Wetenschappelijk eerherstel 
Voor de H. Lijkwade van Turijn

4. De kwestie van de koolstofdatering

door abbé de Nantes

In een zonderlinge solidariteit met elkaar slaagden de wetenschappelijke en de kerkelijke wereld er in 1988 in om de publieke opinie ervan te overtuigen dat de datering van de H. Lijkwade door de koolstof-14-methode een moderne versie zou zijn van een soort godsgericht. Die datering zou een doorslaggevend bewijs vormen dat als uitgangspunt moest dienen om de wetenschappelijke verworvenheden en het eeuwenoude geloof in de authenticiteit ofwel te redden, ofwel op onfeilbare wijze te veroordelen. En alle andere bewijzen ? Van geen belang meer !

WAAROM HEEL DAT GEDOE ROND DE C 14-TEST ?

VERMITS alles al verschillende malen bewezen en  overvloedig bevestigd was, meer bepaald door de spectaculaire resultaten behaald door het onderzoek van de STURP, had een dergelijke nieuwe invraagstelling, in de vorm van een uitdaging of een schaamteloze weddenschap, iets onredelijks en zelfs

pervers. Zij kon door niemand op een dergelijke steeds luider en dreigender klinkende toon geëist worden dan precies door de openlijke of verdoken tegenstanders van de echtheid van de Lijkwade, om zichzelf aldus een laatste kans te geven met inzet van al hun financiële middelen, hun internationale relaties en hun cliënteel.

« Broeder Bruno is de enige Franse sindonoloog die zowel een rechtschapen geleerde als een vurige mysticus is. Die competentie en die liefde ondersteunen elkaar wederzijds om een echte doorstoot mogelijk te maken » (abbé de Nantes in 1988 ).

Al in 1983, vervolgens in 1986 en laatst nog op het Congres van Lyon heeft broeder Bruno zijn toehoorders en lezers gewaarschuwd tegen dit verdachte klimaat en de onwettigheid van een dergelijke verwachting aangeklaagd. Hij protesteerde met klem tegen « de afdreiging en desinformatie » die men ten overstaan van de kerkelijke gezagsdragers en de openbare mening gebruikte. Nooit hield hij op deze campagne aandachtig te volgen. Hij voorspelde er de afloop van, zoals die zo hartstochtelijk door de tegenstanders van de waarheid gewenst werd.

Wij moeten slechts zijn boek uit 1983 herlezen, Le Saint Suaire, preuve de la mort et de la Résurrection du Christ, en daarin meer bepaald het vijfde hoofdstuk : Le test du carbone 14 (pp. 87-100). Verder is er zijn artikel uit 1986, La vérité en face, waarin hij de inventaris opmaakt van de « bedreigingen voor de H. Lijkwade ». De ultieme bedreiging is wel degelijk het « duistere complot » dat hij beraamd zag worden met het oog op de grote weerwraak. Door wie ? Door al de overwonnenen van het debat dat begon in 1898 met de foto genomen door Secondo Pia en dat zijn hoogtepunt bereikte met het STURP-onderzoek in Turijn in 1978.

Onze tegenstrevers beeldden zich in dat het na dit « noodlottige verdict » zal gedaan zijn met de H. Lijkwade en dat niemand er nog zal over spreken. Daar bestaat beslist een risico voor, in onze tijd van desinformatie en hersenspoeling van de massa. Maar dit betekent dat men geen rekening houdt met het geloof van honderden miljoenen mensen en evenmin met de morele sterkte en de hartstocht voor de waarheid die geleerden van alle mogelijke landen en zelfs religieuze overtuigingen bezielen. Zij zullen door geen enkel manoeuvre, geen enkele afpersing, geen enkele druk van hun stuk worden gebracht.

Broeder Bruno heeft zich vooral verzet tegen de slechte en onwetenschappelijke geest die aan de basis lag van dit beroep op de nieuwe hulpmiddelen van de kernfysica : “ men ” dwong er ons toe te aanvaarden dat het verdict van de labo’s voor kernanalyse het noodzakelijkerwijs zou halen op de conclusies van alle andere wetenschappen, alsof de kernfysica van rechtswege de nauwgezetheid en waarheid van elke andere wetenschap overtreft !

In zijn hierboven aangehaalde werk schreef broeder Bruno : « Zij die vandaag op een snelle en onmiddellijke C14-proef aandringen, doen dit om andere dan wetenschappelijke redenen. De sindonologie heeft niets te winnen bij een overhaaste meting van radiokoolstof [...]. Het is te hopen dat de autoriteiten van Turijn en van het Vaticaan verder de wijsheid en de moed zullen tonen om aan elke druk te weerstaan, ondanks de bedekte en kwaadwillige toespelingen. De laboratoria van hun kant moeten zo eerlijk zijn te weigeren zich tot proeven te lenen waarvan het resultaat uiteindelijk aan iedereen schade zou kunnen berokkenen, omdat ze de nieuwe methode met een zware hypotheek zou belasten » (SS I, p. 90).

Dit mag volstaan om eraan te herinneren dat het klimaat niet sereen, gezond of heilig was toen de Kerk in 1986 zwichtte voor de druk en de onwaardige chantage die op haar werd uitgeoefend en paradoxaal genoeg besliste om vertrouwen te schenken aan de tegenstanders van de echtheid : alle etappes van de analyse en het toezicht op de verrichtingen werden aan hen toevertrouwd ! Terwijl men veel had mogen verwachten van een degelijk, goed geleid onderzoek met de koolstofmethode, was er van het begin af aan alle reden om te vrezen voor een al te doorzichtig complot.

