen over deze massale onteigening, gesponsord door het Westen om de creatie van Israël mogelijk te maken, maar hoorden zij ook verhalen over gewelddadige nachtelijke raids door Israëlische soldaten en de dagelijkse strijd om te overleven onder strenge beperkingen, bv. op water.
Israëlische autoriteiten maakten zich steeds meer zorgen over het groeiende aantal toeristen dat in Bethlehem bleef overnachten. Volgens Israëlische cijfers waren er jaarlijks ongeveer een miljoen overnachtingen, een aantal dat alsmaar toenam naarmate er meer hotels werden gebouwd, al bleef het bescheiden vergeleken met de hoeveelheid toeristen in Israël zelf.
EEN ACHILLESHIEL
Deze ontwikkeling verontrustte Tel Aviv. Bethlehem werd de Achilleshiel in het systeem van absolute controle over de Palestijnen, om twee redenen. Ten eerste kwam er geld naar Bethlehem, wat een bron van inkomsten vormde buiten de Israëlische controle. De zionistische staat heeft de Palestijnse economie bewust zo afhankelijk mogelijk van Israël gemaakt, zodat het gemakkelijk economische druk kan uitoefenen. Bethlehem heeft nog maar toegang tot een tiende van zijn oorspronkelijke grondgebied en is omringd door joodse nederzettingen. Bewoners zijn afgesneden van hun landbouwgrond, waterbronnen en historische plekken, terwijl Jeruzalem – ooit hun economische en culturele hinterland – door de muur praktisch onbereikbaar is geworden.
Ten tweede kregen buitenlandse bezoekers die in Bethlehem verbleven een directer beeld van het leven onder de bezetting. Dat ondermijnt Israëls narratief van een beschavingsstrijd tussen het Westen (waartoe de joodse staat zich rekent) en een zogenaamd “barbaarse” islamitische vijand. In werkelijkheid zien bezoekers al snel dat er Palestijnse christenen bestaan en dat die het Israëlische propagandaverhaal actief tegenspreken.
Vanuit Israëlisch perspectief kan een verblijf in Bethlehem dus gevaarlijk zijn: bezoekers zouden kunnen concluderen dat juist Israël zich onderdrukkend en provocerend opstelt, niet de Palestijnen – ongeacht hun religie. Daarom wilde Israël voorkomen dat Bethlehem een zelfstandig toeristisch centrum zou worden. Pelgrims konden moeilijk worden tegengehouden om de Geboortekerk te bezoeken, maar de ontwikkeling van een onafhankelijke toerismesector kon wel worden afgeremd.
In 2017 berichtte de krant Haaretz dat het Israëlische ministerie van Binnenlandse Zaken reisbureaus had gewaarschuwd om pelgrimsgroepen niet in Bethlehem te laten overnachten, met de implicatie dat ze anders hun vergunning konden verliezen. De officiële reden was dat «potentiële terroristen» zouden meereizen met toeristengroepen… De maatregel leidde echter tot een storm van protest van de internationale Kerken en in het bijzonder het Vaticaan: zij vreesden dat dit het begin was van een ontwikkeling die ertoe zou kunnen leiden dat de Geboortestad ontoegankelijk zou worden voor pelgrims. En Israëlische reisbureaus vreesden dat hun omzet zou dalen; pelgrimsgroepen uit armere landen die de hoge prijzen in Jeruzalem voor accommodatie niet konden betalen, zouden wellicht niet meer naar het H. Land komen. Uiteindelijk trok Israël de richtlijn in en noemde die een fout.
EEN SLINKENDE BEVOLKING
De demografie van Bethlehem, een microkosmos van de bredere problemen waarmee Palestijnen onder het bezettingsregime worden geconfronteerd, levert een treffend bewijs van de christelijke uittocht uit de regio. In 1947, het jaar vóór de oprichting van Israël, was 85 % van de inwoners van Bethlehem christen. Vandaag gaat het om nog slechts 15 %. Christenen maken tegenwoordig minder dan 1,5 % uit van de Palestijnse bevolking op de Westelijke Jordaanoever: ongeveer 40.000 op een bevolking van bijna 3 miljoen. Begin jaren zeventig, kort nadat Israël het gebied bezette, waren ze nog met 5 %. Tegenwoordig wonen er veel meer Palestijnse christenen in het buitenland dan in historisch Palestina.
