Geloof en zwakte van Petrus

Jezus prijst Petrus omdat hij zijn geloof in Hem uitspreekt en stelt hem aan als Steenrots van de toekomstige Kerk. Maar enkele verzen verder noemt Hij hem een satan en keert zich van hem af... We leggen hier de vinger op de hele tragiek van de conciliaire pausen, bestemd om net als hun voorgangers in naam van Christus leiding te geven aan de kudde, maar verleid door de bekoring om zijn Kruis weg te moffelen.

OPVOLGER VAN CHRISTUS

VOLGENS de chronologie van het leven van Onze  Heer Jezus Christus die wij opgesteld hebben, bereiken we een scharnierpunt in het Evangelie in de maand september van het jaar 29. Jezus trekt met zijn apostelen het heidense gebied van Caesarea Filippi binnen, gelegen aan de voet van de berg Hermon. De tetrarch Filippus, zoon van Herodes de Grote, had er een stad gebouwd ter ere van keizer Augustus. In het vrij uitgestrekte grondgebied van de tetrarchie, dat volledig aan de overkant van de Jordaan lag in wat nu Syrië is, waren de Joden sterk in de minderheid.

« Toen Hij eens in de eenzaamheid aan het bidden was en zijn leerlingen bij Hem waren, stelde Hij hun de vraag : “ Wie zegt het volk dat Ik ben ? ” Ze antwoordden : “ Johannes de Doper ; anderen zeggen : Elias ; en weer anderen : een van de oude profeten is verrezen ” » (Lc 9, 18-19). Hieruit blijkt dat de grote menigte, de meerderheid van de Joden, niet echt in Jezus gelooft : zij hebben Hem niet begrepen.

« Hij zei hun : “ Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben ? ” Simon Petrus antwoordde : “ Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God ! ” » (Mt 16, 15-16). Simon Petrus antwoordt namens de Twaalf en spreekt zijn geloof uit in Jezus. Dit getuigenis vormt het hart van het Evangelie, zo zei onze vader abbé de Nantes : het is de sleutel die Onze-Lieve-Heer toestaat zijn openbaring verder uit te diepen.

« Jezus antwoordde : “ Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jona ; want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de Hemel is ” » (Mt 16, 17). Hier wordt zichtbaar wat Jezus in Kafarnaüm had onderwezen : het geloof van Petrus bewijst dat hij door de Vader tot de Zoon wordt “ aangetrokken ”. Dat is de grote vreugde van Jezus... en ook van het Onbevlekte Hart van Maria, dat hier niets van mist !

« “ En Ik, Ik zeg u : gij zijt Petrus en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen. De poorten der hel zullen haar niet overweldigen. Ik zal u de sleutels geven van het rijk der hemelen : al wat gij op aarde zult binden, zal ook in de Hemel gebonden zijn ; en al wat gij op aarde zult ontbinden, zal ook in de Hemel ontbonden zijn ” » (Mt 16, 18-19).

Voor de eerste keer in het Evangelie spreekt Jezus over zijn Kerk, die Hij aankondigt voor de toekomst. Een eeuwige Kerk, bestormd door de machten van de hel, maar zonder dat die haar ooit zullen kunnen vernietigen. Petrus zal haar hoofd zijn, als opvolger van Jezus, die hem zijn eigen macht overdraagt. Betekent dit dan dat Hij zal verdwijnen ?

“ NIEUWE EVANGELISATIE ” :  HET SCHANDAAL VAN PETRUS

« Toen gebood Hij zijn leerlingen aan niemand te zeggen dat Hij de Christus was » (Mt 16, 20). Want de grote massa begrijpt niet wat dit betekent en wil zich niet aan Hem onderwerpen. Maar voor de leerlingen, die in de persoon van Petrus hun geloof hebben beleden, begint Jezus nu met een nieuw onderricht :

« Van toen af begon Hij zijn leerlingen er op te wijzen dat Hij naar Jeruzalem moest gaan, dat Hij veel zou moeten lijden van oudsten, hogepriesters en Schriftgeleerden, gedood zou worden en op de derde dag verrijzen » (Mt 16, 21).

Het is met grote ernst dat Jezus hun nu de toekomst aankondigt, omdat zij hun geloof in Hem hebben uitgesproken. Dit perspectief staat haaks op alles wat de leerlingen van Hem verwachtten. Het betekent de instorting van al hun hoop op het herstel van Israël, op de terugkeer van de Koning ! En ook de aankondiging van de Verrijzenis blijft voor hen zeer duister. Alleen de Maagd Maria is al voorbereid op dit vooruitzicht : Zij hernieuwt haar “ Fiat ”.

Maar dan komt Petrus tussenbeide : « Petrus trok Hem terzijde en begon Hem tegen te spreken : “ Dat nooit, Heer ! Zoiets zal U nooit overkomen ! ” Maar Hij keerde zich om en zei tot Petrus : “ Ga weg van mij, satan ! Gij zijt mij een ergernis, want gij zijt niet bedacht op wat God wil, maar slechts op wat de mensen willen ” » (Mt 16, 22-23).