WAT MEN ER KON VAN VERWACHTEN

De heer Georges Salet, oud-student van de Franse Polytechnische School en een bekwaam wiskundige, liet ons zopas zijn artikel toekomen over De koolstof-14-datering, verschenen in zijn bulletin De Rome et d’ailleurs. Ik betreur het ten zeerste dat ik er niet vroeger kennis van kon nemen, want ik had er nuttige lessen kunnen uit trekken. Ik zal die leemte opvullen door hem nauwgezet te volgen in wat ik nu aansnijd.

En vooreerst treed ik hem bij wanneer hij schrijft : « Ik begin met te zeggen dat de koolstof-14-test, tenminste in principe, uitstekend werkt om oude voorwerpen te dateren en als dusdanig gekend is door alle specialisten. Maar hij moet correct uitgevoerd worden. Want het volstaat niet, zoals sommigen zich inbeelden, het te dateren voorwerp in een apparaat te steken om er de datum te zien uitkomen. Het is heel wat ingewikkelder dan dat. »

Anderzijds « maakt de H. Lijkwade wel degelijk deel uit van de voorwerpen die zo kunnen gedateerd worden, met een marge van onzekerheid. » Men kan niet beweren dat deze dateringstechniek « niet toepasbaar » is op de Lijkwade.

Ondertussen werd de bewuste test toegelaten en uitgevoerd. « Gelet op het belang van de zaak mochten we van elk van de drie laboratoria een volledig, uitgebreid en nauwkeurig verslag verwachten over wat zij precies gedaan hebben. Welnu, die rapporten hebben we niet ! » Wij hebben helemaal niets. Nochtans hebben de wereldlijke én kerkelijke opdrachtgevers onmiddellijk hun besluiten getrokken en opgelegd aan de wetenschappelijke en godsdienstige instanties. Zij hebben, door een bijzonder verrassend misbruik van hun invloed, verklaard dat het verdict « onontkoombaar » was. Met andere woorden : het stond helemaal op zichzelf, het was onfeilbaar en elke betwisting was verboden.

Voor alle duidelijkheid : wij kiezen helemaal geen partij tegen de wetenschap in het algemeen en ook niet tegen deze nieuwe weg van een methodisch zoeken naar de waarheid. Wij moeten wel op onze hoede zijn voor mogelijke vooringenomenheid en ook voor mogelijke kunstgrepen van de tegenstanders van de authenticiteit van de H. Lijkwade. Want deze test is zeer delicaat. Georges Salet omschrijft dit nader : « Hij (de test) kan niet uitgevoerd worden zonder de nodige voorzorgen » en anderzijds « moet het bekomen resultaat soms aanzienlijke verbeteringen ondergaan, omwille van een niet te verwaarlozen onzekerheidscoëfficiënt ».

Allemaal oproepen tot het in acht nemen van een uiterste gestrengheid bij de te volgen procedure en tot de grootste voorzichtigheid bij de interpretatie van de resultaten.

Sta me toe eerst het principe van de radiokoolstoftest uiteen te zetten om de rol ervan te begrijpen in de studie van de H. Lijkwade en voor het kritische onderzoek van de resultaten. Het gaat om de verificatie of liever de bevestiging van de datum van vervaardiging van dit grote stuk lijnwaad, waarvan wij door talrijke dwingende bewijzen weten dat het lichaam van de gekruisigde Jezus er tweeduizend jaar geleden gedurende 36 uur in gewikkeld was, waarna de apostelen het op paasmorgen leeg aantroffen, maar met de mysterieuze afdrukken en bloedvlekken er op.

WETENSCHAPPELIJKE UITLEG

Het tellen van de ¹⁴ C-atomen in een monster van dit lijnwaad is één zaak ; de datering van de vervaardiging ervan is een andere. Wij zullen ons best doen om bondig de gespecialiseerde tekst van Georges Salet weer te geven.

Het vlas waarvan de Lijkwade gemaakt is, oefende zijn normale organische functies uit tot op het ogenblik dat het geoogst werd. Door fotosynthese nam het uit het koolstofdioxide van de atmosfeer koolstof op en gaf zijn zuurstof terug vrij... voor ons aller welzijn, mens en dier, die slechts in leven kunnen blijven door die zuurstof in te ademen. Welnu, de door de planten opgenomen koolstof bestaat uit drie isotopen : ¹² C en ¹³ C, stabiele isotopen die met elkaar verbonden zijn in een constante verhouding van 99 % ¹² C en 1 % ¹³ C, en het instabiele ¹⁴ C dat radioactief is en voorkomt in een constante verhouding van één triljoenste, dat wil zeggen één op duizend miljard van de massa van de vaste koolstof en dit zolang het leven duurt.

Door fotosynthese wordt koolstof-14 opgenomen door planten en komt de stof in de voedselketen terecht. Door metabolische uitwisseling zal de verhouding gelijk blijven zo lang het organisme leeft, maar bij sterfte zal de hoeveelheid koolstof-14 door radioactief verval langzaam afnemen.