Israël beweert erg bezorgd te zijn over deze achteruitgang, maar in werkelijkheid is het land maar al te blij dat inheemse christenen de regio verlaten. Hun vertrek heeft geholpen om Israëls narratief van een “botsing van beschavingen” geloofwaardiger te maken en ondersteunt de bewering dat de joodse staat een bolwerk vormt tegen het islamitisch-Arabische terrorisme. Tel Aviv stelt dat het de Palestijnse christenen zo goed mogelijk helpt en hen beschermt tegen vijandige moslimburen. Op die manier probeert het zijn eigen actieve rol in het aanmoedigen van deze exodus te verdoezelen.
Historisch gezien werden de Palestijnse christenen bijna even zwaar getroffen als de Palestijnse moslims door de massale verdrijvingen die de zionistische troepen in 1948 uitvoerden. In totaal werd ongeveer 80 % van alle Palestijnen die in het gebied woonden dat later de staat Israël werd, van hun land verdreven: 750.000 mensen op een bevolking van 900.000. Het aantal Palestijnse christenen dat in historisch Palestina bleef – hetzij in de nieuwe staat Israël, hetzij in de gebieden die vanaf 1967 onder Israëlische bezetting kwamen – is in verhouding tot de moslimbevolking geleidelijk afgenomen, omdat die laatste hogere geboortecijfers heeft. De christenen woonden grotendeels in steden; hun stedelijke levensstijl en doorgaans hogere inkomens, evenals hun grotere blootstelling aan westerse culturele normen, betekenden dat zij kleinere gezinnen hadden en hun bevolkingsgroei dus lager lag.
Deze dramatische sociale en culturele omwenteling, waarbij de vroegere christelijke meerderheid van een stad als Bethlehem na verloop van tijd een minderheid werd, was voor veel christelijke families moeilijk te aanvaarden. Het zou verkeerd zijn te ontkennen dat deze veranderingen spanningen veroorzaakten. Het gebrek aan degelijke rechtshandhaving in de Palestijnse gebieden, waar Israël en niet de Palestijnse Autoriteit uiteindelijk bepaalt wat is toegestaan, heeft kleinere christelijke families kwetsbaarder gemaakt in conflicten met grotere moslimfamilies. In de strijd om schaarser wordende middelen speelt gezinsgrootte een belangrijke rol. Terwijl de Palestijnse christenen zich meer hebben geïdentificeerd met de seculiere normen van het Westen, heeft hetzelfde proces bij delen van de moslimbevolking juist de religieuze identiteit versterkt.
EMIGRATIE UIT PALESTINA
Om de specifieke problemen van de christelijke gemeenschap te begrijpen, moeten ook andere historische oorzaken worden bekeken. Palestijnse christenen vallen uiteen in vier grote groepen. De eerste is die van de oosters-orthodoxe Kerken, gedomineerd door de Grieks-orthodoxe Kerk. De tweede groep wordt gevormd door de katholieke Kerk, met enerzijds de Latijnse gemeenschap en anderzijds de communauteiten van Grieks-katholieken en Syrisch-katholieken. De derde categorie zijn de oriëntaals-orthodoxe Kerken, waaronder de Kopten, de Armeniërs en de Syrisch-orthodoxen. Tenslotte zijn er verschillende protestantse kerken, zoals anglicanen, lutheranen en baptisten.
Lang vóór de oprichting van Israël hadden grote aantallen christenen zich gevestigd in Jeruzalem, Bethlehem en Nazareth, de steden die verband hielden met het leven van Jezus. Deze tendens werd versterkt toen Palestina vanaf de 18de eeuw onder Ottomaans bestuur kwam. De Ottomanen stimuleerden de immigratie van christenen naar deze centra en ontwikkelden een confessioneel systeem dat aantrekkelijk was voor buitenlandse Kerken.
