Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe

1. Een liefdesdialoog

Guadalupe« Juantzin, Juan Diegotzin! »

De zachte roepstem doet Juan Diego niet schrikken, integendeel, zij doet het hart van deze macehualli, « man van het volk », van liefde opvlammen. De liefkozende vrouwenstem roept hem naar de top van de heuvel van Tepeyac. Hij houdt zijn blik al enkele momenten op die plek gevestigd, omdat een ongewoon harmonieus gezang als van zeldzame vogels zijn aandacht getrokken heeft. Plotseling valt de muziek stil, de kalmte keert terug en een verlokkende stem roept zacht zijn naam: « Mijn kleine Juan, mijn kleine Juan Diego! »

Cuauhtlatóhuac, « Sprekende Adelaar », werd in 1524 gedoopt onder de naam Juan Diego. Hij is op het ogenblik van de gebeurtenis op de Tepeyac 57 jaar. Sinds hij zijn lieve echtgenote Lucía verloren is, gaan de gedachten van Juan Diego nog alleen naar de hemel uit. Als hij de prachtige muziek hoort, denkt hij dan ook dat hij in het paradijs is. Een inlands relaas van de gebeurtenissen, in het Nahuatl (de omgangstaal van de volkeren op het Mexicaanse grondgebied vóór de komst van het Spaans), drukt de gedachten uit die op dat ogenblik in zijn hoofd omgaan, zoals hij ze zelf later verwoord heeft: « Verdien ik dit? Ben ik het waardig zoiets prachtigs te mogen aanhoren? Misschien ben ik gewoon aan het dromen? Waar ben ik? Wie weet wel in het Bebloemde Land waarover de ouden ons spraken, onze grootouders, het Land dat Voedt? Of ben ik in de Hemel? »

Een duidelijk voorbeeld van hoe de nieuwe godsdienst nog doorspekt is met herinneringen aan de oude religie: de Verovering is dan ook nog maar tien jaar een feit! Maar het onderstreept de authenticiteit van het relaas, zoals tientallen andere details. Dit document in het Nahuatl wordt naar de beginwoorden Nican Mopohua genoemd. Er bestaan verschillende vertalingen van; wij volgen de Spaanse vertaling die gepubliceerd werd door het wetenschappelijk tijdschrift Histórica, orgaan van het Centro de Estudios Guadalupanos (nr. 3, 2de trim. 1978).

DE INTOCHT VAN CORTEZ IN MEXICO
« Bij het eerste zwakke schemerlicht was de Spaanse bevelhebber opgestaan om zijn manschappen te laten aantreden. Ze schaarden zich met kloppend hart rondom hun vaandels toen de trompet haar opwindende tonen over water en woud liet schallen, tot ze in de verre echo van de bergen wegstierven. De heilige vuren op de altaren van de talloze teocalli’s, de piramidentempels, die men slechts flauw door de grijze ochtendnevels kon zien schijnen, toonden de ligging van de hoofdstad aan, tot tempels, torens en paleizen zich in het prachtige schijnsel van de zon, die haar eerste stralen over de oostelijke bergketen goot, volledig aan het oog vertoonden. Het was 8 november 1519: een zeer bijzondere dag in de geschiedenis, daar toen voor het eerst Europeanen de hoofdstad van de westelijke wereld betraden. »

 

Zo beschrijft de historicus W. H. Prescott het grote moment in de wereldgeschiedenis waarop de Spaanse avonturier Hernando Cortez (Cortés, zoals hij zijn brieven ondertekende) met zijn vierhonderd Spanjaarden de eerste blik op Mexico mocht slaan, de hoofdstad van het rijk der Azteken.

Dreunend stapten de conquistadores voort, zonder te aarzelen.

Toen ze op de grote middenstraat waren gekomen, golfde hun een schitterende stoet mensen in prachtige kledij tegemoet. Achter drie staatsbeambten met een gouden staf in de hand deinde op de schouders van edellieden een gouden draagstoel. Het baldakijn was met bonte veren getooid, bezaaid met juwelen en in zilver gevat. Op een flinke afstand hield de stoet stil, en uit de draagstoel stapte een lange, slanke man van omstreeks veertig jaar. Hij droeg een met parels en juwelen geborduurde mantel, waarvan de slippen om zijn hals waren vastgeknoopt. Toen hij, steunend op de armen van twee van zijn edelen, naderbij kwam, spreidden dienaren katoenen kleden voor hem uit, opdat zijn voeten niet vuil zouden worden. Zo stond Montezuma II, keizer van het rijk der Azteken, voor Cortez.