Dezelfde verhouding aan ¹⁴ C vinden we terug in het koolstofdioxide van de atmosfeer en in elk levend organisme dat met de atmosfeer, direct of indirect, in verbinding staat. Op het constante karakter van deze verhouding steunt de hele methode. Want op het ogenblik dat het leven eindigt, verliest het dode organisme stapsgewijs zijn ¹⁴ C zonder er terug aan te maken.

Koolstof-14 heeft een halveringstijd – de tijd die nodig is om de helft van zijn oorspronkelijke massa te verliezen – van 5730 jaar, ongeacht wat er chemisch met het materiaal gebeurt. Dat wil zeggen dat na 5730 jaar de helft van alle koolstof-14 is verdwenen, na tweemaal 5736 jaar driekwart en na 57.360 jaar 99,9 %. Zo begon het vlas waarvan de Lijkwade geweven is zijn ¹⁴ C-atomen te verliezen vanaf het ogenblik dat het geoogst werd. Gedurende een periode van 5730 jaar zal het de helft van zijn oorspronkelijke massa aan ¹⁴ C verliezen, terwijl zijn isotopen ¹² C en ¹³ C hun massa continu bewaren en voor het overige trouwens alles in dezelfde toestand blijft.

Georges Salet benadrukt terecht het feit dat geen enkele oorzaak van chemische aard, door uitwendige beïnvloeding van het nucleaire evenwicht van de stof, ook maar iets kan wijzigen aan het ritme van de radioactiviteit (met uitzondering van kernactiviteit, maar dat doet hier niet ter zake). Hij schrijft : « Alles wijst erop dat de radioactiviteit niet wordt opgewekt door een buiten de atomen gelegen oorzaak, want dan zou het verschijnsel geen dergelijke regelmaat kennen... waarop men nooit de kleinste uitzondering heeft kunnen vaststellen. »

Bijgevolg – en ik onderstreep met de auteur deze waarschuwing van kapitaal belang – moet men in de zaak die ons bezighoudt radicaal alle hypothesen verwerpen die te vaak geformuleerd werden of in de toekomst nog zullen worden uitgebracht, namelijk dat de Lijkwade in de loop van haar geschiedenis in omstandigheden zou hebben verkeerd die de desintegratie van ¹⁴ C vertraagd zouden hebben.

Bijgevolg is de theoretische berekening gemakkelijk. Zij laat toe uit de hoeveelheid ¹⁴ C in een monster van het vlas de datum van de oogst te bepalen, die het vertrekpunt vormt van zijn onafwendbare en onomkeerbare desintegratie. Zo heeft Salet een vergelijkende tabel opgesteld van de ouderdom van de Lijkwade op verschillende tijdstippen en de overeenkomstige percentages aan ¹⁴ C nog aanwezig in het lijnwaad.

Volgens deze tabel moet men vaststellen dat er aan de veroudering van 1958 jaar 1, op basis van een constante massa aan ¹² C en ¹³ C die ons de oorspronkelijke massa aan ¹⁴ C laat kennen, een vermindering aan ¹⁴ C met 21 % beantwoordt ; er blijft dus 79 % van de oorspronkelijke radioactieve massa aan ¹⁴ C over. Dit hadden we mogen verwachten van de meting door de drie labo’s, vanuit de zekerheid dat de aankoop van een gloednieuwe lijkwade door Jozef van Arimatea in het jaar 30 – en dus, op enkele maanden of jaren na, de oogst van het vlas waarvan zij geweven is – plaatsvond, 1958 jaar geleden.

Koolstof-14 heeft een halveringstijd van 5730 jaar : na 5730 jaar is de helft van alle ¹⁴ C verdwenen, na 11.460 jaar blijft er nog 25 % over enz.

Kardinaal Ballestrero heeft de ruwe resultaten van de drie labo’s niet gepubliceerd en zelfs niet hun statistisch gemiddelde. Hij heeft enkel aangegeven met welk tijdvak zij corresponderen : de 13de-14de eeuw, tussen 1260 en 1390. Een blik op de tabel van Salet geeft voor een dergelijke ouderdom een verlies van 7,6 % en dus een restant op dit ogenblik van 92,4 % van de primitieve radiokoolstof, zoals vastgesteld in de laboratoria.

Het gevolg is duidelijk en dramatisch. Het betekent aan de ene kant de overwinning voor de tegenstanders van de echtheid en aan de andere kant de diskwalificatie van alle geleerden die elk vanuit hun eigen discipline tot de authenticiteit besloten hadden. Het verschil tussen de cijfers is te groot om het te kunnen toeschrijven aan de onnauwkeurigheid van de metingen.

Als men het verschil maakt tussen de twee cijfers (92,4 – 79) bekomt men een verschil van 13,4 % ten opzichte van de oorspronkelijke massa. Maar als men voorbijgaat aan de wiskundige abstractie en terugkeert naar de fysische realiteit, dan stellen we vast dat het gehalte aan koolstof-14 dat correspondeert met de vaststaande ouderdom van de Lijkwade van 1955 jaar (op basis van het onderzoek door de STURP) 79 % bedraagt. Ten opzichte van dit percentage houdt het door de kardinaal meegedeelde percentage van 92 % een te grote overschrijding in, teveel om het verschil te wijten aan de onzekerheidsmarge van de metingen in de laboratoria.