Het resultaat was een relatief bevoorrechte christelijke stadsbevolking, die grotendeels bestond uit handelaars en kooplieden en profiteerde van de middelen die de internationale Kerken investeerden in hun missie, zoals scholen en ziekenhuizen. Christenen waren doorgaans welvarender, beter opgeleid en gezonder dan hun moslimtegenhangers, die op het platteland als boeren leefden. Bovendien hadden christelijke families goede connecties met hun respectieve Kerken via lokale geestelijken en personeel van kerkelijke instellingen.
Deze verschillen bleken belangrijk toen zowel Palestijnse christenen als moslims te maken kregen met de Israëlische kolonisatie. Het geïnstitutionaliseerde racisme van Israël tegenover de Palestijnen – systematische landonteigening, ongeremd geweld door staat en kolonisten, beperkingen op de bewegingsvrijheid en het ontzeggen van kansen op onderwijs en werkgelegenheid – heeft alle Palestijnen onder druk gezet om te vertrekken. Christenen hadden echter aanzienlijke voordelen bij het emigreren. Zij konden gebruik maken van hun kerkelijke netwerken om zich in het buitenland te vestigen, vooral in Noord- en Zuid-Amerika en in Europa. Bovendien werd dit vergemakkelijkt doordat vele familieleden al in het buitenland woonden na de massale verdrijvingen van 1948. Daardoor wordt geschat dat de emigratie van Palestijnse christenen ongeveer twee keer zo hoog ligt als die van moslims.
De vaak herhaalde bewering van Israël dat Hamas en de Palestijnse Autoriteit verantwoordelijk zijn voor de uittocht van christenen uit het H. Land wordt eenvoudig weerlegd door te kijken naar de situatie van de christenen binnen Israël (waar noch Hamas noch de PA actief zijn) en in Oost-Jeruzalem (waar de invloed van die twee verzetsbewegingen al lang verwaarloosbaar is). In beide gebieden heeft Israël de volledige controle over het leven van de Palestijnen. Toch zien we ook daar hetzelfde patroon van christenen die de regio verlaten.
ONDER DE BEZETTER IN GAZA EN OP DE WESTOEVER
De redenen waarom de kleine Palestijns-christelijke bevolking van Gaza – tegenwoordig misschien nog slechts 1000 zielen [en vandaag, na de oorlog die begon in oktober 2023, ongetwijfeld nog veel minder] – hun extreem overbevolkte enclave verlaten, die al 13 jaar door Israël wordt geblokkeerd, hoeven nauwelijks nader onderzocht te worden. Het klopt dat het voor deze christenen (slechts 0,0005 % van de bevolking van Gaza!) moeilijk is geweest zich vertegenwoordigd te voelen in een gebied dat zo sterk wordt gedomineerd door de islamitische Hamasregering. Maar er is weinig bewijs dat zij worden vervolgd. Daarentegen is er overweldigend bewijs dat de christenen in Gaza, net als hun islamitische buren, lijden onder Israëls voortdurende schendingen van hun meest fundamentele rechten.
Wat de Westelijke Jordaanoever betreft: zoals al opgemerkt hebben Palestijnse christenen historisch gezien vaak bepaalde privileges genoten ten opzichte van hun islamitische landgenoten, voortkomend uit hun banden met de Kerken. Ze hebben kunnen profiteren van het toerisme als gidsen, chauffeurs en uitbaters van pensions. Ze hebben betere toegang tot scholen die door geestelijken worden gerund en daardoor ook tot hoger onderwijs en gevarieerde beroepen. Ze bezitten vaker waardevolle stedelijke grond en velen hebben daar winkels en bedrijven. Samengevat behoren meer christenen tot de middenklasse en de vrije beroepen in vergelijking met de moslims.
Hoewel Israëls bezettingsbeleid alle Palestijnen hard heeft getroffen, zijn sommigen zwaarder getroffen dan anderen. Degenen die het meest hebben geleden, wonen meestal niet in de grote steden, maar in landelijke gebieden en vluchtelingenkampen. Bewoners van kampen, zoals Ayda bij Bethlehem, verloren hun land en eigendommen aan Israël en moesten sinds 1948 hun leven helemaal opnieuw opbouwen. Mensen in geïsoleerde landbouwgemeenschappen die volgens de Oslo-akkoorden als “Gebied C” zijn aangemerkt (een tijdelijke status die feitelijk permanent is geworden), staan volledig bloot aan de civiele en militaire controle door de joodse staat. De inwoners van deze gemeenschappen hebben weinig mogelijkheden om een inkomen te verdienen en zijn het meest kwetsbaar voor Israëlisch staats- en kolonistengeweld, evenals voor landonteigeningen en strenge waterbeperkingen. In de praktijk zijn moslim-Palestijnen het grootste slachtoffer.