Voor het eerst in de grootse geschiedenis van de ontdekkingen gebeurde het dat een mens van het christelijk avondland een vreemde cultuur niet uit haar puinhopen behoefde te reconstrueren, maar haar in levende lijve ontmoette...

uit: C. W. CERAM, Götter, Gräber und Gelehrte (Hamburg, 1949)

DE VROUW TUSSEN DE ROTSEN

Juan Diego klom blijgestemd naar de plek van waaruit de stem geklonken had en ontdekte daar een mooie jonge vrouw, stralend van licht, die rechtop stond en hem vroeg dichterbij te komen. Toen hij vlak bij haar stond, was zij het die de liefdesdialoog aanvatte:

« Luister, mijn kind, de kleinste van allemaal, waar ga je naartoe? »

Juan Diego was gegrepen door bewondering voor deze schoonheid die niet van de aarde was. Haar kledij was als de zon; er schoten lichtstralen uit die alles een ander uitzicht gaven. De rotsen en de stenen van de dorre heuveltop, waartussen enkele acacia’s en cactussen groeiden, zagen er plotseling uit als kostbare edelstenen. En de aarde baadde in het licht van regenbogen.

« Vrouwe, mijn kind, mijn Koningin », antwoordde de oude man die diep boog vóór de jonge en edele vrouw, « ik ben op weg naar bezigheden die met God te maken hebben, datgene wat de dienaars van Ons Heer, de priesters, ons onderwijzen. »

Die morgen, zaterdag 9 december 1531, eerste dag van het octaaf van de Onbevlekte Ontvangenis, was de indiaan op weg naar de Mis in Tlatelolco, waar de franciscanen – de eerste missionarissen van Nieuw-Spanje – een soort van catechetisch centrum hadden uitgebouwd. Zij bedeelden er de sacramenten en gaven er christelijk onderricht aan een heel volk van neofieten die ze met veel moeite aan hun voorvaderlijk heidendom probeerden te ontrukken.

De jonge vrouw hernam: « Weet en houd voor zeker, mijn zoon, de kleinste van allemaal, dat ik Maria ben, volmaakt en altijd Maagd, Moeder van de ware God, van Hem door wie alles leeft, de Schepper van de mensen, de Meester van alles wat nabij is en de Heer van hemel en aarde. »

« De Meester van alles wat nabij is »: wellicht moeten we dit verstaan als « de Meester die bij de dingen is », een prachtige metafysische uitdrukking voor de nabijheid en betrokkenheid van de Schepper bij alles wat Hij geschapen heeft!

« Ik verlang heel vurig, en het is mijn wil, dat men op deze plaats voor mij mijn kleine teocalli bouwt. »

Het woord teocalli is een samenstelling van teotl, god, en calli, huis: « huis van god ». Het duidt de heiligdommen aan die de Mexicanen eertijds – in de tijd van de « grootouders » van Juan Diego – voor hun goden oprichtten op de top van steile piramides, waar priesters mensen slachtofferden op de offersteen. « In Mexico-Stad zelf bevond zich de hoge piramide van de Grote Teocalli, ingewijd in 1487 door keizer Ahuitzotl; op het platform ervan stonden niet één maar twee heiligdommen: de rood-witte tempel van Huitzilopochtli [de zonnegod] en de wit-blauwe tempel van Tlaloc [de regengod] » (Jacques Soustelle, L’univers des Aztèques, p. 75). De Spanjaarden verwoestten dit dubbelheiligdom van de zgn. Templo Mayor, samen met de kolossale onderbouw ervan.

De Maagd Maria vraagt dus heel bescheiden dat men op de top van de piramidevormige heuvel van Tepeyac, ten noorden van de lagune van Mexico, voor haar een kleine teocalli zou bouwen: noteocaltzin, « een kleine teocalli voor mij ». Maar het is niet haar bedoeling dat ze daar zou vereerd worden, als een nieuwe godheid; ze wil veeleer op die plaats de cultus van de « ware God », haar Zoon, vestigen:

« Daar zal ik Hem laten zien, Hem verheffen, Hem geven aan de mensen, door de bemiddeling van mijn liefde, mijn blik vol mededogen, mijn bijstand en mijn heil. »

Bovenstaande vertaling gaat terug op die van pater Mario Rojas Sánchez, die bij ons weten de enige is die deze woorden niet alleen wetenschappelijk juist vertaald heeft maar ook met respect voor de grote theologische rijkdom die erin vervat ligt. Wat de H. Maagd zegt, werpt in één ogenblik de wrede afgoden van de heidense godsdienst omver; tegelijkertijd lijken haar woorden ook de jonge christengemeenschappen van de Nieuwe Wereld vooraf te willen wapenen tegen het protestantisme dat weldra de Oceaan zal oversteken en dat zich zo stevig zal inplanten in het grote Noord-Amerika. In enkele lijnen openbaart zij hier haar rol van universele Mid-delares. Neen, zij vraagt niet dat men voor haar een kapel bouwt opdat zij daar zelf het voorwerp zou zijn van een vereringscultus, iets wat altijd al vreemd was aan het katholicisme. Zij wil in dat heiligdom slechts de middelares zijn van een openbaring van de ware God, haar Zoon, om Hem te laten zien, Hem te verheerlijken, Hem « aan de mensen » te geven, door de kracht van een eenvoudige blik vol medelijden die zij op hen werpt. Deze blik zal hen de genade schenken en hen tot het heil voeren. Over genade en heil beschikt zij soeverein, vermits haar Zoon alles in haar handen gelegd heeft.

