DE ACTUALITEIT DOORGELICHT
JULI-AUGUSTUS 2026
RAMPZALIGE ILLUSIES
«Amicus Plato, sed magis amica veritas.» In vertaling: «Plato is mijn vriend, maar mijn nog grotere vriend is de waarheid.» De uitspraak wordt toegeschreven aan Aristoteles, die een diepe vriendschap en achting koesterde voor zijn leermeester Plato – maar niet ten koste van de waarheid.
Paus Leo XIV is onze H. Vader en de Opperherder van de Kerk. Wij houden van hem en vragen niet liever dan de toegewijde kinderen te zijn van de 267ste opvolger van de H. Petrus. Maar het is ons recht van hem te verwachten dat hij ons «bevestigt in het geloof»: het ware geloof, niet de vervalste leer die zijn onmiddellijke voorgangers sinds het Tweede Vaticaans Concilie op alle mogelijke manieren aan de kudde opdringen, met de grote apostasie of geloofsafval tot gevolg.
Leo XIV hield zich na zijn uitverkiezing op de H. Stoel vele maanden opvallend op de vlakte, met de overduidelijke bedoeling om voor rust te zorgen na het stormachtige pontificaat van Franciscus, dat de tegenstellingen in de Kerk op de spits dreef en bij de traditionalisten veel weerstand veroorzaakte. Vandaag, één jaar later, moeten we vaststellen dat paus Leo de lijn van zijn voorganger wil verderzetten, al is het dan met fluwelen handschoenen. Die lijn is trouwens niet alleen die van Franciscus, maar ook die van Joannes XXIII, Paulus VI, Joannes-Paulus II en Benedictus XVI. De koers die zij ingeslagen zijn, brengt geen redding voor de zielen, maar voert ze naar de ondergang.
«Gaat de wereld door en predikt het Evangelie aan ieder schepsel. Wie gelooft en gedoopt is, zal zalig worden; maar wie niet gelooft, zal worden veroordeeld» (Mc 16, 15-16). Dit zijn de woorden van Onze Heer Jezus Christus en ze zijn overduidelijk. Waarom weigert ook de huidige paus dan om dwalingen en valse religies aan de kaak te stellen? Waarom laat hij verstaan dat het allemaal niet uitmaakt welke godsdienst men aanhangt en doet hij alsof men ook buiten het christelijke geloof gered kan worden?
Al begin januari van dit jaar, toen hij de kardinalen van over de hele wereld in Rome bijeenriep voor het eerste buitengewone consistorie van zijn pontificaat (7-8 januari), benadrukte paus Leo dat hij de continuïteit met Vaticanum II en met paus Franciscus wil verzekeren: «We kunnen nooit genoeg onderstrepen hoe belangrijk het is om de weg te vervolgen die geopend is met het Concilie», en verder: «Evangelii gaudium” [de eerste grote tekst geschreven door Franciscus] en de synodaliteit zijn belangrijke elementen van deze weg» (Besluit van het buitengewone consistorie, 8 jan. 2026, vatican.va).
EEN VROUWELIJKE PSEUDO-AARTSBISSCHOP
Op 25 maart werd de 63-jarige Sarah Mullally geïnstalleerd als nieuwe “aartsbisschop” van Canterbury en hoofd van de anglicaanse Kerk. We zetten “aartsbisschop” tussen aanhalingstekens, want in werkelijkheid is deze vrouw helemaal niet de opvolgster van de H. Augustinus van Canterbury, door paus Gregorius de Grote uitgestuurd om Britannia te kerstenen. Aan de apostolische opvolging kwam in Engeland een einde in 1533, toen de toenmalige aartsbisschop, Thomas Cranmer, tegen de uitdrukkelijke wil van de paus in het geldige huwelijk van Hendrik VIII ontbonden verklaarde en daarvoor geëxcommuniceerd werd; een jaar later keurde het parlement de Act of Supremacy goed waardoor de tirannieke koning het hoofd van de anglicaanse Kerk werd. De scheuring was een feit en de vervolging van de katholieken nam een aanvang, terwijl de schismatieke Cranmer gewoon bleef zitten.
Aan die als bisschop verklede vrouw, die anglicaanse “priesteressen” wijdt en bekend staat om haar zeer liberale standpunten o.a. over abortus en homoseksualiteit, zond Leo XIV op 20 maart een mooie brief. Hij was geadresseerd aan «The Most Reverend and Right Honourable Dame Sarah Mullally, Archbishop of Canterbury». Onze-Lieve-Vrouw heeft geen recht op al die titels, maar Mullally wel. «Ik weet dat de taak waarvoor u gekozen bent zwaar is. […] Ik vraag de Heer dat Hij u zou sterken met de gave van wijsheid en ik bid opdat u geleid zou worden door de H. Geest [!] in uw dienst bij uw gemeenschappen en opdat u inspiratie zou vinden in het voorbeeld van Maria, Moeder van God.» Maria, model van de anglicaanse bisschoppen!
