TOTALE APOLOGETIEK
6. Het mysterie van het leven
In het vorige hoofdstuk waren wij verbijsterd door de voortdurende achteruitgang van energie, door de slijtage van de kosmische energie – ook al gebeurt dat op een zeer lange tijdschaal – die uiteindelijk de dood als eindpunt heeft. Voor onze energie-uitwisselingen zal er ooit een dag komen waarop er nergens nog energie zal zijn. Dat ligt heel, heel ver in de toekomst en houdt ons niet direct bezig, maar toch hangt er een soort pessimisme over : de aantrekkingskracht van de dood. Vandaag echter betreden we het mysterieuze universum van het leven !
HET leven ! Dat is precies het tegenovergestelde van wat we vorige keer bestudeerden. Leven betekent uitvinding, ongrijpbaarheid, het scheppen van het onwaarschijnlijke. Het betekent uitbreiding, een “ steeds grotere complexiteit ” zoals Teilhard de Chardin zei. Leven is een innerlijke vorm, een spontaniteit ; het is het tegenovergestelde van alles wat we tot nu toe zijn tegengekomen.
De geleerden uit de oudheid hadden dat goed begrepen. Zij zagen het leven als een immanente organiserende kracht. Zij bewonderden het leven enorm, maar slaagden er niet in de aard, de principes of de wetten ervan te doorgronden. Ze beperkten zich tot het classificeren van soorten. In de middeleeuwen zette Albertus de Grote het werk van Aristoteles voort in die poging om soorten te classificeren.
DETERMINISME OF CREATIVITEIT ?
Pas in de achttiende eeuw vond de wetenschap plots een manier om het geheim van het leven bloot te leggen. De eerste was een Nederlander, met al zijn microscopen : Antoni van Leeuwenhoek. Hij formuleerde de theorie van het preformationisme, die stelt dat leven voortkomt uit leven, omdat in het zaad van een levend wezen reeds in miniatuur het volledig georganiseerde wezen aanwezig is, dat zich enkel nog hoeft te ontwikkelen via het bloed van de moeder, om zo te zeggen. Er is geen echte schepping ; het leven loopt op rails. Elk levend wezen geeft aan het volgende de miniatuurversie door van wat het zal worden. Het hoeft alleen nog maar te groeien.
Stel je voor wat dat na enkele generaties betekent, aangezien ze allemaal in elkaar zouden zitten als Russische matroesjka-poppen ! Toch was het een buitengewoon geniale gedachte, die tot in onze tijd invloed zou behouden en zelfs deels waar bleek te zijn.
Ondertussen ontwikkelde de Duitser Caspar Friedrich Wolff een totaal andere theorie over het leven : de epigenese. Voor de aanhangers van het preformationisme kopieert het leven voortdurend zichzelf, generatie na generatie. Er ontstaat enkel leven uit ander leven en elk individu behoort noodzakelijk tot de soort van zijn voortbrengers. Er bestaat dus een soort determinisme van het leven. Het leven is geen goddelijke kracht, geen totale uitvinding, geen “ scheppende evolutie ” zoals Bergson het uitdrukte. Het wordt systematisch geleid langs de sporen van de erfelijkheid.
« Nee, » zei Wolff, « het leven is epigenese. » Toen hij onder de microscoop een levende cel aan het begin van haar ontwikkeling bestudeerde, zag hij duidelijk dat die cel niet het miniatuurtje was dat Van Leeuwenhoek zorgvuldig in zijn wetenschappelijke boeken had getekend. Nee, het was een cel zonder enige zichtbare georganiseerde structuur. Die cel deelt zich en terwijl de cellen zich vermenigvuldigen, structureren zij zich en vormen zij uiteindelijk een organisme. Er is dus sprake van schepping. Het meerdere ontstaat uit het mindere. Het leven brengt méér voort uit minder, het leven is als het ware scheppend.
Een groot wetenschapper die vandaag vrijwel vergeten is, de Zwitser Charles Bonnet, probeerde deze twee stromingen met elkaar te verzoenen. Enerzijds kopieert het leven zichzelf en lijkt het daardoor enigszins op een materieel mechanisme. Anderzijds gaat het om een heel bijzondere en bewonderenswaardige energie waarmee nieuwe vormen worden uitgevonden.
Zo ontdekte men op een dag de molecule, de bouwsteen van alle levende wezens. Alle levende organismen – van virussen en bacteriën tot planten, dieren en de mens – bestaan uit één enkele bouwsteen of uit een opeenstapeling van zulke bouwstenen, volgens een uiterst opmerkelijke structuur. De biologie werd moleculaire biologie.
