26 JULI 2026

De parabels van het Koninkrijk (II)

Vorige zondag zagen wij de parabel van de zaaier, van het zaad dat vanzelf opgroeit, de parabel van het zuurdeeg, die van het mosterdzaadje en die van het onkruid tussen de tarwe. Vandaag blijven nog de parabel van de verborgen schat, de kostbare parel en tenslotte de parabel van het visnet over.

Al deze parabels zijn buitengewoon eenvoudig en ontroerend. Iedere mens, uit welk land ook, waar ook ter wereld en in iedere eeuw, kan ze begrijpen. Maar wat willen zij ons zeggen?

De parabel van het visnet sluit aan bij die van het onkruid tussen de tarwe; beide hebben dezelfde strekking. De Galileeërs gebruikten grote netten. In de kleine baaien langs het meer van Tiberias spanden zij hun netten van de ene rots naar de andere. Daarna trokken zij naar de oever en sloten zo alle vissen op die zich in die baai bevonden. Wanneer zij het strand bereikten en de vissen op het droge lagen, namen zij die één voor één in de hand en maakten zij onderscheid tussen de goede en de slechte.

Een schrijver merkt op dat alle vissen uit het meer van Tiberias eetbaar zijn. Volgens de Wet mochten echter alleen vissen met schubben gegeten worden; vissen zonder schubben waren verboden. Die werden daarom terug in het meer geworpen: zij waren niet goed omdat de Wet ze verbood.

Onze-Lieve-Heer gebruikt dit dagelijkse werk van de vissers als beeld van wat er zal gebeuren aan het einde van de tijden. Eerst is er de tijd van de uitbreiding van het Koninkrijk, de visvangst: men haalt zoveel mogelijk binnen. Daarna komt de tijd van de oogst, waarin de goeden van de slechten worden gescheiden. Wanneer Onze-Lieve-Heer later, in Mattheüs hoofdstuk 25, spreekt over het Laatste Oordeel, over de uitverkorenen en de verworpenen, zal Hij duidelijk uitleggen wat Hij hier al in deze gelijkenis had laten verstaan.

Er blijven nog twee parabels over die sterk op elkaar lijken en een ander aspect van het Koninkrijk belichten: de gelijkenis van de verborgen schat en die van de kostbare parel. Alles verlaten, alles verliezen, betekent niets als het is om het Koninkrijk te verwerven en er deel van uit te maken. Dat verklaart ook het woord van Onze-Lieve-Heer dat de geweldenaars het Koninkrijk naar zich toe trekken: «Het Koninkrijk is nu onder u en de geweldenaars grijpen het.»

Over dat woord “geweldenaars” is veel geschreven. Het betekent eenvoudig dat het Koninkrijk zoveel waard is dat het de moeite loont er alles voor op te offeren. Zoals mensen vechten om een brandend huis te verlaten of om aan boord van een schip te geraken wanneer zij dreigen te verdrinken, zo laat men alles achter en offert men alles op. Vanuit diezelfde gedachte zal Onze-Lieve-Heer later duidelijk zeggen dat het beter is een hand af te hakken of een oog uit te rukken om het Koninkrijk binnen te gaan, dan met hand en oog in de eeuwige verdoemenis terecht te komen.

De man die een akker koopt, wetend dat er een schat in verborgen ligt, verkoopt al zijn bezittingen om eigenaar van dat stuk grond te worden en zo ook wettelijk eigenaar van de schat die erin verborgen ligt.

Een koopman handelt in kostbare juwelen. Op een dag ontdekt hij een uitzonderlijk mooie parel. Parels waren in die tijd van onschatbare waarde en golden als het kostbaarste sieraad dat men kende. Zodra de koopman die mooiste parel ziet die hij ooit in zijn leven heeft aanschouwd, raakt hij er volledig door in beslag genomen, zoals dat gebeurt met goudsmeden en verzamelaars van kostbaarheden. Daarom verkoopt hij alles wat hij bezit om die ene parel te kunnen kopen. Daarna kan hij er rijk van worden of haar bewaren; hij bezit eindelijk waarnaar hij verlangde. Al het andere betekent niets meer.

In dezelfde geest, met hetzelfde radicalisme, zal Sint-Paulus later zeggen dat hij alles wat de wereld te bieden heeft als vuilnis beschouwt, om Christus te winnen.

Onze-Lieve-Heer besluit zijn onderricht in parabels met deze woorden: «Iedere Schriftgeleerde die onderwezen is in het Koninkrijk der hemelen – dat wil zeggen: iemand die deze gelijkenissen heeft begrepen en overwogen – lijkt op een huisvader die uit zijn schat nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt.»

Wat bedoelt Hij met de oude dingen? Dat zijn de waarheden die de Joden reeds kenden over het komende Koninkrijk. Hij schaft het Oude Testament niet af. Hij wil duidelijk maken dat hun verwachting van het Koninkrijk terecht was, dat hun hoop op hetzelfde gericht bleef en dat Hijzelf de vervulling van die hoop was.

Maar er zijn ook nieuwe dingen, omdat het Koninkrijk niet helemaal is zoals zij zich hadden voorgesteld. Het is anders en het is beter. Daarom nodigt Onze-Lieve-Heer deze dierbare Galileeërs, deze eenvoudige mensen, uit om hierover na te denken, zodat zij geleidelijk zijn manier van zien zouden overnemen. Maar zij zullen dat niet doen. Wat een verdriet voor de arme Jezus! Heel zijn leven was, zoals de Navolging van Christus zegt, één groot kruis en één voortdurend martelaarschap.

Wij weten uit ervaring hoe pijnlijk het is wanneer een apostolisch werk, dat met zoveel hoop en onder gunstige voortekenen begonnen was, uiteindelijk mislukt. De dag waarop men zich alleen en verlaten voelt, wanneer men merkt dat men belasterd wordt, misschien zelfs bedreigd in zijn bezit, zijn eer of soms in zijn leven, dan beseft men dat Iemand ons op die weg is voorgegaan: Onze-Lieve-Heer zelf.

Want zijn Koninkrijk is, zoals Hij later zal zeggen, niet van deze wereld. Hij sprak tot mensen die vooral verlangden naar een aards koninkrijk, waarin hun natuurlijke verlangens zouden worden vervuld. In een tijd waarin de rechten van de mens en de ontplooiing van de menselijke persoon centraal staan, hoeft men zich dan ook niet te verbazen dat de kring rond Christus en zijn Kerk steeds kleiner wordt.

Maar hoe is het met óns gesteld? Zou Hij vandaag niet opnieuw kunnen zeggen: «Wanneer de Mensenzoon terugkomt, zal Hij dan nog geloof vinden op aarde?»

Abbé Georges de Nantes
Uittreksel uit de retraite over de Evangelies (S 9)