Op 27 april ontving de paus Sarah Mullally in het Vaticaan en hield een toespraak die hij richtte aan «Uwe Genade». Hij wenste haar vrede toe, de vrede die Christus de hele Kerk (dus ook de afgescheiden anglicaanse Kerk?!) heeft toegewenst en die men alleen kan verkrijgen door zich «ontwapend» te gedragen: «Want Jezus heeft altijd op geweld en agressie gereageerd op een ontwapende manier en ons uitgenodigd hetzelfde te doen. […] De verdeeldheid onder christenen verzwakt ons vermogen om effectieve dragers van deze vrede te zijn.» Het middel om vrede te bereiken is volgens de paus dus pacifisme, oecumene, ontwapening in al haar vormen – en niet het beroep op het Onbevlekte Hart van Maria.
Het ongelooflijke is dat iedereen, ook in het Vaticaan, dacht dat de benoeming van een vrouw aan het hoofd van de anglicaanse Kerk de betrekkingen zou kunnen verstoren, dat het ondenkbaar was dat de paus en een vrouwelijke aartsbisschop zij aan zij bij het altaar zouden staan om te bidden. «Intern weten we heel goed dat dit de oecumenische toenadering bemoeilijkt», vertrouwde een Vaticaanse bron in oktober 2025 aan het dagblad La Croix toe. Zelfs de anglicanen waren zich hiervan bewust en waren van plan de aartsbisschop van York, Stephen Cottrell, naar Rome te sturen. Maar nee, Leo XIV gaf toch groen licht voor het bezoek van Mullally.
En dat terwijl de doodsklok luidt voor het anglicanisme. Volgens de officiële statistieken (oktober 2025) is het aantal kerkgangers op zondag gedaald van bijna 800.000 in 2014 tot nog slechts 581.000 tien jaar later. «Het aantal doopsels blijft achteruitgaan en het aantal wijdingen is in vergelijking met de tijd vlak vóór de pandemie met 40 % gedaald, zonder dat er een herstel in zicht is», aldus Mark Chapman, een anglicaanse theoloog en docent aan de universiteit van Oxford. «Het moreel heeft een dieptepunt bereikt» (cf. Divisions, baisse de la pratique… Jusqu’où peut aller l’affaiblissement de l’Église anglicane?, in La Croix van 25 maart 2026).
OP REIS DOOR AFRIKA
Op 13 april begon de H. Vader aan een elfdaagse apostolische reis door Afrika. Hij legde 18.000 km af, bezocht van noord naar zuid vier landen en hield niet minder dan zestien toespraken. Wat kunnen de vruchten zijn van zo’n grootse onderneming?
Bij zijn terugkeer vatte Leo XIV zijn verwachtingen samen tijdens de wekelijkse audiëntie op 29 april op het Sint-Pietersplein: «Vanaf het begin van mijn pontificaat heb ik nagedacht over een reis naar Afrika. Ik dank de Heer dat Hij mij in staat heeft gesteld deze reis te maken, als herder, om het volk van God te ontmoeten en te bemoedigen; en ook om deze reis te beleven als een boodschap van vrede op een historisch ogenblik, dat gekenmerkt wordt door oorlogen en door ernstige en veelvuldige schendingen van het internationale recht.» Bescheiden toespelingen op “fenomenen” die de paus natuurlijk betreurt, maar waarvoor men tevergeefs naar een verantwoordelijke zal zoeken... Want Leo XIV wil een «vredesboodschapper» zijn voor de hele wereld... net als Jezus Christus, de Vredevorst, en misschien zelfs beter dan Hij?
«De Voorzienigheid heeft gewild dat de eerste etappe juist het land zou zijn waar de plaatsen verbonden met Sint-Augustinus liggen, namelijk Algerije.» De Voorzienigheid? Deze hele reis sluit zo naadloos aan bij het uiteenzetten van die vredesboodschap dat deze eerste tussenstop onmogelijk toevallig kan zijn. «Zo kwam ik enerzijds weer terug bij de wortels van mijn spirituele identiteit en anderzijds bij het oversteken en versterken van bruggen die heel belangrijk zijn voor de wereld en de Kerk van vandaag: de brug naar de vruchtbare tijd van de Kerkvaders; de brug naar de islamitische wereld; de brug naar het Afrikaanse continent.» De hier gebruikte bewoordingen zijn die van paus Franciscus. Leo XIV past in deze continuïteit. Welke nieuwe weg opent hij met zijn bruggen?