En juist toen men zich zulke vragen stelde over het leven, ontdekte men in de kern van de cel het beroemde DNA, het desoxyribonucleïnezuur. In alle chromosomen die de genen dragen, bevindt zich de programmering van de soort. Daarmee keren we terug naar Van Leeuwenhoek en zijn preformationisme. Ieder van ons draagt, dat weten we nu heel goed, in zijn oorspronkelijke cel een volledig klein boek mee ; beter nog : een volledige bibliotheek van miljarden elementen waarin de structuur van het individu besloten ligt. Het leven doet niets anders dan dat programma uitvoeren, die oorspronkelijke genetische informatie realiseren.
We bevinden ons dus opnieuw in een vorm van determinisme. Iedere mens wordt opgebouwd volgens een programma dat half van de vader en half van de moeder afkomstig is, zonder enige echte uitvinding. Dat noemde men en noemt men nog steeds het fundamentele dogma : het DNA beheerst de volledige ontwikkeling van het organisme en van het individu.
DARWINISME VS. LAMARCKISME
Tegelijkertijd ontdekte men via de paleontologie dat levende wezens van verschillende soorten toch zeer gelijkaardige morfologische en fysiologische kenmerken bezitten. Hoe meer men levende wezens classificeerde, hoe duidelijker men zag dat hun verschillen hen tegelijkertijd dichter bij elkaar brachten en weer van elkaar verwijderden, alsof ze samen een waaier vormden die men bovenaan zou willen samenbrengen. Daaruit ontstonden de evolutietheorieën.
Het is eigenlijk vrij eenvoudig om enig licht te werpen op deze ingewikkelde theorieën. Zoals Van Leeuwenhoek stelde dat levende wezens de rails van hun erfelijkheid volgen en zoals wetenschappers zeggen dat het DNA de informatie bevat die het kind in de moederschoot ontwikkelt volgens een programma dat reeds in de eerste cel vastligt en waaraan het volledig onderworpen is, zo was ook Charles Darwin – in tegenstelling tot wat velen denken – in wezen een uitgesproken preformationist.
Volgens Darwin werden levende wezens volledig gedreven om het plan van hun soort te verwezenlijken, binnen een absoluut fixisme dat uit de diepste oudheid stamde en eeuwig zou voortduren. Tenzij er een ongeluk gebeurde, zei hij. Tenzij er toevallig een afwijking optrad, een toeval waardoor een nieuwe vorm verscheen. Door zulke toevallige afwijkingen zouden nieuwe vormen ontstaan, waarvan de best aangepaste in de strijd om het leven zouden overwinnen. Zo bouwde Darwin, vanuit dat fundamentele fixisme, zijn volledige evolutietheorie op.
Ook vandaag nog zijn vele wetenschappers ervan overtuigd dat het volledige plan van het leven in het DNA vervat zit. Met Jacques Monod en anderen verklaren zij dat, wanneer er een “ foutje ” optreedt bij de reproductie van het DNA, er een verandering ontstaat – en dat dit niet noodzakelijk een monster voortbrengt. Soms zou het zelfs een iets verbeterde soort kunnen opleveren. Door opeenvolgende toevallige verbeteringen zouden zo nieuwe soorten ontstaan en dat zou de evolutie verklaren. Dit noemt men het neodarwinisme.
Het neodarwinisme is echter veroordeeld door de waarschijnlijkheidsleer (Georges Salet), maar ook door experimenten. De Japanse onderzoeker Motoo Kimura stelde in 1968 vast dat fouten in de replicatie van DNA doorgaans neutraal en onbeduidend zijn. Ook Pierre-Paul Grassé toonde aan dat het absoluut onmogelijk is om bv. de evolutie van de paardenhoef te verklaren als een opeenvolging van toevalligheden. Kortom, het neodarwinisme houdt geen steek.
Wat blijft er dan over ? Het lamarckisme, vernoemd naar Jean-Baptiste de la Marck (1744-1829). Grassé heeft deze grote Franse wetenschapper gerehabiliteerd en aangevuld. Hij liet zien dat het DNA, in tegenstelling tot het fundamentele dogma, niet altijd alle informatie van bovenaf oplegt aan de cel. Er bestaan ook signalen vanuit de cel zelf, vanuit het cytoplasma en het cytoplasmatische DNA, die invloed uitoefenen op het DNA in de celkern. Zo zou er een voortdurende wisselwerking bestaan tussen het levende wezen en zijn omgeving, waardoor het organisme zich aanpast. Dit neolamarckisme houdt de idee in dat het leven veel rijker en grootser is dan de materialistische en atheïstische denkers van het (neo)darwinisme willen erkennen. Het leven loopt niet simpelweg op rails. Het leven is een wonder.