WAT MEN WEL EN NIET KAN ZEGGEN

Bij gebrek aan enig verslag van de proeven kan er geen discussie gevoerd worden over de juistheid en de nauwkeurigheid van de telling van de aanwezige of verdwenen ¹⁴ C-atomen. Anderzijds staat ook de striktheid van de algemene wet van de radioactiviteit helemaal buiten kijf, want hierop kan in normale natuurlijke omstandigheden geen enkele door de wetenschap gecontroleerde uitzondering worden vastgesteld. De discussie kan dus slechts gaan over bijzondere ogenblikken in de geschiedenis van dit linnen, als men daarbij oorzaken van nucleaire wijziging – en dus oorzaken van fouten in de berekeningen – kan aanbrengen. Hierna volgen drie van die ogenblikken die vanuit theoretisch standpunt bekeken plausibel zijn :

– ofwel overschreed het gehalte aan koolstof-14 in de atmosfeer de wereldwijd toegelaten dosis van 10⁻¹² op het ogenblik en op de plaats van de oogst van het vlas ;

– ofwel heeft de Lijkwade in haar 1955 jaar oude geschiedenis door een externe oorzaak een heraanvulling ondergaan van radiokoolstof die overeenkomt met 13,4 % van haar oorspronkelijke massa en met het gedeelte dat er bij de metingen teveel was ;

– ofwel heeft de miraculeuze gebeurtenis van de Verrijzenis van Christus, waarvoor de geheimzinnige warmtestraling die het lijnwaad geoxideerd heeft al een onloochenbare aanwijzing vormde, bijkomende koolstof-14 ogenblikkelijk verankerd, dus met een analoog effect als bij een thermonucleaire explosie.

Deze drie hypothesen verdienen bestudeerd te worden, al was het maar om te vermijden dat onze verbeelding op hol zou slaan, buiten de door de wetenschap afgebakende wegen...

Wij moeten er ons inderdaad voor hoeden overal mirakels achter te zoeken. We kunnen beter de ingenieur en wiskundige Georges Salet, die zeer voorzichtig te werk gaat, op de voet volgen in zijn doorlichting van mogelijke oplossingen : zowel degene die men verder dient te onderzoeken als de onmogelijke, de fantastische, die men moet uitsluiten om de verheven zaak die wij met recht verdedigen niet te compromitteren.

Aan alle geleerden « die geloven in de echtheid van de Lijkwade, maar niet onderlegd zijn in de wetenschappen » en die, om de Relikwie te verdedigen, « buitensporige hypothesen over de radioactiviteit en de koolstof-14 zouden uitvinden en ondersteunen », biedt Georges Salet zijn studie aan, in de hoop « hen ervan af te brengen wetenschappelijk onaanvaardbare hypothesen aan te brengen. [...] In plaats van te zeggen : dat is er gebeurd, zeg ik liever : dat is zeker niét gebeurd, maar misschien wel het volgende » (p. 6).

TE VERWERPEN OPLOSSINGEN 

Een belangrijk surplus aan ¹⁴C in de atmosfeer ?

Het is niet redelijk een hoger gehalte aan koolstof-14 dan normaal te veronderstellen op het ogenblik van de oogst van het vlas waarvan de Lijkwade geweven werd. Schommelingen in de kosmische straling zijn met zekerheid bekend ; het optreden ervan wordt ingecalculeerd in de interpretatie van de ¹⁴C-testen en de specialisten houden er rekening mee bij de dateringen. Maar :

« Zelfs belangrijke wijzigingen in de kosmische activiteit gedurende cycli waarvan de lengte kleiner is dan die van de halveringstijd van ¹⁴ C, hebben weinig invloed op de hoeveelheid ¹⁴ C in de atmosfeer » en dus ook op die welke aanwezig is in de levende organismen van de beschouwde periode (p. 33). Zo moet men ook « de idee verwerpen dat de variatiecoëfficiënt van ¹⁴ C kan afhangen van de plaats » van de oogst van het vlas.

De eerste mogelijke uitleg moet dus worden verworpen. Een eerste deur kunnen we sluiten.

Een tussentijdse verankering van koolstof ?

De hypothese van een « vervuiling van de H. Lijkwade » door een of andere externe kracht in de loop van haar beslist bewogen geschiedenis is eveneens onredelijk.

De brand van 1532 leidde ertoe dat veel water op het doek werd gegoten : de koolstof zou het weefsel op noodlottige wijze doordrenkt hebben en daardoor zijn gehalte aan ¹⁴ C verhoogd hebben. Berekeningen bewijzen dat deze theoretisch geloofwaardige hypothese in dit geval niet houdbaar is : « De zouten in het over de Lijkwade uitgestorte water kunnen geen gehalte aan ¹⁴ C hebben dat hoger is dan 1 [het normerende gehalte voor alle levende wezens]. Het water had in de Lijkwade een aanzienlijke hoeveelheid zouten moeten achterlaten dat volgens berekeningen zou moeten overeenkomen met 60 % van zijn gewicht », waardoor zij stijf zou moeten staan van het zout !

« Het weefsel is daarentegen volmaakt soepel. De beschouwde hypothese moet verworpen worden. »

Het roten van het vlas waarvan de Lijkwade geweven werd, suggereert een gelijkaardige hypothese, maar een eenvoudige redenering van het gezond verstand volstaat om haar te verwerpen :

« Wil men spreken van een afzetting van koolstof in het vlas afkomstig van het water waarin het werd geweekt ? Maar in de veronderstelling dat een dergelijke afzetting heeft plaats gehad, zou dit volgens de metingen de Lijkwade “ verouderd ” in plaats van “ verjongd ” hebben. Inderdaad, deze afzetting zou slechts kunnen voortkomen van bron- of rivierwater, dus grondwater. Het zou dan noodzakelijk ouder zijn en dus minder rijk aan ¹⁴C dan het linnen »... dat op dat ogenblik nog nieuw was !