VERLOOCHENING IN ALGERIJE
«In Algerije werd ik niet alleen respectvol, maar ook hartelijk ontvangen.» En daar had het Algerijnse bewind alle reden toe! De plaatsbekleder van Onze-Lieve-Heer Jezus Christus, die op officieel apostolisch bezoek was, ging in Algiers bloemen leggen en bidden bij het Maqam Echahid of Memoriaal van het Martelaarschap. Dit reusachtige betonnen monument, dat hoog boven de hoofdstad uittorent, ligt de machthebbers nauw aan het hart: het herdenkt de chahids, de “onafhankelijkheidsstrijders” die tussen 1954 en 1962 een bloedige strijd leverden tegen het Franse koloniale bestuur.
In werkelijkheid is het Maqam Echahid een gedenkteken voor de beulen en folteraars van het Front de Libération Nationale (FLN), die moordpartijen op rivaliserende groepen en op Franse kolonialen (de Pieds-noirs) op hun geweten hebben. Meer dan 2300 Franse burgers en militairen werden door het FLN ontvoerd en omgebracht. Na de onafhankelijkheid liquideerden de leden van het Front op de meest brutale manier tienduizenden Harki’s, moslim-vrijwilligers die aan de zijde van Frankrijk gestreden hadden en die door president Charles de Gaulle aan hun vreselijk lot overgelaten werden.
Sommigen in Europa willen zichzelf geruststellen met het commentaar dat Leo XIV “verplicht” was om naar het memoriaal te gaan. Dat was niét het geval: de paus is er bij zijn aankomst uit eigen beweging naartoe gegaan en heeft ter plekke de reden daarvoor uitgelegd: «Dat ik voor dit monument sta, is een eerbetoon aan de geschiedenis van Algerije en aan de ziel van een volk dat heeft gestreden voor de onafhankelijkheid, de waardigheid en de soevereiniteit van deze natie.» En verder: «De overledenen die we hier eren, hebben hun leven verloren door het uit liefde voor hun volk te geven. Mocht hun verhaal het Algerijnse volk en ons allen steunen op onze weg: want ware vrijheid wordt niet alleen geërfd, maar elke dag opnieuw gekozen» (13 april 2026).
Als we bedenken wat dit monument symboliseert aan martelingen en moorden door terroristen, dan is dat afschuwelijk! Velen van die “onafhankelijkheidsstrijders” kregen terecht de doodstraf vanwege Frankrijk, dat indertijd zijn kinderen verdedigde tegen de marxistische en islamistische ondermijning, gefinancierd en opgelegd vanuit het buitenland aan die arme bevolking die aan de beschavingstaak van de Fransen was toevertrouwd. Daarom klinken in onze oren nog altijd de verwijtende woorden die abbé de Nantes in soortgelijke omstandigheden tot paus Joannes-Paulus II richtte:
«U maakt me misselijk! U beledigt onze zeelieden en onze missionarissen, onze soldaten en onze kolonisten, onze artsen en onze planters, dankzij wie Afrika een toekomst had. U spuugt op de graven van onze voorouders en onze broeders die gemarteld, verkracht, gespietst en opgegeten zijn, omdat afgezanten uit Moskou, uit New York... en uit Rome waren gekomen om de zwarten op te hitsen tegen hun weldoeners. Maar ik houd me in, anders word ik gemeen en sarcastisch. Zoals ik schreef aan Paulus VI, die zijn handen uitstrekte naar de Rode Gardisten van de Chinese Culturele Revolutie: er is voortaan een rivier van bloed die ons scheidt, het bloed van onze martelaren, vergoten door die honden, door die demonen, die door u bejubeld worden! Achter u, na u, nemen de opstanden toe en telkens weer aarzelt het lot, onzeker, tussen een bloedbad, de brute onderdrukking van de rebellen door een of ander heidens, ex-christelijk, islamitisch stamhoofd of dictator, en de overname van het land door het socialistische of kapitalistische buitenland» (Liber accusationis secundus, p. 121).
We hebben het gezien in Belgisch-Congo, een modelkolonie naar het oordeel van iedereen, die aan ons land ontfutseld werd door de intriges van de VS en de USSR. De Congolezen lieten zich het hoofd op hol brengen door het gestook van een Lumumba, betaald door de Sovjets, en een Kasavubu, lakei van de Amerikanen. En toen onze landgenoten uiteindelijk verjaagd waren en het zwarte zelfbestuur Congo in een chaos stortte, vestigde Mobutu zijn dwingelandij en maakte zijn dwaze droom van de Zaïrisering hem uiteindelijk tot een marionet van Washington. Honderdduizenden Congolezen betaalden de rekening, tot op vandaag!
HET LOT VAN DE KLEINE KATHOLIEKE MINDERHEID
Leo XIV bleef blind en doof voor de historische realiteit: «We hebben zelf kunnen vaststellen en de wereld kunnen laten zien dat het mogelijk is om als broeders en zusters samen te leven, zelfs als we verschillende religies aanhangen, wanneer we onszelf erkennen als kinderen van dezelfde barmhartige Vader.» Hooggestemde woorden, maar ze kunnen de ware toestand van de Kerk in Algerije vandaag de dag nauwelijks verbergen.