MOEDER VAN BARMHARTIGHEID

Juan Diego
Juan Diego, de ziener van de Tepeyac (1474-1548), geschilderd door Cabrera (1751). Paus Joannes-Paulus II verklaarde hem zalig op 6 mei 1990 en heilig op 31 juli 2002.

« Ik ben jullie barmhartige Moeder, die van jou en die van jullie allemaal die op deze grond samen wonen, en de moeder van iedereen die, vol liefde voor mij, tot mij zal roepen en zijn vertrouwen in mij zal stellen. Op deze plek zal ik luisteren naar hun weeklachten en hun droefheid, om te troosten en om al hun pijn, hun miserie en hun lijden te verzachten.

« Opdat dit zou kunnen gebeuren en mijn medelijden zich zou kunnen uiten, moet jij de bisschop van Mexico opzoeken in zijn paleis. Zeg hem hoe ik jou, mijn boodschapper, deze opdracht gegeven heb, om hem duidelijk te maken hoezeer ik ernaar verlang dat men hier mijn teocalli voor mij bouwt. Je moet hem alles vertellen wat je gezien en bewonderd hebt, en je moet hem trouw herhalen wat je gehoord hebt.

« Wees er zeker van dat ik me zeer erkentelijk zal tonen en dat ik je gelukkig zal maken, dat deze opdracht waarmee ik je vandaag belast beloond zal worden, evenals de vermoeidheid en de last die je jezelf zal moeten getroosten om de opdracht tot een goed einde te brengen.

« Zo, mijn allerkleinste zoon. Je hebt gehoord wat ik je gezegd heb. Ga nu en doe alles wat je moet doen. »

Elk van deze woorden stemt overeen met een welbepaalde geschiedkundige context, namelijk het moeilijke begin van de Conquista, zonder dat een of ander anachronisme toelaat de « Nican Mopohua » als een vervalsing van latere tijden te ontmaskeren. Een voorbeeld: het bisdom Mexico (1530) werd tot de rang van aartsbisdom verheven in 1547, en vanaf dat jaar wordt de bekleder ervan altijd aangeduid met zijn titel van aartsbisschop (Fray Fidel de Jesús Chauvet, o.f.m., El Culto Guadalupano del Tepeyac, p. 26). Maar het woord dat hier gebruikt wordt is wel degelijk obispo, bisschop, overeenkomstig de situatie ten tijde van de verschijning.

Er is meer. Vaak wordt met afschuw gesproken over de volkerenmoord op de indianen die een sombere schaduw geworpen heeft over het begin van de verovering van de Nieuwe Wereld. Het gaat er niet om zovele vaststaande feiten in twijfel te trekken: de Spanjaarden hebben veel wreedheden begaan. Maar wanneer men deze feiten met veel bloederige details verhaalt, zou men ze ook in hun juiste politieke én godsdienstige context moeten plaatsen. We stoten hier namelijk op de controverse over de ziel van de inboorlingen.

Hierover schrijft Jacques Lafaye: « De plotse confrontatie met een onbekend maar talrijk deel van de mensheid in een wereld die nog georganiseerd was volgens de kosmografie van de Griekse Oudheid, nog maar nauwelijks herzien door de Westerse Kerk, kon niet anders dan grote en ernstige vragen oproepen. » Voor de diepchristelijke geestesinstelling van het zestiende-eeuwse Europa « was de bovennatuurlijke bestemming van de mensheid één onlosmakelijk geheel. Van het lot van de indianen hing het lot van de christenheid af, en het lot van de indianen moest van in alle eeuwigheid vaststaan. Het probleem kwam er dus op neer dat de bewoners van de Nieuwe Wereld moesten geïdentificeerd worden met de nakomelingschap van één van de patriarchen uit de Bijbel, zodat ze op de een of andere manier verbonden konden worden met de afstamming van Adam – ofwel dat ze daarvan uitgesloten werden, wat óók in overweging genomen werd » (J. Lafaye, Quetzalcóatl et Guadalupe. La formation de la conscience nationale au Mexique, pp. 59-60).

In de beginfase haalde deze laatste mogelijkheid blijkbaar de overhand: « Er was letterlijk geen plaats voor deze vierde en laatste wereld, die te laat opgedoken was in de kosmologie die men geërfd had van Ptolemaeus en die door de Kerk in haar leer opgenomen was. Men wist niet wat aanvangen met de indianen. [...] Het kon wel een economische en geruststellende oplossing lijken hen gewoon af te snijden van de mensheid en hen gelijk te stellen met de monsters waarvan de antieke legenden bol stonden, en die men tot dan toe nog nooit had kunnen ontmoeten. Deze visie is terug te vinden op bepaalde gravures van het einde van de vijftiende eeuw, en zelfs van later. Deze stellingname hield het gevaar in dat elke poging tot evangelisatie zinloos zou worden, zoals al vlug begrepen werd door de missionarissen, die zich in hun drang om zielen te redden opwierpen als de grote verdedigers van de « menselijkheid » van de indianen. Maar de veroveraars zagen in de « on-menselijkheid » het grote voordeel dat ze de bewoners van de Nieuwe Wereld zonder mededogen konden uitbuiten. Het probleem van de natuur van de indianen was één van de terreinen waar de religieuzen in botsing zouden komen met de kolonisten, vooral tijdens de eerste generatie » (J. Lafaye, pp. 61-62).