Toch hebben de Israëlische beleidsmaatregelen stedelijke christelijke families steeds vaker de kansen ontnomen die zij als vanzelfsprekend waren gaan beschouwen en die westerlingen vaak als normaal zien. En belangrijk is dat christenen, in tegenstelling tot veel moslim-Palestijnen, één privilege zijn blijven behouden: een uitweg naar het buitenland, waar ze een kans hebben om een relatief normaal leven te leiden.
De schade aan het christelijke leven is vooral sterk merkbaar door bewegingsbeperkingen, een van de manieren waarop Israël een systeem van bijna totale controle over het Palestijnse leven heeft opgebouwd. Mensen die actief zijn in handel en zaken, zoals veel christenen, hebben moeite gehad om succesvol te blijven naarmate deze beperkingen de afgelopen kwarteeuw zijn toegenomen, sinds de invoering van maatregelen onder de Oslo-akkoorden. Er werd een uitgebreid systeem van checkpoints en vergunningen opgezet om de bewegingsvrijheid van Palestijnen te controleren en hun toegang tot Israël voor werk te beperken. Na verloop van tijd werd dit systeem versterkt door een lange barrière van staal en beton: de “scheidingsmuur” die de Israëli’s bijna twintig jaar geleden begonnen te bouwen.
EEN PRECAIR BESTAAN IN JERUZALEM
Ook in Jeruzalem is de christelijke bevolking gekrompen nadat de stad in 1967 volledig onder Israëlische controle kwam met de bezetting en illegale annexatie van de oostelijke wijken. De Palestijnse Autoriteit kreeg eind jaren negentig kort een minimale aanwezigheid in Oost-Jeruzalem, maar werd verdreven na het uitbreken van de tweede intifada in 2000. Een vergelijkbaar lot trof later de Jeruzalemse politici die banden hadden met Hamas: toen zij in 2006 de verkiezingen wonnen, werden zij prompt naar de Westelijke Jordaanoever verbannen.
Israël heeft, niet verrassend, weinig bereidheid getoond om officiële cijfers te geven over de uittocht van christenen uit Jeruzalem. Hun aantal is de afgelopen vijf decennia sterk gedaald: van 12.000 in 1967 tot ongeveer 9000 vandaag [in 2020…], volgens Yousef Daher van het Jerusalem Interchurch Center. Van hen zouden er nog maar zo’n 2400 in de christelijke wijk wonen, waar het leven door Israël bijzonder moeilijk is gemaakt.
Jeruzalem is historisch, symbolisch, spiritueel en economisch van groot belang voor het Palestijnse volk en herbergt belangrijke islamitische en christelijke heilige plaatsen. Palestijnen beschouwen de stad al lang als de enige mogelijke hoofdstad van hun toekomstige staat. Israël ziet de stad echter op een vergelijkbare manier, als het religieuze en symbolische hart van zijn nationale project, en toont geen bereidheid om haar te delen. Wat de Israëli’s winnen, verliezen de Palestijnen.
Geleidelijk aan heeft Israël zijn greep op Jeruzalem volledig gemaakt. De kolossale muur die door de stad werd gebouwd, heeft niet alleen Palestijnen in Jeruzalem gescheiden van die op de Westelijke Jordaanoever, maar ook de stad zelf verdeeld, waarbij meer dan 100.000 Palestijnen aan de “verkeerde” kant terechtkwamen en afgesneden werden van hun geboortestad. En in 2018 gaf president Donald Trump de Israëli’s extra legitimiteit door Jeruzalem te erkennen als hoofdstad van Israël en de Amerikaanse ambassade daarheen te verplaatsen.
Palestijnen in Oost-Jeruzalem die zich aan de Israëlische kant van de muur bevinden, worden geconfronteerd met bouwbeperkingen die het vrijwel onmogelijk maken legaal woningen te bouwen. Israël sloopt jaarlijks tientallen Palestijnse huizen, wat leidt tot toenemende overbevolking.