Arme Kerk van Algerije, een van de bloeiendste in de tijd van Sint-Augustinus! Eerst werd ze begraven onder het zand van de islamitische invasie, later werd ze prachtig hersteld tijdens de Franse verovering en kolonisatie, maar tegenwoordig telt zij nog amper 9000 katholieken, die op alle mogelijke manieren worden onderdrukt en aan een verbod op elke vorm van bekering zijn onderworpen. Grégor Puppinck, directeur van het European Centre for Law and Justice (ECLJ), schreef daarover:
«Volgens de Algerijnse grondwet is de islam de staatsgodsdienst, wat de voormalige voorzitter van de Hoge Islamitische Raad ertoe bracht te zeggen dat “een Algerijn alleen maar moslim kan zijn” (2021). Toch zijn er in Algerije meer dan 150.000 christenen, van wie de meesten zich sinds de jaren negentig hebben bekeerd. Een grote meerderheid is evangelisch protestants, maar er is ook een kleine katholieke gemeenschap, die voornamelijk uit buitenlanders bestaat. […] Zij leven in een klimaat van voortdurende pressie en ondervinden de gevolgen van een beleid dat erop gericht is elke andere religieuze uiting dan de islam te onderdrukken.
«Van zijn geboorte tot zijn dood ondervindt de christen de druk van een overheid die hem openlijk vijandig gezind is. Het familiewetboek, geïnspireerd op het islamitische recht, verbiedt met name een moslimvrouw om met een christen te trouwen en ontneemt haar het recht op erfenis in geval van afvalligheid. Christelijke voornamen worden geweigerd bij de burgerlijke stand en aan sommigen wordt een christelijke begrafenis ontzegd. Bovendien hebben de autoriteiten met repressieve wetten geleidelijk elke vorm van “geestelijke dissidentie” aan banden gelegd. Een verordening uit 2006 onderwerpt de christelijke eredienst aan een intolerant vergunningensysteem, terwijl een wet uit 2012 de administratieve beperkingen met betrekking tot gebedshuizen versterkt. Als gevolg daarvan zijn vandaag de dag 58 evangelische kerken door de staat gesloten, waardoor de gelovigen gedwongen worden ondergronds te gaan.
«Het belijden van het christelijke geloof stelt ook bloot aan strafrechtelijke sancties. Datzelfde besluit uit 2006 bestraft proselitisme – een christen die zou hebben geprobeerd een moslim te “verleiden” of zijn geloof te ondermijnen – met vijf jaar gevangenisstraf en een zware boete. De autoriteiten straffen niet alleen de christelijke missionaris, maar ook de afvallige moslim, die bovendien wordt blootgesteld aan sociale stigmatisering. De situatie van de katholieke Kerk […] blijft moeilijk. Ze functioneert binnen een streng gecontroleerd kader, waarin elke vorm van missionaire activiteit haar verboden is» (Liberté de culte: il faut défendre les chrétiens d’Algérie, 13 april 2026).
De Algerijnse katholieken hebben ongetwijfeld veel troost geput uit de aanwezigheid van de paus in hun land. Maar zal dit iets veranderen aan hun situatie? Zal het leiden tot bekeringen? Dat is verre van zeker. In plaats van op te roepen tot ware vrijheid voor het Evangelie, sloot Leo XIV zijn preek af met deze woorden: «Blijf in dit land, geliefde christenen van Algerije, een nederig en trouw teken van de liefde van Christus», waarbij hij hen vergeleek met een korreltje wierook. Mocht van de Opperherder niet verwacht worden dat hij meer apostolische kracht zou tonen om de rechten van de Kerk te verdedigen tegenover een antichristelijke staat?
HET ZOUT VAN DE AARDE
In zijn terugblik na de afsluiting van zijn reis vervolgde de paus: «Ook ik heb, net als mijn voorgangers, iets ervaren van wat Jezus overkwam met de menigten in Galilea. Hij zag dat zij dorstten en hongerden naar gerechtigheid en Hij verkondigde hun: “Zalig zijn de armen, zalig zijn de zachtmoedigen, zalig zijn de vredestichters…” En, hun geloof erkennend, zei Hij: “Jullie zijn het zout van de aarde en het licht van de wereld” (cf. Mt 5, 1-16).»