Zo zou men ongetwijfeld nog andere, meer verleidelijke dan solide hypothesen van dezelfde aard kunnen verwerpen. Een tweede deur kunnen we dus blijkbaar sluiten.

De Amerikaan Willard Libby ( 1908-1980 ) ontwikkelde in 1949 de koolstof-14-dateringsmethode. In 1960 kreeg hij hiervoor de Nobelprijs scheikunde.

Zou het tenslotte kunnen gaan om de “ flash ” van de Verrijzenis ?

Laatste hypothese, opwindend voor de gelovigen, dwaas en uitzichtloos voor de wetenschappers en daarom ook door Georges Salet absoluut verworpen. De Verrijzenis van de Heer zou een thermonucleaire storm geweest zijn, waarvan alle miraculeuze aspecten van de H. Lijkwade het gevolg waren. Ik citeer volledig de reactie van Salet, vooraleer zijn besluit over te nemen, maar zonder de door hem opgegeven redenen te aanvaarden !

« Het zou een grote dwaasheid zijn te denken dat Christus door te verrijzen de hoeveelheid koolstof-14 die zich van nature in de Lijkwade bevond zou verhoogd hebben.

« Ik ben niet gekant tegen de idee dat de negatieve afdrukken op de Lijkwade en met name die van het gelaat van miraculeuze oorsprong zouden zijn en de Verrijzenis als oorzaak zouden hebben. Maar deze laatste is niets anders [sic] dan de overgang van het lichaam van Christus naar de glorierijke toestand. Jezus is ontsnapt [!] aan de linnen weefsels en het graf op dezelfde wijze [?] als toen Hij het Cenakel binnenkwam waarvan alle deuren gesloten waren (Jo 20, 19-26).

« Zeer zeker had Hij op wonderbare wijze, op het ogenblik dat Hij verrees, gelijk welke chemische verandering in het linnen kunnen veroorzaken, maar men ziet niet goed in met welk doel. Wilde Hij ons een valstrik spannen door de hoeveelheid ¹⁴ C te verhogen tot de juiste hoeveelheid nodig om de Lijkwade te situeren in het tijdperk dat door de tegenstanders van de echtheid werd vastgelegd ? Dat is ondenkbaar » (p. 35).

Paradoxaal genoeg geef ik de schrijver gelijk, tegen mijn vroegere opvattingen in ; maar de door Salet gegeven verklaring, die mij onwaardig lijkt voor een wetenschappelijke geest, wil ik weerleggen. Hoe durft hij schrijven : « de Verrijzenis is niets anders dan... » en verder spreken over « de glorierijke toestand van het lichaam van Christus » met dezelfde zekerheid als iemand die spreekt over de vaste, vloeibare of gasvormige toestand van gelijk welk lichaam ! Ik ben verontwaardigd...

Maar toch overtuigd. Hoezo ? Juist omdat de povere uitleg van p. 35 gedragen wordt door de onmiskenbare kracht van zijn algemeen betoog op p. 21. Ik citeer :

« Het onderscheid tussen “ chemische reacties ” en “ nucleaire reactie ” is fundamenteel... Alle reacties die zich voordoen bij levende organismen zijn chemische reacties [onderstreept in de tekst] en tot aan de zeer recente uitvinding van de kernreactor zijn alle reacties door de mens opgewekt uitsluitend chemische reacties.

« Chemische reacties en nucleaire reacties verschillen hierin : de atoomkernen blijven onveranderd bij chemische reacties [onderstreept in de tekst] waar alleen de elektronen tussenkomen die rond de kernen draaien op een aanzienlijke afstand... In alle chemische reacties trekken de kernen zich in zekere zin terug in hun perfecte afzondering, onverschillig tegenover alles wat er rondom gebeurt... Men mag dit niet vergeten : het zijn niet de kernen die aan de atomen en de moleculen hun scheikundige eigenheid geven, maar alleen de dynamische en ingewikkelde structuur van het geheel van elektronen en kernen.

« De kernreacties daarentegen raken de kernen zelf. Maar men kan hierop niet gemakkelijk inwerken. Zij kunnen slechts gewijzigd worden door drie oorzaken : 1° de botsing met andere kernen, die zich slechts kan voordoen bij fantastisch hoge druk en temperatuur, namelijk in de zon en de sterren, de atoombommen en de deeltjesversnellers ; 2° de botsing van neutronen (kernreactoren en -bommen) ; 3° de werking van kosmische straling in de hogere atmosfeer.

« Met uitzondering van deze drie gevallen blijven de kernen identiek dezelfde en geen enkele externe handeling kan ze wijzigen. Zij manifesteren zich slechts door hun massa en hun positieve elektrische lading. Het zijn dus dingen die gehoorzamen aan alle wetten van de mechanica en het elektromagnetisme » (pp. 21-22).

