21 JUNI 2026
Waarom laat God, die liefde is, mij lijden?
O mijn God, Vader, Zoon en H. Geest, ik aanbid U in uw soevereine majesteit, in uw volmaakte heiligheid, in uw opperste grootheid, verpletterend voor mijn nietigheid, mijn ellende en mijn zonde; en ik dank U, vol verwondering, dat Gij eraan gedacht hebt mij het bestaan en het leven te schenken, en meer nog het leven van de genade, dat mij, zonder enige verdienste van mijn kant, in uw vriendschap heeft gebracht, in een onuitsprekelijke vereniging met U.
Gij zijt goed, oneindig beminnenswaardig en oneindig waard om bemind te worden, maar Gij zijt ook een harde en strenge Meester die van zijn schepsel meer vraagt dan het kan geven, die oogst waar Hij niet gezaaid heeft. Dat is tenminste wat Jeremias U heeft durven zeggen en wat de Kerk herneemt in de liturgie van het Lijden door het toe te passen op uw Zoon.
Waarom zijt Gij ons komen zoeken? Jeremias vervloekte de dag van zijn geboorte, hij, uw vriend, uw gezant, uw profeet, de voorafbeelding van uw Zoon die komen zou! Hij vocht tegen U.
De wegen van onze roeping zijn vreemd en geheimzinnig, zij gaan in tegen onze verlangens. Zo leidt Gij uw vrienden. En als wij lijden, troosten wij ons met de gedachte dat wij uw vrienden zijn. O ja, wij zijn uw vrienden, want uw eigen Zoon, uw Welbeminde, is niet anders behandeld geweest. En het ergste is dat in de zielen die Gij hebt uitgekozen deze kreet opstijgt: “Ik wil geen ander leven dan dit!” Zij vervloeken liever de dag van hun geboorte terwijl zij de wil doen van de Vader in de Hemel, dan hun leven in deze wereld te redden, hun geboorte te zegenen en het eeuwige leven te verliezen. Hoe kinderlijk lijkt de liefde voor het aardse leven en hoe ver van U staat de vreugde om tijdelijke goederen en de dwaze gehechtheid aan roem!
Maar het vlees protesteert, we hadden moed nodig om vooruit te gaan in onze roeping. Wij zouden ongelijk hebben te klagen, aangezien het gaat om ons eeuwig heil en dat van hen die wij liefhebben. Wij zouden ongelijk hebben te klagen, want ons lijden staat in geen verhouding tot dat van uw Zoon. Wij zouden ongelijk hebben te klagen, want Gij mengt onder onze droefheden veel vreugden en onder onze tranen veel glimlachen. Klagen is een zoeken van onszelf, een vertraging op onze weg naar U. Uw Zoon heeft dat niet gedaan. De kreet: “Mijn God, mijn God” is in werkelijkheid het eerste vers van een psalm vol vertrouwen en hoop.
Ik houd ervan tegen U te protesteren, o mijn God, opdat Gij de grootheid van mijn liefde en van mijn onderwerping zoudt meten, om U te tonen hoeveel het mij kost mij aan uw heerschappij te onderwerpen en mij over te geven aan uw welbehagen, ook al is dat soms wreed. Ik houd ervan niet onmiddellijk op uw oproep te antwoorden. Ik houd ervan mijn vrijheid tegenover U te tonen.
Maar ik lieg, want ik verblijf liever één dag in uw tenten, zelfs als die weinig aangenaam is, dan duizend jaar in die van de zondaars.
Zo zal ik de 29ste verjaardag van mijn priesterwijding vieren door U verwijten te maken over deze 29 jaren van mislukking, van arbeid, van lijden in deze ongelovige en slechte wereld, terwijl ik had kunnen slagen. Maar Gij hebt mij verraden. Overal waar ik heen ging, werd ik door U gevolgd; en wanneer ik begon te rusten, hebt Gij mij verjaagd. Men zou denken dat ik uw kind niet was!
Maar uw welbeminde Zoon hebt Gij nog slechter behandeld. En trouwens, ik verkies wat Gij mij gegeven hebt boven alles, zoals Gij heel goed weet. Ik vraag U om niet te veranderen en voort te gaan. Behandel mij niet anders tijdens mijn laatste dagen. Daarvoor zou ik te bang zijn. Ik heb geen smaak in de wereld, in succes. Gij hebt mij afkeer gegeven van de grote wegen en mij doen gaan langs bergpaden. En als ik mor, ben ik in de grond heel tevreden. Uw dwaasheid – die dat lijkt te zijn in de ogen van de wereld – wordt door uw leerlingen snel herkend als wijsheid.
De mooiste juwelen liggen in het Lijden van Christus. Als Gij slaat, is het om te genezen; als Gij uw leerling overlaat aan de woede van de wereld, is het om hem overwinnaar te maken. O mijn God, hoe ontzagwekkend is uw majesteit, maar hoe goed is zij, vol tederheid zelfs in haar hardheid.
En zo gaat het leven voorbij, in de angst geleid te worden door een ander en niet zelf te leiden.
Nu is Jezus gelukkig in de Hemel, zijn Lijden is voorbij, maar Hij herbeleeft het, denkt eraan terug, hernieuwt het op onze altaren om zijn weldaden opnieuw voort te brengen. Het zal zoet voor ons zijn Hem te beschouwen als de gekruisigde Jezus, die zijn Lichaam overlevert en zijn vergoten Bloed schenkt.
De vrucht van deze overweging is dat het goed voor mij is tegen U in opstand te komen, o mijn God, en de balans op te maken van mijn mislukkingen en beproevingen. Want hoe meer wonden en slagen ik van U ontvangen heb, des te meer ik de grootheid van uw liefde leer kennen voor uw ellendig schepsel, onwaardig om zoveel weldaden, zorg, tederheid en eer te ontvangen. Mijn opstandigheid tegen U doet mij de maat van uw liefde kennen.
Abbé Georges de Nantes
Uittreksels uit de preek van zondag 27 maart 1977