Met dit verschil: Jezus vleide zijn toehoorders niet, integendeel! «Als het zout smakeloos wordt, waarmee zal men het dan weer zout maken? Het is nergens meer goed voor dan om weggegooid te worden en door de mensen te worden vertrapt» (Mt 5, 13). Deze strenge waarschuwing was vooral gericht aan de apostelen, die belast waren met het verspreiden van het Evangelie en het bekeren van de hele wereld. En Jezus ging verder met het aanmoedigen van zijn discipelen: «Men steekt ook geen lamp aan om die onder de korenmaat te zetten, maar op de kandelaar, om ze te laten schijnen voor allen die in huis zijn. Zo moet ook uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken mogen zien en uw Vader, die in de hemel is, verheerlijken» (Mt 5, 16).
Je hoeft alleen maar het Evangelie aan te halen om je in een heel andere wereld te bevinden dan die van de aftandse, hopeloos aardse progressieve hersenschim, die ook vandaag nog door Leo XIV wordt gepredikt. Maar het is de wereld van Jezus Christus, de Zoon van God, die de enige katholieke is!
«In de drie landen die ik daarna heb bezocht, is de bevolking overwegend christelijk. Ik werd dan ook ondergedompeld in een sfeer van geloofsfeest en hartelijke gastvrijheid, die werd versterkt door de typische kenmerken van het Afrikaanse volk.» Al die menigten die de Mis hebben bijgewoond, die de rozenkrans hebben gebeden met het hoofd van de katholieke Kerk en hem met grote volksvreugde hebben onthaald, zijn daar zeker sterker door geworden, terwijl ze vaak leven te midden van de dreiging van jihadisten of burgeroorlog.
UTOPIE IN KAMEROEN
«Kameroen wordt ook wel “Afrika in miniatuur” genoemd, vanwege de verscheidenheid en rijkdom van zijn natuur en hulpbronnen, maar we kunnen deze uitdrukking ook opvatten in de zin dat de grote behoeften van het hele continent in Kameroen terug te vinden zijn: de behoefte aan een rechtvaardige verdeling van de rijkdom; de behoefte om jongeren een kans te geven en de wijdverbreide corruptie te overwinnen; de behoefte aan het bevorderen van een integrale en duurzame ontwikkeling, waarbij visionaire internationale samenwerking in de plaats komt van de diverse vormen van neokolonialisme.»
Helaas, niets nieuws onder de zon. Al kort na de publicatie van de encycliek Pacem in terris van Joannes XXIII (11 april 1963) waarschuwde abbé de Nantes zijn lezers:
«Het is gemakkelijk om vanuit een abstract beeld van de menselijke natuur een morele leer en een politiek programma op te bouwen waarin de eerbied voor de rechten van de mens en van de volkeren op serene wijze zijn eisen stelt en waarin het plichtsbesef van iedereen verlangt dat hij zijn deel bijdraagt aan de gezamenlijke inspanning ten behoeve van allen. Van zodra men de concrete omstandigheden en de wetten die onze gemeenschappen beheersen vergeet, van zodra men de erfzonde en de boosaardigheid van de mensen veronachtzaamt, komt men tot een al te idyllisch beeld: een vrije, gelijkwaardige en broederlijke wereldgemeenschap waarin elke mens en elk volk evenveel ontvangt als zij van nature kunnen verlangen, waarin de religies, culturen en ideologieën met elkaar in overeenstemming zijn, waar er geen dominerende en onderworpen volkeren meer zijn… Een wereld waarin de mensen van goede wil, die in het diepst van hun hart naar vrede en harmonie streven, hun eeuwenoude belangenconflicten achter zich hebben gelaten en hun hartstochten onderwerpen aan het hoogste goed van de universele vrede» (Brief aan mijn vrienden nr. 139, 28 april 1963).
Net zoals Joannes XXIII doet Leo XIV of het Aards Paradijs nog altijd bestaat… De werkelijkheid is totaal anders dan de pure sciencefiction die de moderne pausen er willen van maken. Zo’n gevaarlijk optimisme wordt met gruwelijke ellende en stromen bloed betaald.
In het begin van de jaren 1950 was Kameroen nog een van de meest bloeiende kolonies van Frans Equatoriaal Afrika. Toen begonnen de blanke geestelijken, die al besmet waren door de geest die op Vaticanum II zou zegevieren, aan hun gemeenschappen “emancipatie” en “zelfbeschikkingsrecht van de volkeren” te prediken. Abbé de Nantes voorspelde wat er zou gebeuren: «De missionarissen hebben de onafhankelijkheid van Kameroen aangemoedigd; nu worden ze aangevallen en gedood omdat de hoogmoed die de boventoon voert, de aardse orde niet kan aanvallen zonder de bovennatuurlijke oorzaken van die orde te haten. Het vertrek van de kolonialen en de militairen luidt het onvermijdelijke martelaarschap van de missionarissen in […]. Ze lopen het risico om samen met de prachtige christelijke gemeenschappen die ze hadden gesticht te worden weggevaagd. De grote wind van de Hoogmoed is gezaaid, de storm van de Haat komt eraan...» (Brief aan mijn vrienden nr. 63, 1 januari 1960).