Tegelijkertijd heeft de joodse staat grote stukken land in beslag genomen voor illegale nederzettingen en kolonisten aangemoedigd Palestijnse huizen over te nemen. De veiligheidsdiensten opereren als een bezettingsmacht in Palestijnse wijken, terwijl het stadsbestuur een beleid van “verjoodsing” voert. Palestijnen hebben een verblijfsstatus die hen behandelt als immigranten. Duizenden die tijdelijk in het buitenland verbleven voor studie of werk, ontdekten bij terugkeer dat hun verblijfsrechten waren ingetrokken.
DE GREEP OP DE KERKEN
Israël heeft veel pressiemiddelen ten opzichte van de internationale Kerken. Het kan de werkvisa van hun duizenden medewerkers in het H. Land blokkeren en heeft dat trouwens al gedaan. Geregeld belemmert Tel Aviv de afgifte van bouwvergunningen die een bepaalde Kerk nodig heeft om gebouwen te construeren of te renoveren. En extreemrechtse groeperingen die nauwe banden hebben met de Israëlische regeringscoalitie bedreigen regelmatig geestelijken op straat en vernielen ’s nachts kerkelijke eigendommen, waaronder begraafplaatsen. De Israëlische politie heeft de daders van dergelijke aanvallen zelden opgepakt of gestraft.
Een typisch geval was een brandstichting in 2015 die delen van de kerk van de Broodvermenigvuldiging verwoestte, de plek aan de oever van het Meer van Galilea waar Jezus een grote menigte met broden en vissen te eten gaf. Op een kerkmuur stond in het Hebreeuws gekrabbeld: “Afgodendienaars zullen onthoofd worden.”
Deze strategie om de internationale Kerken te verzwakken en te intimideren is vooral schrijnend in relatie tot de orthodoxie. De aanstelling van elke nieuwe patriarch moet gezamenlijk worden goedgekeurd door de Palestijnse Autoriteit, Jordanië en Israël. In het geval van de laatste twee patriarchen, Irineos I en Theophilos III, heeft Israël, in tegenstelling tot de PA en Jordanië, getreuzeld met het goedkeuren van hun benoeming. Irineos moest bijna vier jaar wachten en Theophilos tweeënhalf.
Kort nadat Ireneos alsnog groen licht had gekregen, kwam aan het licht dat zijn adviseurs toezicht hadden gehouden op de verkoop van een deel van de omvangrijke grondbezittingen van de Grieks-orthodoxe Kerk in Israël en de bezette gebieden. Deze dubieuze transacties, waarbij grond van onschatbare waarde voor een schijntje werd verkocht, vonden plaats aan Israëlische bedrijven of buitenlandse organisaties waarvan later bleek dat ze als dekmantel dienden voor joodse kolonistengroepen. In een reportage over de grondverkopen bij de Jaffapoort (de toegang tot de christelijke wijk) onthulde de krant Haaretz geluidsopnames van een joodse kolonistenleider die opschepte dat zijn organisatie, Ateret Cohanim, een vetorecht had over de benoeming van elke patriarch. Hij zei dat Ateret Cohanim pas zijn zegen zou geven als de patriarch grond aan hen had verkocht!
Dit patroon van regelrechte chantage lijkt zich te hebben herhaald met Theophilos, die ervan wordt beschuldigd talrijke percelen te hebben verkocht in de buurt van Bethlehem, West-Jeruzalem, Jaffa, Haifa, Nazareth en Caesarea. Naar verluidt zou de orthodoxe Kerk meer dan 100 miljoen dollar aan deze transacties hebben verdiend. In 2017 dienden zo’n 300 Palestijnse christenen een strafrechtelijke klacht in bij de Palestijnse procureur-generaal in Ramallah, waarin zij de patriarch beschuldigden van “verraad“. In datzelfde jaar verbraken 14 lokale orthodoxe instellingen – die een groot deel van het half miljoen Grieks-orthodoxe christenen in het H. Land vertegenwoordigen – de banden met Theophilos en zijn synode en eisten zijn afzetting.