Het is een wonder dat gedeeltelijk een vooraf bepaald plan volgt, waardoor zee-egels bv. miljoenen jaren lang vrijwel onveranderd kunnen blijven, wat inderdaad wijst op een zekere vastgelegde structuur. Maar af en toe hervindt het leven zijn vrijheid en schept het nieuwe vormen, als antwoord op nieuwe geologische of klimatologische omstandigheden. Het leven blijft een voortdurende en verrassende uitvinding.
HET FEIT VAN DE EVOLUTIE
Daarom zei ik jullie vier jaar geleden al dat, als God bestaat, Hij evengoed miljoenen soorten één na één kan hebben geschapen. Hij kan zich elke ochtend hebben beziggehouden met het creëren van enkele nieuwe soorten, waarom niet ? Uiteindelijk is Hij de Schepper. Of Hij nu elke soort afzonderlijk heeft gemaakt, volgens een absoluut fixisme, of dat Hij ooit het leven heeft geschapen en het mogelijkheden heeft meegegeven die ons verstand te boven gaan, zodat alles zich vervolgens als een automatische fabriek door miljoenen jaren heen heeft ontwikkeld – in beide gevallen blijft God de Schepper. Dat is het eerste punt.
Ten tweede dwingen de kennis van de vergelijkende biogenese, de paleontologie en alle wetenschappen van het leven mij tot de conclusie dat de evolutie een feit is. De verklaringen van Darwin en het neodarwinisme vind ik absurd, maar omdat de evolutie een feit is, rest ons niets anders dan de werkelijk onbegrijpelijke rijkdom van het leven te onderzoeken : hoe het nieuwe vormen voortbrengt, trouw blijft aan grote basistypen en plots toch nieuwe, meer volmaakte en meer complexe vormen schept.
We moeten goed begrijpen (en dit voeg ik toe aan Grassé) dat er zelfs in de kleinste zee-egel of zijderups een “ ziel ” aanwezig is, een beginsel dat ik spiritueel zou noemen. Er bestaat een principe dat het DNA, dat als informatie of als een boek fungeert, omzet in de structuur van de materie. Er is dus iets dat meer is dan louter fysica en chemie : dat is de ziel volgens Aristoteles. Deze ziel verwezenlijkt, op basis van de informatie die zij volledig terugvindt in alle genen en chromosomen van het DNA, het plan van het levende wezen tot in detail.
Die ziel bezit niet alleen de wil om het individu vorm te geven ; men moet haar ook een andere mogelijkheid toeschrijven, niet afkomstig van haarzelf, maar van God, namelijk de zorg voor de vervolmaking van de soort. Meer nog, in iedere dierlijke ziel bestaat een soort aantrekkingskracht, een drang naar het verschijnen van nieuwe en complexere soorten. Zoals de vissen die uit de oceaan kwamen en een dubbel ademhalingssysteem begonnen te ontwikkelen, zoals de longvissen vandaag nog hebben. Ze waren niet langer volledig vissen, maar konden dat nog gedeeltelijk zijn, terwijl ze al reptielen werden die konden ademen. Dat staat ingeschreven in de fossielen. Het is dus een kracht van het leven zelf.
Dat betekent niet dat het leven god is, maar wel dat God aan het leven een evolutiekracht heeft gegeven waarvan wij de verbaasde getuigen zijn.
Waar komt dat vandaan ? Uit enkele primitieve beginvormen, uit bepaalde ordeningen van de materie die het ontstaan van leven mogelijk maakten – uiteraard niet zonder Gods hulp ! Hij is overal aanwezig in die indrukwekkende automatische fabriek van de biosfeer. Wetenschappers reconstrueren voor ons de mechanismen ervan. Het is overduidelijk dat het leven geleid wordt. Het bezit een kracht die het steeds hoger doet opstijgen, die het heel het universum laat bevolken. En aan de top : DE MENS !
WETENSCHAPPELIJKE VERWORVENHEDEN EN VRAGEN
Het is evident dat heel het leven gedurende miljoenen jaren naar de mens toe is geëvolueerd. De mens is werkelijk de koning van de schepping. Nu hij op aarde verschenen is, zich ontwikkeld heeft en een plantaardig en dierlijk universum aantrof dat klaarstond om hem te dienen, waar gaat hij dan heen ? Wat is zijn bestemming ?