DE VERRIJZENIS HEEFT NIETS 
MET HET “ NUCLEAIRE ” TE MAKEN

Een tijdje geleden heb ik een samenvatting gegeven van een Nota over de datering door koolstof-14 die een andere oud-student van de Polytechnische School op mijn verzoek had opgemaakt. De deskundigheid inzake thermonucleaire fysica van deze geleerde verdient alle vertrouwen, evenals zijn katholiek geloof dat minstens op dezelfde hoogte staat als zijn wetenschappelijke kennis. Ik haal hieronder het eerste deel van zijn besluit aan :

« Alles wat voorafgaat, zijn slechts niet geverifieerde of zelfs niet te verifiëren hypothesen, die veel van hun gewicht verliezen als men stilstaat bij de “ uitstraling ” (om een menselijk woord te gebruiken) van de Verrijzenis. Welke storm van protonen en neutronen is misschien gepaard gegaan met de thermische straling die een verklaring biedt voor de afbeelding die wij kennen ? Men zal het nooit weten, ook al zal de Lijkwade ons misschien op een dag een idee geven van die thermische straling en de ermee samenhangende radioactiviteit. »

De bescheidenheid van deze geleerde ten overstaan van de meest mysterieuze gebeurtenis in de hele wereldgeschiedenis trok mij aan. En toch kies ik tussen die twee polytechnici definitief voor de afwijzing door de ene (Salet) boven de evenwichtige veronderstelling van de andere : indien een wetenschapper op grond van bewijzen kan en moet toegeven dat een “ thermische straling ” aan de basis ligt van de afdruk op de Lijkwade, dan kan en mag hij om geen enkele reden een “ hiermee samenhangende radioactiviteit ” veronderstellen, die op zichzelf een mirakel zou vormen... en met welk opzet ? Toch niet om het gehalte aan ¹⁴C met 17 % van het gehalte dat men had moeten bekomen te verhogen en ons, zoals Salet het ironisch zegt, aan handen en voeten gebonden in het kamp van de tegenstanders te gooien, midden in de 14de eeuw. Neen, dat zou al te dom zijn !

Vandaar mijn formeel en definitief besluit. Elke wijziging van de Lijkwade is mogelijk in de chemische structuur van haar materie, want alleen deze kan door uitwendige krachten beïnvloed worden. Het dynamische evenwicht van de atoomkernen daarentegen valt daarbuiten en kan niet gewijzigd worden, tenzij door het equivalent van kernsplitsingen in onze atoomindustrie. Daarvan vindt men geen enkel spoor terug en men kan er ook geen reden voor opgeven. Wat de mirakels betreft, deze hebben een eigen impact op de zichtbare wereld en hun betekenis is vatbaar voor het verstand dat door het geloof verlicht wordt.

De Verrijzenis van Christus als lichamelijk, zichtbaar en tastbaar feit kan en moet een zeker effect gehad hebben op de omringende voorwerpen, zoals zij daarna ook zou hebben op de personen die als getuigen zullen gekozen worden. Het effect op de Lijkwade veronderstelt oorzaken van fysische en scheikundige aard, zoals de gewichtloosheid en de straling in een eenrichtingsbundel, met opmerkelijke thermochemische uitwerkingen.

De uitwerking op personen veronderstelt een felle lichtstraling, in staat om te verblinden of zelfs blind te maken, zoals bij Saulus op weg naar Damascus. Het is dus geen dwaasheid te veronderstellen dat op het ogenblik van de Verrijzenis vanuit dat Lichaam, en meer nog vanuit het Gelaat, een bundel hevige warmte is uitgegaan die in staat was om het vocht in het doek te doen verdampen. En uit de manier waarop dit gebeurde, kunnen wij opmaken dat deze straling volkomen beheerst werd, zowel in intensiteit als inzake de richting : ze werd bijgevolg geleid door een intelligentie en een macht van bovenmenselijke aard, met als resultaat een oppervlakkige en geschakeerde bruinkleuring van het weefsel en een volmaakte afbeelding van de vorm en het uitzicht van het Lichaam.

Zoals eertijds ons dienstmeisje Alice per vergissing met een te hete bedpan brandsporen naliet op de lakens van mijn grootmoeder, zo werd ook de Lijkwade getekend : enerzijds door een ongeluk met gloeiende wierookkorrels of een hete pook en vervolgens door de brand van 1532... en anderzijds, volgens dezelfde fysisch-chemische processen, maar in een totaal andere hoedanigheid en met een andere bedoeling, door de afdruk van het Lichaam van de goddelijke Gekruisigde.

Dit mirakel wekt bewondering door zijn kwaliteit en betekenis. De kortstondige, zachte, intelligente warmtestraling, die ons dit duidelijk teken van de Verrijzenis naliet, is volgens ons waardig om geplaatst te worden onder de wonderen van het Evangelie, licht voor onze ogen, warmte voor ons hart.

Daarentegen zou een thermonucleaire reactie, die het linnen verrijkt zou hebben met een “ vervelend ” surplus aan koolstof-14, een machtig wonder zijn, maar zonder betekenis voor ons. Deze reactie zou een uitstraling van energie gevergd hebben die vergelijkbaar is met die van kosmische straling. Ze zou als een regen van neutronen vanuit het verrijzende Lichaam ingewerkt hebben op de in het linnen aanwezige stikstof, om vervolgens koolstof-14 te genereren die het lijnwaad dan door fotosynthese zou vastgelegd hebben, omdat het gedurende een ogenblik opnieuw de eigenschappen van een levend organisme zou gekregen hebben...