Paus Paulus III kwam tussenbeide in dit ernstig meningsverschil. Zijn uitspraak was dat de indianen met rede begiftigd waren en bijgevolg bestemd om ook door het doopsel kinderen van God te worden. Maar de pauselijke brief Cardinali toletano en de bul Sublimis Deus dateren slechts van 1537. Lang vóór hem, op het einde van de vijftiende eeuw, had Isabella de Katholieke geprotesteerd dat de indianen haar onderdanen waren, net als de Spanjaarden, en dat het dus onrechtvaardig was hen tot de slavernij te brengen. Zij liet de indianen die naar Spanje meegebracht waren in vrijheid stellen. « De menselijkheid van de indianen », schrijft J. Lafaye, « werd dan misschien wel in vraag gesteld door bepaalde geesten, maar was blijkbaar op geen enkel moment een probleem in de ogen van de machthebbers » (p. 62). Niettemin zou Karel V pas in 1542 de « Nieuwe Wetten van de Indische Wereld » uitvaardigen, waardoor de indianen vrije onderdanen van de Kroon werden.

Ondertussen zou het inlands ras in Nieuw-Spanje uitgeroeid geweest zijn, zoals de eeuw daarop in Nieuw-Engeland gebeurde, waar men echt kan spreken van een genocide! Dat het in Mexico niet zover kwam, was te danken aan een mysterieuze gebeurtenis. Zonder die gebeurtenis is het onmogelijk te verklaren dat ten zuiden van de lijn Matamoros-San Diego, dwars doorheen het Amerikaanse continent, daar waar Amerika Latijns wordt, de indianen in leven gebleven zijn – niet bijeengedreven in enkele paleontologische reservaten, maar als vrije mensen, die hun bloed vermengd hebben met dat van hun veroveraars. Deze gebeurtenis is de tussenkomst van de Maagd Maria, in 1531, tien jaar na de Conquista, om het meningsverschil te beslechten op de meest eenvoudige en buitengewone manier: als vertrouweling koos zij een indiaan, en wel iemand van de laagste sociale klasse, een macehualli, « el más pequeño », « de kleinste van allemaal ». Zij verklaarde hem dat zij zijn Moeder was en dat zij vervuld was van medelijden met hem, Juan Diego, en met al zijn gelijken. En dat zou nog niets zijn als zij geen waarachtige Koningin was, met de macht om haar wil te doen respecteren.

DE « ALLERKLEINSTE » AMBASSADEUR

Juan Diego ontmoet de H. Maagd.
Juan Diego ontmoet de H. Maagd.

De indiaan boog diep en zei: « Vrouwe, mijn Koningin, ik vertrek om te doen wat je mij opgedragen hebt. Ik laat je nu alleen, ik, je arme dienaar. »

Hij haastte zich recht naar het bisschoppelijk paleis langs de Koninklijke Weg, die de Tepeyac over de lagune verbindt met Mexico-Tenochtitlán. Maar de dienaars wilden de armzalige kerel niet toelaten bij de bisschop. Juan Diego bleef dan maar wachten met het koppig geduld van de nederigen, en werd uiteindelijk binnengelaten. In zijn eigen taal vertelde hij wat hij gezien en gehoord had, en een tolk vertaalde zijn relaas voor de pas aangekomen bisschop, Fray Juan de Zumárraga, een minderbroeder. Deze antwoordde: « Mijn zoon, je moet een andere keer terugkomen. Ik ga over dit alles nadenken. »

Dezelfde avond nog stond de ziener opnieuw op de top van de heuvel. De Hemelkoningin was er ook, op dezelfde plek als ’s morgens. Zij wachtte hem op. Van zodra hij haar zag, boog hij voor haar tot op de grond en zei:

« Mijn Meesteres, mijn Vrouwe, mijn Koningin, mijn kleine meisje, ik ben gegaan waarheen je mij gezonden hebt; ik heb je woorden en je verlangen verteld. Met veel moeite ben ik er uiteindelijk in geslaagd binnengelaten te worden bij de Monseigneur die alle priesters leiding geeft. Hij heeft me goed ontvangen en vriendelijk naar mij geluisterd, maar uit zijn manier van antwoorden heb ik opgemaakt dat hij denkt dat de gedachte om een kerk (teocaltzin) te bouwen van mij komt en niet van jou.