Abbé de Nantes legde uit dat Jezus zo heftig reageert omdat Hij zich in doodsangst bevindt. Net als in de woestijn, en later in Gethsemane, toont de duivel Hem opnieuw de illusie van een Koningschap zonder kruis. Dat laatste was precies wat de Joden verwachtten, Petrus inbegrepen. Deze bekoring raakt Jezus in het diepste van zijn verlangen : Hij wenst het Koningschap over de hele wereld – net zoals wij vandaag de redding van de Kerk graag onmiddellijk en zonder inspanning zouden gerealiseerd zien. Maar Jezus weet dat Hij, om de zielen tot geloof in Hem te brengen en hen te redden, deze verschrikkelijke lijdensweg moet doormaken, waarvoor Hij huivert.

Petrus, die trots is op zijn nieuw verworven primaatschap, voelt zich geroepen om Jezus terzijde te nemen en Hem uit te leggen hoe het eigenlijk moet... Zo wordt hij het werktuig van Satan, hij die enkele ogenblikken tevoren nog door de hemelse Vader werd geïnspireerd ! En Onze-Lieve-Heer wordt hierdoor werkelijk diep getroffen.

De hele theologie rond de figuur van de Opperherder, de opvolger van Petrus en plaatsbekleder van Jezus Christus, wordt door deze gebeurtenis verhelderd : hij is het hoofd van de Kerk, hij ontvangt de genade om haar in naam van Christus te besturen en het geloof te belijden, maar hij blijft een zwakke mens, vatbaar voor de ingevingen van de duivel.

HET NIET TE ONTWIJKEN KRUIS

« Nu riep Hij de schare met zijn leerlingen bijeen en sprak tot hen : “ Zo iemand mijn volgeling wil zijn, dan moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen ; maar wie zijn leven verliest om Mij en om het Evangelie, zal het redden ” » (Mc 8, 34-35).

Tot nu toe had Jezus de “ Blijde Boodschap van het Koninkrijk ” verkondigd, Hij had zijn Woord gezaaid. Nu onthult Hij plots de kern ervan : het Kruis. Iedereen moet begrijpen dat Hij voor zichzelf én voor zijn volgelingen vervolging en dood aankondigt. Dat wordt nu het nieuwe perspectief, de nieuwe horizon : een Kruis tegen een desolate einder. De leerling van Christus moet sterven uit trouw aan zijn God en aan het Evangelie om zo tot het eeuwige leven te komen. Dat is de kern van het Evangelie.

Zijn kruis dragen : iedereen wist wat dat betekende, want de Romeinen hadden al duizenden Joden gekruisigd die in opstand waren gekomen door achter valse messiassen aan te lopen. De Maagd Maria, onze Moeder, was de eerste die Jezus volgde door elke dag haar kruis te dragen, sinds de oude Simeon haar dertig jaar eerder in de Tempel had voorzegd dat haar Zoon teken van tegenspraak zou zijn.

« Wat baat het de mens zo hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel ? Of wat zal een mens in ruil geven voor zijn ziel ? Want wie zich schaamt over Mij en mijn woorden bij dit overspelig en zondig geslacht, over hem zal zich ook de Mensenzoon schamen als Hij in de heerlijkheid van de Vader komt, tezamen met de heilige engelen » (Mc 8, 36-38).

Met andere woorden : als jullie Mij in de komende vervolgingen verloochenen uit angst voor de dreigementen van onze vijanden, dan zullen jullie je ziel verliezen en eeuwig gestraft worden. Daarom begint Jezus, om zijn leerlingen hierop voor te bereiden, een nieuwe, meer eisende moraal te onderwijzen, aangepast aan de “ tijden van vervolging ”. Sindsdien blijft dit de wet van de Kerk, die voortdurend wordt aangevallen door de poorten van de hel.

« Nog sprak Hij tot hen : “ Voorwaar, Ik zeg u : daar zijn onder de hier aanwezigen die de dood niet zullen smaken voordat ze het Koninkrijk Gods hebben zien komen in kracht ” » (Mc 8, 39). Zo worden dood en lijden slechts een doorgang naar de heerlijkheid. En dat is wat de Heer nu aan zijn apostelen zal tonen door de Gedaanteverandering op de berg Tabor, « zes dagen later » (Mc 9, 1).

Op dit kantelmoment in zijn zending heeft Jezus er nood aan zich toe te vertrouwen aan zijn Vader. Hij is volledig mens : in die hoedanigheid lijdt Hij en kijkt Hij er tegen op om naar het Kruis toe te moeten stappen en zijn vijanden die Hem haten onder ogen te zien, zonder dat iemand, zelfs zijn apostelen niet, Hem begrijpt. Hij heeft de kracht nodig van zijn Vader, van wie Hij alles ontvangt, om te vergeven, om door te gaan met deze totale toewijding en deze wrede zelfverloochening voor de redding van onze zondige zielen.

broeder Bruno van Jezus-Maria
Hij is verrezen ! nr. 139, januari-februari 2026