Zou het Lichaam van Christus neutronen als een sterrenregen in zijn Lijkwade uitgezaaid hebben ? Maar de tegenwerping van Salet in dit verband is toch afdoende en we hernemen ze hier nogmaals : waarom zou het effect van deze verrijking van de Lijkwade, namelijk een verhoging van 17 % van het normale gehalte, de goddelozen in de kaart spelen om hun stelling van een middeleeuwse vervalsing door te duwen ?

« HET IS TE MOOI OM WAAR TE ZIJN ! »

Ja, het is te mooi om waar te zijn, die sensationele overeenkomst van data. Aan de ene kant de wonderbaarlijk convergerende data van de drie laboratoria die alle uitkomen rond de gemiddelde datum van 1325, ondanks het onderling overeengekomen mistgordijn dat ze opgetrokken hebben door te weigeren hun gedetailleerde rapporten vrij te geven. Aan de andere kant het jaartal dat de modernistische historicus kanunnik Ulysse Chevalier (1841-1923) indertijd aan de publieke opinie heeft opgelegd : volgens hem werd de pseudo-lijkwade in 1355 “ gefabriceerd ” ; daarvoor baseerde hij zich uitsluitend op de brief toegeschreven aan Pierre d’Arcis... 2

Stel jullie de kreten van verontwaardiging van de wetenschappelijke wereld voor indien de drie labo’s met hun approximatieve data in de eerste eeuw van onze tijdrekening waren uitgekomen !

Men zou moord en brand geschreeuwd hebben en van “ bedrog ” gesproken hebben... terwijl de objectieve en met tal van argumenten bewezen juistheid van deze datering vaststaat als een paal boven water !

Het door de drie labo’s bekend gemaakte jaartal van ca. 1325, tegen alle andere bewijzen in, kan enkel het gevolg zijn van een onderling geheim akkoord tussen de uitvoerders van de proef. Deze zogenaamde relikwie is niets anders dan een middeleeuws bedrog dat opdook in de 14de eeuw in Lirey, beweert Ulysse Chevalier. Het is een schilderij uit de middeleeuwen, zegt McCrone. Wel, antwoorden de laboratoria door toedoen van kardinaal Ballestrero, het is precies in die periode dat het vlas waarvan de Lijkwade gemaakt is, geoogst werd ; het is de koolstof-14 die het ons garandeert !

Dat riep bij mij plots een herinnering op. Tijdens de Chantiers de Jeunesse waaraan ik deelnam, in 1942, kwamen er muilezeldrijvers Valchevrière bevoorraden. Zij hadden 150 liter wijn in Villard-de-Lans opgeladen, wat door mij gecontroleerd was, en kwamen de avond daarop terug in het kamp aan met 180 liter in hun vaten... Tijdens het transport was de wijn toegenomen in gewicht en volume ! Het was te mooi om waar te zijn... Ik was jong en naïef. De kok van het kamp was dit minder en legde mij het feit wetenschappelijk uit : ze hadden er zoveel van verkocht, uitgedeeld en gedronken (die laatste “ correctiecoëfficiënt ” konden we ter plekke nagaan !) dat zij op de drinkplaatsen die zich langs de boswegen bevonden de vaten opnieuw met water hadden bijgevuld om er zeker van te zijn genoeg te hebben. Maar “ trop is te veel ”!

Het feit van de convergentie van de drie foutieve data opgegeven door de tegenstanders van de H. Lijkwade roept duidelijk vragen op. Als twee leerlingen een juist antwoord geven, hebben ze daarom nog niet van elkaar afgeschreven. Maar als acht leerlingen die dicht bij elkaar zitten hetzelfde verkeerde antwoord geven, dan hebben zij elkaar dat antwoord wél doorgespeeld !

Vandaar mijn twijfels – louter theoretisch, ingegeven door de kansberekening ! – over de objectiviteit van de drie resultaten en mijn zeer eenvoudige hypothese : zij hebben zulke hoge cijfers bekomen voor het gehalte aan koolstof-14 dat de interpretatie van hun resultaten zeer recente, té recente data gaf, die een voor de hand liggend anachronisme inhielden. De statistische commissie, belast met het verfijnen en het harmoniseren van de drie resultaten, wierp een blik op de algemeen gekende geschiedenis van de Lijkwade en heeft de resultaten vervolgens verouderd. Om niet voor schut te staan en te kunnen uitpakken met een realistische ouderdom, moest men minstens teruggaan tot de 14de eeuw !

Laat ons terug verwijzen naar de door Georges Salet opgestelde tabel. Een desintegratie met 7,6 % van de initiële massa aan ¹⁴ C correspondeert met een veroudering van het linnen van 650 jaar. Dat is het door de kardinaal meegedeelde resultaat... Maar stel dat zij met hun apparaten slechts een aantal atomen geteld hadden dat overeenkomt met 6 %, dan hadden ze een ouderdom van 511 jaar moeten toegeven en de volgende berekening moeten maken voor de datum van de oogst van het vlas : 1988 - 511 = 1477. In 1477 was de Lijkwade echter sinds lange tijd in handen van de hertogen van Savoie en werd ze in het openbaar vereerd door het volk.

De koolstofspecialisten zouden zich belachelijk gemaakt hebben als ze met het jaar 1477 afkwamen. En dus manipuleerden ze het resultaat met 1,6 % aan ¹⁴ C... zoals mijn muilezeldrijvers, die voor hun teveel aan 30 liter wijn als straf kaalgeschoren werden !