« Daarom smeek ik je, mijn Vrouwe, mijn Koningin, mijn kleine kind, belast liever iemand van adel of die in hoog aanzien staat met het overbrengen van je verlangen en je woorden, als je geloofd wil worden. Want ik ben toch maar een arme man, een arbeider, de laatste van het dorp. Ik ben niet op mijn plaats daar waar je mij naartoe stuurt. Och, mijn kleine Vrouwe, mijn kleine meisje, mijn Koningin, vergeef me, ik ga je verdriet doen en pijn, bij jou in ongenade vallen, en je gaat geïrriteerd zijn omwille van mij, mijn Vrouwe, mijn Meesteres. »

De hemelse bezoekster gaf hierop volgend antwoord:

« Luister asjeblief goed, mijn kleine kind. Ze zijn talrijk, mijn dienaars, al diegenen die ik zou kunnen belasten met mijn boodschap en die mijn wil zouden kunnen volbrengen. Maar het is absoluut noodzakelijk dat jij het precies bent die dit uitvoert, die spreekt, en dat mijn verlangen en mijn wil tot stand komen door jouw tussenkomst. Daarom verzoek ik je, mijn zoon, de allerkleinste, en beveel ik je om morgenvroeg terug te gaan naar de bisschop. En zeg hem opnieuw dat het de Maagd Maria is, de Moeder Gods, die je stuurt. »

Juan Diego beloofde het, hoewel hij ook volhardde in zijn bezwaren:

« Mijn Vrouwe, mijn Koningin, mijn kleine meisje, ik wil je gezicht niet ongelukkig zien en je hart geen verdriet doen: ik zal dus gaan, en met overtuiging. Misschien zal hij niet naar mij willen luisteren, of als hij naar mij luistert, zal hij mij dan geloven? En morgen bij zonsondergang zal ik je het antwoord van de bisschop komen brengen. Nu verlaat ik je, mijn dochter, de allerkleinste, mijn Maagd, mijn Vrouwe en mijn Koningin. De vrede zij met jou. »

De volgende dag, ’s zondags, ging hij zich na de mis in tranen aan de voeten van de bisschop werpen. Hij herhaalde de woorden van de Hemelkoningin waaraan Monseigneur geloof moest hechten, evenals aan haar verlangen dat men haar een kerk zou bouwen daar waar zij het vroeg.

Deze keer stelde de bisschop hem tientallen vragen: Hoe zag die Vrouwe eruit? Waar had hij haar gezien? Het oorspronkelijk relaas geeft het antwoord van Juan Diego niet weer maar zegt alleen: « Hij vertelde alles aan de bisschop, al wat hij gezien en bewonderd had, en hij gaf er de beschrijving van, aantonend dat zij wel degelijk de Maagd was, de bewonderenswaardige Moeder van de Verlosser, Onze Heer Jezus Christus. » Ongetwijfeld heeft hij verteld wat hij gezien had in de bewoordingen zelf die wij zouden gebruiken om de Beeltenis te beschrijven die wij vandaag aanschouwen [p. 5]: zij was een jonge vrouw van een uitzonderlijke schoonheid met een mooi gelaat, bruin van tint en verlevendigd door een heerlijke, moederlijke glimlach. Haar handen waren gevouwen en haar hoofd neigde lichtjes naar rechts. Zij droeg een sluier die bezaaid was met gouden sterren en die tot op haar voeten reikte. Zij heeft de taille van een meisje van vijftien jaar en staat op een zwarte halve maan waarop zij haar rechtervoet zet. Ze verduistert de zon waarvan de stralen haar omgeven alsof ze uit haar eigen lichaam tevoorschijn schieten. Ze wordt ondersteund door een engel van wie we alleen de buste zien, met half ontplooide adelaarsvleugels: zijn voeten lijken op te gaan in het waas dat heel het visioen omgeeft.

Als dat de beschrijving van de ziener was, dan moest de bisschop toch wel onmiddellijk de « Inmaculada » herkennen, van wie de devotie in bijzonder aanzien stond bij de franciscanen. Maar de indiaan voegde er ongetwijfeld aan toe dat zij in verwachting was, omwille van een detail dat voor hem onbetwijfelbaar moest zijn, en dat bracht de eerste bisschop van Mexico volkomen van zijn stuk.

DE BISSCHOP VRAAGT EEN TEKEN

Fray Juan de Zumárraga had iets anders nodig dan woorden. Hij vroeg om een teken. Juan Diego beloofde het aan de Hemelkoningin te vragen. Daarop liet de bisschop de ziener gaan, maar hij gaf aan enkele bedienden van zijn huis de opdracht de oude man te volgen. Toen de bedienden bij het ravijn in de buurt van de Tepeyac gekomen waren, zagen ze hem niet meer. Verdwenen! Ze zochten vruchteloos alle paadjes en struiken af, en dropen tenslotte terneergeslagen en boos af om aan de bisschop te vertellen hoe ze door die bedrieger in het ootje waren genomen.

Ondertussen had Juan Diego zijn muchachita teruggevonden en hij vertelde haar wat Monseigneur gevraagd had. « Het is goed, mijn zoon », antwoordde zij. « Morgen zal je naar de bisschop het teken brengen dat hij je vraagt, opdat hij je zou geloven. Weet dat ik je zorgen, je inspanningen en je vermoeidheid zal belonen. Ga nu maar; ik verwacht je morgen. »

Maar maandagmorgen was Juan Diego niet op de afspraak. Bij zijn thuiskomst had hij zijn oom Juan Bernardino zwaar ziek gevonden. En ’s avonds vroeg de oom met aandrang aan zijn neef om in Tlatelolco een priester te gaan zoeken.