Palestijnse christenen hebben steeds meer redenen om zich zorgen te maken dat de Kerken bij het sluiten van deze overeenkomsten niet hun belangen behartigen. Van oudsher werd grond aan de Grieks-orthodoxe Kerk geschonken opdat de opbrengsten gebruikt zouden worden voor het algemeen welzijn van de orthodoxe gemeenschap in het H. Land. Maar volgens lokale gemeenschappen wordt het geld tegenwoordig weggesluisd naar de buitenlandse kerkelijke autoriteiten.
EEN OBSTAKEL VOOR DE EINDTIJD
Er zou een apart essay kunnen worden geschreven over de rol die christelijke evangelische bewegingen in het buitenland spelen bij het verslechteren van de situatie van de Palestijnse christenen. Het volstaat erop te wijzen dat de meeste evangelische christenen grotendeels onverschillig staan tegenover de benarde situatie van de lokale christelijke bevolking in de regio.
Het zionisme, de staatsideologie van Israël, is zelfs sterk gebaseerd op een christelijk zionisme dat meer dan 150 jaar geleden populair werd onder Britse protestanten. Tegenwoordig is het hart van het evangelische zionisme de VS, waar tientallen miljoenen gelovigen een theologisch wereldbeeld hebben aangenomen dat ondersteund wordt door profetieën in het boek Openbaring. Zij verdedigen een joodse “terugkeer” naar het Beloofde Land om een apocalyptische eindtijd teweeg te brengen waarin christenen – en sommige Joden die Jezus als hun Verlosser aanvaarden – van de verdoemenis zullen worden gered en ten Hemel zullen opstijgen.
Het is onvermijdelijk dat, afgewogen tegen deze snelle weg naar verlossing, het behoud van het 2000 jaar oude erfgoed van de Palestijnse christenen voor de meeste Amerikaanse christelijke zionisten van weinig belang is. Lokale christenen uiten regelmatig hun vrees dat hun heilige plaatsen en levenswijze worden bedreigd door een staat die zichzelf joods noemt en waarvan de centrale missie een radicaal beleid van verjoodsing is. Maar voor christelijke zionisten zijn Palestijnse christenen slechts een obstakel voor het realiseren van een veel dringender, door God voorbestemd doel.
Amerikaanse protestanten hebben daarom veel geld gestoken in projecten die Joden aanmoedigen om naar het “Land van Israël” te verhuizen, onder meer naar de nederzettingen op de bezette Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem. Hun leiders staan dicht bij de meest havikachtige politici in Israël, zoals premier Netanyahu.
De politieke invloed van de evangelische bewegingen in de VS, Israëls belangrijkste beschermheer, is nog nooit zo duidelijk geweest. [De voormalige] vicepresident Mike Pence behoort tot hun gelederen, terwijl Donald Trump afhankelijk was van evangelische stemmen om verkozen te worden. Daarom brak Trump met eerdere Amerikaanse regeringen en stemde hij ermee in dat de VS het eerste land in de moderne tijd zou worden dat zijn ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem zou verhuizen, waardoor elke hoop voor de Palestijnen om Oost-Jeruzalem als hun hoofdstad te behouden effectief de kop werd ingedrukt.
Gezien deze internationale context zijn de Palestijnse christenen en hun leiders vrijwel volledig geïsoleerd. Ze worden binnen hun eigen Kerken gemarginaliseerd, volledig genegeerd door buitenlandse evangelische bewegingen en beschouwd als vijanden van Israël…
Uit dit essay van Jonathan Cook wordt duidelijk dat de christenen in Eretz Yisrael, “het Land van Israël”, door de Joden als lastpakken beschouwd worden die best zo vlug mogelijk kunnen opkrassen. De christelijke leiders, te beginnen met de paus, zouden daartegen veel krachtiger een vuist moeten maken om te vermijden dat de naam van Christus zelf in het land waar Hij geboren werd en het Evangelie verkondigde binnenkort taboe is. Dat zou het catastrofale en wraakroepende resultaat zijn van de heilloze politiek van “religieuze dialoog” die de Rooms-katholieke Kerk najaagt sinds Vaticanum II en die haar de mond snoert tegenover een ongelooflijk agressieve joodse staat.
redactie KCR