MIJN ZUIVER THEORETISCH BESLUIT

Als men, zelfs van op afstand, de duizenden risico’s kent waardoor vergissingen mogelijk zijn bij dergelijke tellingen, dan dringt zich een eerste zekerheid op : tot dergelijke experimenten zou men moeten overgaan zonder enige hoogdravendheid, zonder campagne in de media en vooral zonder enige geheimdoenerij. De labo’s hadden hun ruwe resultaten moeten geven zonder dat ze zich moesten bekommeren om het gevolg ervan, de lof of de blaam, de tevredenheid of de woede van de ene of de andere partij.

Men had aan iedereen de zorg en de totale vrijheid moeten laten voor de interpretatie van de atoom- of elektronentellingen, elk volgens zijn eigen methoden, theorieën of vergelijkende tabellen, om er onder zijn eigen verantwoordelijkheid verschillende dateringen uit af te leiden, die alleen maar plausibel zouden zijn... als ze bijgestuurd konden worden op basis van gegevens van andere wetenschappen of door nieuwe experimenten uitgevoerd op andere monsters. Ik herinner er nochtans aan dat de munt van Pontius Pilatus op het ooglid het voor alle wetenschappers van de wereld zou halen op elk ander dateringsmiddel en in het bijzonder op de koolstof-14 ! Maar neen, er is sprake van een bitter bestreden relikwie van de Kerk...

De personen die aanvaard hebben tot deze dateringstechniek over te gaan, van kardinaal Ballestrero tot de eigenaars en de beheerders van de laboratoria, hebben zich slechts in een dergelijke onderneming kunnen storten na onderling akkoord te zijn gegaan over een nauwe, geheime, onafgebroken en strikte samenwerking. Die moest verhinderen dat ze zich voor altijd belachelijk zouden maken voor de wereldopinie en vooral binnen de rationalistische middens. Bijgevolg zijn het niet de machines die hun wetten gedicteerd hebben aan de mensen, maar de mensen, hun wetenschappelijke en kerkelijke “ maffia’s ”, die de resultaten van de machines zodanig gemanipuleerd en bijgestuurd hebben dat de uitdaging waar ze voor stonden uitliep op hun eigen eer en algemene voldoening.

Nu rest er ons nog de publicatie te eisen van de analytische verslagen van de drie laboratoria en eveneens die van de commissie van het Metrologisch Instituut Colonetti in Turijn, die belast was met de interpretatie van de resultaten. Daarbij hopen we dat ze allemaal « volledig en gedetailleerd zullen zijn, zodat ze niets in het duister laten » (Salet, p. 31).

Nog vooraleer over te gaan tot de studie van wat er zich precies heeft afgespeeld, moeten we stellen dat de koolstof-14-test onder de sindonologische onderzoeksmethoden voor ons de moeilijkste en de meest onzekere is. Het was een grove misstap deze methode te verkiezen boven alle andere, gezien haar niet te vatten en gedeeltelijk oncontroleerbaar karakter.

Wij stellen de wetenschappelijke waarde van de koolstof-14-datering niet in vraag. Maar wij klagen wel iets ongezonds, iets goddeloos aan in de halsstarrigheid waarmee de rationalistische onderzoekers en de modernistische theologen zich achter deze methode proberen te verschansen. Zij hopen zo te kunnen blijven twisten en te weigeren de waarheid aan te nemen over het voorwerp dat door de eeuwen heen altijd gehouden is voor wat het ook werkelijk is : de H. Lijkwade van Jezus Christus.

Hoe zou Onze-Lieve-Heer zich vandaag richten toe een wetenschapper ? Ik durf een poging wagen :

« Ik heb je toegestaan ver genoeg door te dringen in de wetten die mijn Schepping beheersen opdat je in staat zou zijn mijn Beeltenis te ontdekken en te herkennen en zo je geloof te versterken in mijn Waarheid, zoals die wordt uitgedrukt door wat mijn evangelisten geschreven hebben.

« Maar je hoogmoed heeft de bewijzen die Ik je gaf willen natrekken. Het middel waarvan je zo zeker was, liet je stranden bij iets onwaarschijnlijks. Denk je werkelijk dat Ik toegestaan zou hebben dat een sterveling, dertien eeuwen na Mij, de vanzelfsprekende tekenen van mijn Kruisiging zou kunnen na-apen ?

« Alles is omgeslagen toen, in de duisternis van het graf, mijn Goddelijke Persoon met macht en glorie terug zijn lichamelijke leven heeft opgenomen, daarbij mijn Beeltenis nalatend op mijn Lijkwade door een daad waarvan jij nooit de geheimen zal doorgronden.

« Houd op met die drukdoenerij rond mijn Beeltenis ! Val op je knieën en vereer haar. Breng dank aan mijn Vader omdat Hij toegestaan heeft dat op hetzelfde ogenblik van je Verlossing jullie een teken werd nagelaten dat even zeker is voor de ogen van de nederige als verwarrend voor de geest van de hoogmoedige. »

 

 

 

Deze voordracht werd gehouden in 1988 en Christus stierf, volgens het exegetisch onderzoek uitgevoerd door broeder Bruno, in het jaar 30.

Over dit onbetrouwbare memorandum zie deel 1, voetnoot 5.