Op dinsdag 12 december dus begaf Juan Diego zich nog vóór zonsopgang op weg. Aan de voet van de Tepeyac gekomen, bij de weg naar de top, zei hij bij zichzelf: « Als ik dit pad neem, zou het kunnen dat de Koningin me ziet en dat ze me tegenhoudt om me het teken te geven dat de bisschop vraagt. Maar ik moet me bezighouden met het ongeluk dat ons getroffen heeft, en die priester gaan zoeken. Mijn arme oom lijdt veel en hij kijkt uit naar dat bezoek. » Daarom zocht hij een omweg om haar niet te ontmoeten. « In zijn naïviteit dacht hij dat hij niet zou gezien worden door Haar die ons allemaal ziet », luidt het commentaar van de « Nican Mopohua ». « Hij zag haar terwijl zij afdaalde van de top van de heuvel waar zij hem de eerste keer verschenen was. Zij kwam hem tegemoet en hield vlak vóór hem halt: « Wel, mijn kleine kind, waar loop je naartoe? Waar ga je heen? »

Juan Diego was danig in de war, beschaamd en zelfs bevreesd. Hij viel op zijn knieën:

« Mijn Allerkleinste, mijn Koningin, God beware je! Hoe ben je deze morgen wakker geworden? Voelt je geliefde kleine persoon zich goed? Mijn Vrouwe, mijn kind, ik ga je gezicht en je hart bedroeven; weet je dat één van je kinderen op sterven ligt? Mijn oom is heel ziek, men kan de kwaal die zijn leven bedreigt niet genezen, hij gaat sterven en ik haast me naar één van je verblijven in Mexico. Daar ga ik één van de geliefden van Ons Heer zoeken, één van onze geliefde priesters om mijn arme familielid de biecht af te nemen en al het nodige te doen.

« Als ik dus voor het ogenblik die opdracht moet uitvoeren, beloof ik je wel dat ik op een ander moment zal terugkomen om je boodschap over te brengen. Vrouwe, mijn kleine meisje, vergeef me en wees nu geduldig met mij; ik wil je niet bedriegen, mijn kleine meisje, mijn kind. Morgen kom ik zonder fout zo vlug mogelijk terug. »

Toen zij deze uitleg gehoord had, sprak de barmhartige Maagd volgende woorden, die sindsdien door elke bedevaarder van zijn tocht naar de Tepeyac meegebracht worden als het kleinood bij uitstek van zijn armzalige leven:

« Luister goed naar mij, mijn kleinste, de allerkleinste, en bewaar het diep in je hart: wat je bedroeft, wat je bang maakt, betekent niets. Je gezicht mag er niet door getekend worden, en je hart evenmin. Heb geen angst voor die ziekte noch voor gelijk welke andere beproeving. Ben ik hier niet, ik die je moeder ben? Sta je niet in mijn schaduw, onder mijn bescherming? Ben ik het niet die je gezondheid ben? Lig je niet in de plooi van mijn mantel, in mijn schoot? Wat moet je méér hebben? Neen, heb geen angst en geen bitterheid. De ziekte van je oom mag je niet ongelukkig maken, want voor het ogenblik zal hij er niet van sterven. Wees gerust: hij is al genezen. »

Van zodra Juan Diego deze woorden gehoord had, was hij volkomen getroost en bedaarde zijn hart. Hij begon daarop de Koningin van de Hemel te smeken hem zonder dralen naar de bisschop te sturen met een teken, een bewijs. Zij droeg hem op naar de top van de heuvel te klimmen, naar de plek waar zij hem verschenen was:

« Daar zal je verschillende soorten bloemen vinden. Pluk ze, verzamel ze en maak er een ruiker van. Kom dan naar beneden en breng de ruiker hier bij mij. »

Juan Diego klom naar de top, waar men normaal gesproken alleen maar rotsen, doornen, acacia’s en dergelijke ziet, en bleef daar stomverbaasd staan: er bloeiden op die plek inderdaad prachtige bloemen, van alle soorten, delicate bloemen van Castilië, waarop dauwdruppels als edelstenen fonkelden.

Hij begon ze haastig te plukken en maakte er een ruiker van die hij beneden aan de Hemelkoningin liet zien. Zij bekeek de bloemen, nam ze vast in haar kleine hand en schikte ze in de ayate (voorschoot) van Juan Diego, terwijl ze zei:

« Mijn allerkleinste kind, deze verschillende soorten bloemen zijn het teken dat je naar de bisschop moet brengen. Je moet hem vanwege mij zeggen dat hij mijn verlangen en mijn wil moet volbrengen, dat jij wel degelijk mijn boodschapper bent en dat ik mijn vertrouwen in jou gesteld heb. Op het moment dat je in tegenwoordigheid van de bisschop bent, moet je je mantel openen en hem laten zien wat je meegebracht hebt. En je moet hem alles vertellen, hoe ik je de opdracht gegeven heb helemaal naar de top van de heuvel te klimmen om deze bloemen te plukken en alles wat je gezien en bewonderd hebt. Daarmee zal je het hart van je bisschop raken, en hij zal instemmen met de bouw van de kerk die ik hem gevraagd heb. »

HET UNIEKE WONDER

De indiaan vertrok welgezind, overtuigd van het succes van zijn zending; Onderweg bekeek hij onophoudelijk de bloemen in zijn ayate en genoot van hun geur. Bij het huis van de bisschop gekomen botste hij op diens bedienden; hij verzocht hen met aandrang Monseigneur te verwittigen dat hij ontvangen wilde worden. Maar niemand van hen lette op de oude man: het was nog te vroeg, en daarenboven begonnen ze hem te kennen...