De onafhankelijke republiek Kameroen ontstond in 1961 door de samenvoeging van Frans-Kameroen met een deel van Brits-Kameroen. Sindsdien wordt het land met de regelmaat van een klok geteisterd door bloedbaden in een sluimerende burgeroorlog: Engelstaligen tegen Franstaligen, protestanten tegen katholieken... In 2017 begonnen separatisten in de Engelssprekende gebieden een guerrilla-oorlog tegen het regime, met brandstichtingen, moorden, represailles en een massale exodus tot gevolg: 600.000 mensen moesten have en goed achterlaten… En dan hebben we het nog niet eens over de heropleving van de jihad, die er amper tien jaar geleden nog een reeks afschuwelijke wreedheden heeft aan toegevoegd. De voorspoed die de koloniale tijd kenmerkte, is een al lang vervlogen droom…
Leo XIV betreurt dit, maar hij zet toch de onzinnige weg voort die door Pacem in terris is ingeslagen en daarna door zoveel encyclieken en pauselijke toespraken is voortgezet. Daarin ligt de ware oorzaak van de miserie in Afrika en dit niet willen inzien getuigt van blindheid!
REVOLUTIE IN ANGOLA
De Opperherder beschouwt zijn reis door Afrika als een voorbeeld van de verzoening die hij overal wil prediken. Hij is zich terdege bewust van de spanningen, de conflicten en de oorlogen. Maar hij denkt dat door gemeenschappelijke luisterbereidheid, vergeving, wederzijdse erkenning en vooruitgang in rechtvaardigheid – die hij opvat als de afschaffing van alle ongelijkheid in rijkdom en rechten – een tijdperk van vrede zal aanbreken.
«De derde etappe van de reis vond plaats in Angola, een groot land ten zuiden van de Evenaar, met een eeuwenoude christelijke traditie die teruggaat op de Portugese kolonisatie.» De paus is eerlijk genoeg om dit te erkennen, maar gaat vervolgens over op wat hij beschouwt als het kenmerkende aspect van de rol van de Kerk in Angola: «Net als veel andere Afrikaanse landen heeft Angola na het verkrijgen van de onafhankelijkheid een roerige periode doorgemaakt, die in haar geval [sic! “haar” geval is nochtans zeker niet uniek voor Afrika!] gekenmerkt werd door een lange, bloedige burgeroorlog. In de smeltkroes van deze geschiedenis heeft God de Kerk geleid en gezuiverd en haar steeds meer bekeerd tot dienstbaarheid aan het Evangelie, de menselijke ontplooiing, verzoening en vrede.»
Zuivering en bekering van de Kerk door de Revolutie? Onmogelijk! De H. Pius X nam een heel ander standpunt in: «De Kerk, die het geluk van het volk nooit heeft verraden door compromitterende allianties, hoeft zich niet los te maken van het verleden [...], want de ware vrienden van het volk zijn geen revolutionairen of nieuwlichters, maar traditionalisten» (Brief over Le Sillon, nr. 44).
Tijdens zijn toespraak op het Sint-Pietersplein lanceerde Leo XIV deze leus: «Een vrije Kerk voor een vrij volk!» Montalembert had gezegd: «De vrije Kerk in de vrije staat», en door de medeplichtigheid van Leo XIII betekende deze formule het doodvonnis voor de christenheid, voor die «heilzame samenwerking tussen Kerk en Staat» (H. Pius X) waaraan we de katholieke christelijke beschaving te danken hebben. Vandaag de dag is het de paus zelf die de algemene anarchie afkondigt. Zijn goddeloze slogan betekent voor Angola, een uitgeput land dat ten prooi is aan een ellende die nog wordt verergerd door de geleidelijke uitputting van de olierijkdom en waar de sluimerende opstanden nog maar kort geleden, afgelopen herfst, bloedig werden neergeslagen, enkel méér miserie, méér ongeluk, méér hel op aarde.
HET “PROJECT” VAN ONZE HEMELSE MOEDER
Tijdens zijn verblijf in Angola bezocht de H. Vader het mariale heiligdom van Onze-Lieve-Vrouw van Muxima, gesticht door de Portugezen in 1599. Het verwelkomt elk jaar zo’n twee miljoen pelgrims uit heel het land en ver daarbuiten. «Daar heb ik het hart van het Angolese volk horen kloppen», zei de paus. En inderdaad, dat volk vereert nog altijd met grote vurigheid de Allerheiligste Maagd en weet dat zij in Fatima verschenen is: een kostbare erfenis van de Portugese kolonisator.