Als ik aalmoezenier van wetenschappers zou zijn, of hun collega, dan lijkt het mij dat juist met betrekking tot dit soort vragen de apologeet zijn plaats moet innemen. En welke taal moet hij spreken ? Een taal die aan hun verwachtingen tegemoetkomt door te vragen : waar komt dit alles vandaan en waar gaat het heen ? Dat vergt een moment van concentratie. De wetenschapper moet even alle mechanismen vergeten en zich richten op de grote hypothesen : het oerelement, het uitdijende heelal, het probleem van de oorsprong.
Dat probleem van de oorsprong vindt men terug in boeken van eerlijke wetenschappers, gelovig of ongelovig. Zij weten dat ze dit probleem nooit volledig zullen oplossen. Zelfs als het oer-atoom, aan het begin van onze zich ontwikkelende geschiedenis, het resultaat zou zijn van een eerdere concentratie (zoals Sovjetwetenschappers beweerden om zo te ontsnappen aan het gevaar in God te moeten geloven), zelfs als een vorig universum uiteindelijk in dat oorspronkelijke atoom zou zijn samengebald, dan nog blijft de vraag : wat zette alles opnieuw in beweging ? Wie gaf de energie opnieuw leven ? Wie veroorzaakte die nieuwe explosie ?
In werkelijkheid hebben wij geen enkel bewijs, en de Sovjetwetenschappers evenmin, dat het oorspronkelijke atoom uit onze hypothese het eindresultaat van een eerdere cyclus was. Dus moet men erkennen dat er hoe dan ook een eerste oorspronkelijk atoom en een eerste explosie geweest moeten zijn. Maar wie kan iets uit het niets voortbrengen ? Dat is schepping. Wij zien God aan het werk en in het boek Genesis staat duidelijk geschreven dat God alles uit niets heeft geschapen. “ In den beginne schiep God hemel en aarde. ” Hij schiep het licht en wij mogen denken dat dit licht die eerste explosie was, die eerste schitterende uitbarsting van het oer-atoom.
De wereld ontwikkelt zich. Zal dat eeuwig doorgaan ? De H. Petrus zegt ons dat de huidige wereld, de huidige hemel en aarde, door vuur zullen vergaan. Maar meteen daarna zegt hij dat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zullen zijn. Hier ziet men hoe lui christenen soms zijn in hun verbeelding en in hun interpretatie van de Openbaring. Hoeveel christenen denken dat dit universum, met zijn spiraalnevels, sterrenstelsels en in het bijzonder onze aarde, eeuwig zal blijven bestaan ? Men zegt : “ We gaan naar de Hemel ” en daarmee is de zaak afgedaan, zonder zich af te vragen wat die Hemel eigenlijk is.
Denken jullie werkelijk dat God op een dag tegen dit immense, complexe heelal, waarvan onze twintigste eeuw pas het allereerste begrip heeft ontdekt, zou zeggen : “ Goed, het is afgelopen, terug naar het niets ”? Dat denk ik niet. In elk geval waren de Joden geen Grieken ; ze stelden zich niet tevreden met ideeën, maar hebben ons een gevoel voor het concrete nagelaten dat onze moderne wetenschappers zo waarderen. De materie zal blijven bestaan, misschien getransformeerd, maar ze zal blijven bestaan.
Terug naar onze aarde. Waarheen leidt deze materie, met haar energie die voortdurend aftakelt en degradeert ? Ook daar kan men denken dat alles naar de dood leidt. Maar als men trouw blijft aan het christelijke geloof en zich tot de godsdienst wendt om te begrijpen wat dit alles betekent, dan stoot men op de woorden van Sint-Paulus in de Brief aan de Romeinen : deze wereld is onderworpen aan de vergankelijkheid, zij is getroffen door de zonde als gevolg van de zonde van de mens. Daarom is deze wereld in voortdurende aftakeling. Maar wat zou voor God gemakkelijker zijn dan de zaken om te keren ? En als er een regeneratie van energie komt, dan zal deze wereld zich in de toekomst omvormen en verheerlijkt worden.
Laten we nu kijken naar de levende wezens, naar die schitterende evolutie van dierlijke vormen... en helaas ook naar de verschrikkelijke slag die onze moderne beschaving toebrengt aan die oneindige verscheidenheid aan soorten. Vele soorten zijn verdwenen en er is zelfs sprake van massale uitsterving. Men probeert hier en daar nog een soort te redden, terwijl duizenden andere verdwijnen ten gevolge van menselijke technologie en de verwoestingen van de industrialisatie. De rijkdom van het leven, de biosfeer zelf, sterft voor onze ogen uit. De dood slaat toe.