Juan Diego bleef lange tijd wachten. De bedienden waren wel nieuwsgierig naar wat hij in zijn voorschoot verstopt hield, en dus kwamen ze dreigend dichterbij. De ziener begreep dat hij zijn schat onmogelijk nog langer verborgen kon houden en gunde hen voorzichtig een blik: het waren bloemen! De mannen zagen hoeveel verschillende soorten bloemen van Castilië het waren, hoe fris ze eruit zagen ondanks het seizoen en hoe fijn ze geurden, en tot driemaal toe probeerden ze enkele bloemen te pakken te krijgen. Maar tevergeefs: op het moment dat ze de bloemen bijna vasthadden, waren er nog alleen maar geschilderde of geborduurde bloemen op de mantel. Ze liepen daarop naar de bisschop om hem te vertellen wat ze gezien hadden en om te zeggen dat de indiaan al lang verzocht om ontvangen te worden. Fray Juan dacht dat hij misschien gekomen was om het gevraagde bewijs te tonen en gaf bevel hem onmiddellijk binnen te laten.

Juan Diego kwam binnen, boog naar gewoonte diep en zei: « Monseigneur mijn meester, ik heb alles gedaan wat jij gevraagd hebt. Ik heb gesproken met de Vrouwe, Onze-Lieve-Vrouw, de Hemelkoningin, de Heilige Maria, de bewonderenswaardige Moeder Gods. Ik heb haar gezegd dat jij een teken vroeg om me te kunnen geloven en om akkoord te gaan met de bouw van een kerk daar waar zij het vraagt. Ik heb haar ook gezegd dat ik beloofd had jou dat teken te brengen als bewijs van haar wil die ze langs mij om heeft uitgedrukt. Daarom heeft ze jou dit teken willen geven opdat jij haar vraag zou inwilligen. »

Op hetzelfde ogenblik opende hij zijn witte voorschoot die hij tegen zich aangedrukt hield, en de Castiliaanse bloemen vielen eruit. Maar tegelijkertijd verscheen plots de Beeltenis van de Heilige Maria, volmaakt en altijd Maagd, geschilderd op de ayate. Ze verscheen ten voeten uit, zoals men ze heden ten dage nog kan bewonderen op diezelfde ayate [zie foto p. 5].

Juan Diego
Fray Juan de Zumárraga, bisschop van Mexico, aanschouwt het wonder van Guadalupe: beeld in de sacristie van de oude basiliek. De mantel (tilma) van de gewone man van het volk was een eenvoudig rechthoekig stuk weefsel of ayate, waarvan men twee uiteinden vastknoopte rond de nek en de rest gewoon liet hangen als een soort van voorschoot.

Toen de bisschop haar zag, en samen met hem alle andere aanwezigen, vielen ze allen op de knieën neer. Ze waren sprakeloos van bewondering en hevig ontroerd, en hun hart zwol van liefde. Fray Juan bad in tranen tot haar en smeekte haar hem te vergeven omdat hij niet onmiddellijk haar wil had uitgevoerd. Dan stond hij op, maakte de Afbeelding van de Hemelkoningin los van de hals van Juan Diego en nam ze mee om ze in zijn bidkapel te plaatsen. De indiaan bleef de hele dag bij de bisschop, tot de volgende ochtend.

« Vooruit, op stap! » zei Monseigneur toen, « Je moet ons laten zien waar de Hemelkoningin wil dat we die kerk bouwen. »

Nadat Juan Diego de plaats had getoond waar de H. Maagd haar teocaltzin opgericht wilde zien, zei hij tot de anderen dat hij thuis zijn oom Juan Bernardino wilde opzoeken, die op sterven lag toen hij hem verlaten had om een priester te gaan zoeken en die door de Hemelkoningin genezen was.

Enkele personen gingen met hem mee. Bij het huis van de indiaan gekomen vonden ze de oom terug te been, zonder dat hij nog pijn had. Hij bevestigde het verhaal van zijn neef en zei dat de Maagd hem wel degelijk genezen had. Ook hij had haar gezien, juist zoals ze zich aan Juan Diego getoond had, en op precies datzelfde ogenblik had ze hem op wonderbaarlijke wijze genezen. Ze had hem ook nog gezegd dat haar kostbare Beeltenis « Maria altijd Maagd van Guadalupe » moest genoemd worden.

Later bracht men Juan Bernardino naar de bisschop om hem in diens tegenwoordigheid te laten getuigen. Fray Juan de Zumárraga herbergde hen allebei enkele dagen, terwijl men op de Tepeyac de kapel van de Hemelkoningin oprichtte op de plaats waar zij verschenen was aan Juan Diego. Vervolgens bracht de bisschop de kostbare Beeltenis over naar de Iglesia Mayor, de kerk van de franciscanen die toen dienst deed als kathedraal. Heel de stad kwam daarvoor in beweging: iedereen kwam kijken naar de Beeltenis en haar bewonderen en vereren als iets heiligs, en tot haar bidden. Inderdaad, zo besluit de « Nican Mopohua », het is geen mens van deze aarde die de verrukkelijke Beeltenis geschilderd heeft.