De paus knielde aan de voeten van het beeld van Mama Muxima voor een persoonlijk gebed, waarop de tienduizenden gelovigen die hem dat op grote beeldschermen zagen doen luid begonnen te juichen. Daarna bad hij met hen de glorievolle mysteries van de Rozenkrans en de litanie van Loreto, om te eindigen met het gezamenlijk zingen van het Salve Regina. Hier leidde de Opperherder zijn kudde in een traditioneel godsdienstig gebeuren en sterkte hij de Afrikaanse katholieken in hun geloof. Hier was hij een vader voor zijn kinderen. Hier knoopte hij terug aan met de godsdienst van altijd, onbesmeurd door het Concilie.
Hij preekte over de Hemel: «Net als Maria zijn ook wij voor de Hemel bestemd. Met vreugde wandelen we naar de Hemel, terwijl we naar haar opkijken, de goede Moeder en het toonbeeld van heiligheid». Prachtige woorden… maar dan bracht hij zijn toehoorders jammer genoeg onmiddellijk terug naar een louter aardse horizon: «De Moeder van de Hemel vertrouwt ons een groot project toe: dat van het bouwen van een betere, gastvrije wereld, waar geen oorlogen, onrechtvaardigheid, ellende of oneerlijkheid meer zijn en waar de principes van het Evangelie de harten, de structuren en de programma’s steeds meer inspireren en vormgeven, ten bate van iedereen.» Van de Stad van God naar de aardse Stad… Wat een verschil met de boodschap van Onze-Lieve-Vrouw van Fatima: «God wil in de wereld de devotie tot mijn Onbevlekte Hart vestigen. Als men doet wat ik jullie ga zeggen, zullen vele zielen gered worden en zal er vrede zijn» (13 juli 1917). Al de rest is slechts menselijk gespin op drijfzand.
In de hoofdstad Luanda staat de moderne kerk van Nossa Senhora de Fátima. Het beeld van de Maagd van Fatima siert een van de twee torens naast de voorgevel en troont majestueus boven het hoofdaltaar in het koor. De paus ging naar deze kerk, maar richtte geen gebed tot de Patrones van de plaats. In zijn toespraak tot de religieuzen, waarin hij hen aanmoedigde om «nauw verbonden te blijven met Jezus Christus», citeerde hij een aansporing uit Populorum progressio van Paulus VI: «Ontwikkeling is de nieuwe naam voor vrede.» Wat een belediging voor Onze-Lieve-Vrouw van Fatima…
«De Kerk heeft de verantwoordelijkheid om, door haar getuigenis en door de moedige verkondiging van het Woord van God, de rechten van iedereen te erkennen en ervoor te zorgen dat deze daadwerkelijk worden gerespecteerd.» Alweer vage en holle woorden. Maar geen enkele bekommernis om God om vergeving te vragen, om te smeken beschermd te worden tegen het vuur van de hel en om de zielen naar de Hemel te leiden, vooral diegene die de Barmhartigheid van Onze-Lieve-Heer Jezus Christus het meest nodig hebben – overeenkomstig het korte gebed dat Maria ons vroeg te bidden na elke tientje van onze rozenkrans en dat de paus de dag ervoor nochtans had gereciteerd met het vrome Angolese volk.
EEN “WISSELVALLIGE” GESCHIEDENIS
Als slotetappe van zijn apostolische reis vertoefde de paus van 21 tot 23 april in Equatoriaal-Guinea, een klein land dat bestaat uit een continentaal gedeelte (grenzend aan Kameroen en Gabon) en twee eilanden, Bioko en Annobón. Het gaat om voormalige Spaanse kolonies. «Het laatste land dat ik heb bezocht is Equatoriaal-Guinea, 170 jaar na de eerste evangelisatie. Gesterkt door de wijsheid van de traditie en het licht van Christus heeft het volk van Equatoriaal-Guinea de wisselvalligheden van zijn geschiedenis doorstaan en heeft het de afgelopen dagen, in aanwezigheid van de paus, met groot enthousiasme zijn bereidheid hernieuwd om verenigd naar een toekomst van hoop te gaan.»
Deze nietszeggende woorden verhullen eens te meer de pijnlijke lokale realiteit. Nauwelijks een jaar na de onafhankelijkheid, in 1969, werden alle Spanjaarden het land uitgezet. Negen jaar later maakte president Macías Nguema van Equatoriaal-Guinea een atheïstische republiek, naar het voorbeeld van het Albanië van Enver Hoxha! De zwarte potentaat voerde een persoonlijkheidscultus in en liet in elke kerk zijn portret ophangen.
En dan te weten dat de paters claretijnen in de eerste helft van de 20ste eeuw van de kolonie de meest katholieke van Afrika hadden gemaakt… In 1979 pleegde Teodoro Obiang Nguema Mbasogo een coup; hij werd president… en is dat nog altijd: 47 jaar aan de macht, een record! Godsdienstbeoefening werd weer toegelaten, maar voor de rest is corruptie troef. Obiang en zijn kliek zitten op een berg zwart goud, dat in de jaren 90 ontdekt werd. De gewone mensen, die ten tijde van de Spaanse kolonisatie een eerlijk bestaan leidden, leven nu in ellende. De “wisselvalligheden van de geschiedenis”?