EEN NIEUWE VISIE OP DE VERRIJZENIS
Zal er dan geen verrijzenis zijn ? Zou God die het leven de kracht gaf om de aarde te veroveren en overvloedig nieuwe vormen te scheppen, het leven niet opnieuw kunnen herstellen ? Wetenschappers denken nu al dat zij met hun eigen inspanningen manieren kunnen vinden om bedreigde soorten te behouden en te laten overleven. Wat zou die dierlijke zielen kunnen versterken zodat wij niet langer getuige zijn van een regressieve evolutie, maar opnieuw zouden zien hoe het leven nieuwe vormen uitvindt ? In onze laboratoria probeert men dat, maar op een uiterst kunstmatige manier. Zou God in een toekomstige wereld deze evolutie niet opnieuw kunnen opnemen ? Waarom niet ? Onze godsdienst verzet zich daar niet tegen.
Hier overstijgen wij uiteraard het kader van de Griekse wetenschap. Het is de menselijke intelligentie in contact met de goddelijke belofte, met het messianisme en met de verwachting van de komende wereld, die ons ertoe brengt schitterende hypothesen te bedenken. Deze wereld evolueert naar de mens toe die er het hoogtepunt van is. De mens is een dierlijk wezen waaraan God een geestelijke ziel heeft gegeven. Hij is nu de koning van het universum, maar tegelijkertijd draagt hij nog altijd die dierlijke natuur in zich die hij met de andere levende wezens deelt. De mens is een redelijk dier.
Is dit wezen voor altijd vastgelegd in de robotfoto van de moderne mens, in maatpak of spijkerbroek ? Wetenschappers vragen zich bij het bestuderen van de evolutie af : zal de menselijke soort op een dag niet iets hogers voortbrengen, een soort supermens ? We breken er ons het hoofd over, we verzinnen Marsmannetjes, wezens die net als wij zouden zijn, maar toch beter ontwikkeld, en onze verbeelding schiet volkomen tekort. Als we ons echter tot de godsdienst zouden wenden, als we zouden kijken naar wat de tendens van de mens is, zou die intellectuele, spirituele ziel, als ze een beetje kracht en een nieuwe vitaliteit had, dat lichamelijke wezen niet kunnen transformeren ?
Kijk naar de zijderups, hoe zij haar cocon maakt en afdaalt in dat “ graf ” ; en zie hoe zij er op een dag uitkomt, omgevormd, zoveel wonderbaarlijker, als vlinder ! Is dat voor ons geen les over wat de mogelijkheden zijn van vindingrijkheid, van het scheppen van leven ? Zijn al deze wezens, in hun metamorfose, niet werkelijk scheppingen van God om onze geest te prikkelen tot het verlangen naar onze eigen metamorfose ?
Persoonlijk geloof ik dat wij, in ons aardse bestaan, als zijdewormen zijn. Door toedoen van de zonde kunnen we niet vanzelf vanuit onze cocon vlinder worden ; wat van ons wordt gevraagd, is te sterven vanwege onze zondigheid, zodat onze ziel op de gewenste dag haar lichaam weer kan aannemen en tot een nieuwe vorm van mensheid komen. Dat heet de verrijzenis, de transfiguratie, onze verheerlijkte toestand in de Hemel. Maar die Hemel zal op zijn beurt slechts een nieuw universum zijn waarvan de levensomstandigheden zijn getransfigureerd door de glorie van de mens.
Dit wil ik zeggen om aan te geven dat we binnen onze religieuze rijkdom nog veel te leren hebben. Als de wetenschappers zouden begrijpen hoezeer onze hoop op een nieuwe wereld, wat wij het Koninkrijk der Hemelen noemen, aan al hun verwachtingen beantwoordt, dan denk ik dat ze ontroerd zouden zijn. In plaats van een vijand van de wetenschap zou het christelijke geloof hun verschijnen als een prachtige voltooiing ! We moeten niet voortdurend via de biologie, de natuurkunde en de scheikunde aantonen dat God bestaat – dat weten we ! God bestaat, natuurlijk ! Wat we wél moeten doen is hun laten zien wat in ons en in de wereld het project, de voorafschaduwing, de verwachting, de hoop op een toekomstige wereld is.
(wordt vervolgd)
abbé Georges de Nantes, 1984
Hij is verrezen ! nr. 142, juli-augustus 2026