Ramón Sánchez Flores heeft in een doorslaggevende mededeling op het congres van het Centro de Estudios Guadalupanos in 1978 aangetoond dat het huis van Fray Juan de Zumárraga, de plaats dus van het mirakel, van « de meest buitengewone historische gebeurtenis in de annalen van Mexico », gesitueerd moet worden vlakbij de ruïnes van de Templo Mayor, het voornaamste heiligdom van de heidense religie.

Het relaas van de « Nican Mopohua » kreeg later nog een soort van “finale” in de vorm van een beschrijving van de schitterende Beeltenis, waarvan de verschijning op die plaats, op de armzalige voorschoot van een gewone « man van het volk », terecht mag beschouwd worden als de geboorteakte van het Mexicaanse volk. De diepste identiteit en de ware oorsprong van dit volk wortelen immers « in het moederschap van de Maagd Maria en in de afstamming van Juan Diego », zoals Ramón Sánchez Flores heel treffend zegt (El origen étnico de Juan Diego, in Histórica, 3de trim. 1979, p. 11). Weldra zullen op alle wegen van Mexico indianen op bedevaart gaan om la Preciosa Imagen te vereren, de Kostbare Beeltenis van la Madrecita de los Mexicanos, de Kleine Moeder van de Mexicanen…

DE EERSTE MIRAKELS

Een tweede inlands relaas, van duidelijk latere datum en niet van dezelfde hand, de « Nican Motecpana », verhaalt de overbrenging van de heilige Beeltenis van de kathedraal naar de teocaltzin op de Tepeyac: de zgn. « kluizenaarskapel van Zumárraga », waarvan de funderingen opgegraven werden. De Beeltenis zal er bewaard worden tot in 1556.

« Toen ze haar de eerste keer naar de Tepeyac brachten, van zodra haar heiligdom klaar was, had het eerste van alle mirakels plaats die zij gedaan heeft.

« Er vond toen een grote processie plaats waarin alle leden van de clerus zonder uitzondering meestapten, en enkele Spanjaarden namens de gezagsdragers van de stad. Ook waren alle Mexicaanse edelen en heren aanwezig, en andere mensen van overal. Alles werd in gereedheid gebracht en rijkelijk versierd op de weg die van Mexico naar de Tepeyac voert, waar het heiligdom voor de Hemelse Vrouwe opgericht was. Iedereen was zeer uitgelaten. De weg stond volgepakt met mensen en aan de twee kanten van de lagune, waar het water nog heel diep is, dreven kano’s vol inboorlingen. Plots ontstond er een felle ruzie. Eén van de boogschutters, verkleed op de wijze van de Chichimeken, spande zijn boog een weinig en liet uit onaandachtzamheid opeens de pijl schieten. Die doorboorde de hals van één van hen die aan het ruziën waren; het slachtoffer viel neer op de grond. Toen men zag dat hij dood was, nam men hem op en legde hem vóór onze Koningin altijd Maagd. Zijn verwanten aanriepen haar opdat zij hem terug tot leven zou willen wekken. Van zodra men de pijl uit zijn hals getrokken had, deed zij hem niet alleen verrijzen maar genas zij ook zijn wonde. De plaats waar de pijl hem doorboord had, was niet meer te zien. Daarop stond hij recht: de Vrouwe van de Hemel deed hem weer lopen, vol blijdschap. Iedereen was vol bewondering en prees de Onbevlekte Vrouwe van de Hemel, de Heilige Maria van Guadalupe, die reeds woord hield. Want zij had aan Juan Diego beloofd dat ze de inboorlingen en hen die haar zouden aanroepen altijd zou helpen en verdedigen » (uitgave door Alfonso Junco, bijlage bij Un Radical Problema Guadalupano, pp. 103-105).

Wij kunnen deze annalen van de eerste “generatie” hier niet uitvoerig behandelen. Ze eindigen met de dood van Juan Diego in 1548, het jaar waarin ook Fray Juan de Zumárraga overleden is, maar bevatten ook het relaas van gebeurtenissen die nà 1548 hebben plaats gevonden. Als de « Nican Mopohua » bezield is door de geest van het Evangelie, dan is de « Nican Motecpana » te vergelijken met de Handelingen van de Apostelen: alles is er vol van de grote adem van Pinksteren, die een geweldige vaart zal geven aan de jonge christenheid van Mexico.

Er is geen enkele reden om te twijfelen aan het geschiedkundig karakter van de verhaalde episodes. Integendeel, wie ze kritisch bestudeert, kan alleen maar besluiten dat ze historisch juist zijn (cf. Lauro López Beltrán, Treinta y dos milagros guadalupanos históricamente comprobados, México, 1972).

KCR nr. 11, september-oktober 2002, pp. 2-9