Akkoord, de paus gebruikte scherpe woorden om de wantoestanden en de ongelijkheid aan te klagen, maar zal dat na zijn vertrek tot diepgaande veranderingen leiden? Leo XIV sloot zijn toespraak op het Sint-Pietersplein nochtans als volgt af: «Het bezoek van de paus is voor de Afrikaanse volkeren een gelegenheid om hun stem te laten horen, om uiting te geven aan de vreugde dat zij het volk van God zijn en aan de hoop op een betere toekomst, waarin iedereen in waardigheid kan leven.» Dat is makkelijk gezegd... Arme volkeren van Afrika, speelveld van bloedige experimenten gebaseerd op de meest waanzinnige revolutionaire utopieën.
EEN RELATIE VAN VADER EN ZOON
De realiteit is dat Afrika maar blijft sterven aan de illusie van de dekolonisatie, die momenteel nog steeds wordt opgelegd door het maçonnieke kapitalo-socialisme dat er profijt uit trekt. En de geestelijkheid, van hoog tot laag in de hiërarchie, gaat daarin mee. Paus Leo XIV heeft deze prediking van vrijheid en autonomie tegen «nieuwe koloniale verleidingen» nogmaals hernieuwd. Hij had het voortdurend over verantwoordelijkheid, ontplooiing en integrale ontwikkeling met het oog op algemene verzoening, gemeenschap, dialoog en vrede. Hij volgde daarmee kritiekloos de lijn van het Concilie en de post-conciliaire pausen... en nam daarmee ook hun verschrikkelijke verantwoordelijkheid voor wat zich op het Afrikaanse continent afspeelt op zich.
Op 25 april 1895 sprak een wijze kerkvorst heel andere taal: «Ware vrijheid ligt niet in absolute onafhankelijkheid en anarchie, die de wreedste tirannen zijn. Waar geen meester is, zo zei een geleerde geloofsverdediger, zijn allen meesters, en een natie zonder meester is een natie van slaven. Arm volk! Om je te vleien noemt men je soeverein; maar toen je jezelf in het stof zag liggen, veranderd in een opstapje voor intriganten die zich op jouw puinhopen wilden verheffen, kwam je logischerwijs in opstand!
«In de taal van de H. Schrift, net als in die van alle volkeren, is de vrije toestand bij uitstek, die het meest in tegenstelling staat tot die van de slavernij, de toestand van het kind, van de zoon. Zoon zijn en vrij zijn, dat is één en hetzelfde. Maar deze voorwaarde is onderworpen aan gehoorzaamheid; in het gezin is er een scepter, een gezag, een macht. Vrij worden betekent dus niet dat men de rangen van de slaven verlaat om zich bij die van de opstandelingen te voegen, maar dat men het juk van een meester afwerpt om onder het gezag van een vader te komen; het betekent dat men het rijk van de dingen verlaat voor dat van de personen en dat men de lijfeigenschap verlaat om in de familie binnen te treden.»
Zo vatte kardinaal Giuseppe Sarto, patriarch van Venetië, de “sociale kwestie” samen, die precies dezelfde is als de “koloniale kwestie”: het is de erkenning en de vruchtbaarheid van een vader-zoon-relatie. Het is geen hoogmoed en geen paranoia om te erkennen dat Afrika alleen gelukkig en welvarend is geweest in de tijd van de kolonisatie, eerst door de Romeinen, later door de Portugezen, de Spanjaarden, de Fransen, de Belgen en, in mindere mate, de Britten en de Duitsers. Ver verwijderd van de Hegeliaanse dialectiek van meester en slaaf en van het protestantse racisme van bepaalde naties, is het ideaal van een waarachtige katholieke kolonisatie om «elke menselijke relatie, ondanks alle onvermijdelijke onvolkomenheden en onrechtvaardigheden, te laten afhangen van de evangelische openbaring van de Vader en de Zoon in dezelfde H. Geest van naastenliefde» (CRC nr. 107, juli 1976, p. 10).
Ons oordeel over het optreden van paus Leo XIV kan hard overkomen, maar het is onze plicht de waarheid te zeggen. Dat betekent niet dat wij niet van onze H. Vader houden, wel integendeel: het is juist onze bekommernis dat hij de dwaalwegen verlaat en “terugkeert” naar de ware weg. «Arme H. Vader, we moeten veel voor hem bidden», zei de H. Jacinta van Fatima. En daartoe roepen wij al onze lezers dan ook op!
broeder Sébastien van het Hart van de Onbevlekte Maria & redactie KCR