24 MEI 2026

Leven in de H. Geest

Wat hebben wij moeite om werkelijk in het bovennatuurlijke in ons leven te geloven! En toch is het waar en bijna tastbaar…

Wat hebben wij moeite om werkelijk in het bovennatuurlijke in ons leven te geloven! We hebben altijd de neiging alles te herleiden tot de krachten en activiteiten van onze natuur. Telkens opnieuw is er een inspanning nodig om in God te geloven als in Drie Personen, die in ons aanwezig en werkzaam zijn. Een valse nederigheid doet ons zelfs twijfelen dat er in ons dagelijkse leven een wonderbaar effect zou zijn van dit onophoudelijke werk van God.

Toch is het waar en bijna tastbaar: «De liefde van God is in onze harten uitgestort door de H. Geest die ons gegeven is» (Rm 5, 5). Wij hebben dus niet alleen natuurlijke gedachten en menselijke wilsbewegingen, getekend door ons eigen karakter; er bestaan in ons ook bewegingen waarin de kracht van God samenwerkt met die van onze vermogens, zoals de deugden van geloof, hoop en liefde. Deze zijn wezenlijk van goddelijke oorsprong en laten dus de werkzame aanwezigheid van de H. Drie-eenheid in onze ziel zien. Laten wij ons eraan wennen om dagelijks vast te stellen dat Hij daar is, de onvergelijkelijke Gast, en dat Hij zonder ophouden werkt om ons met Hem te verenigen.

Er kan echter geen sprake van zijn niets te doen en af te wachten tot God ons wel zal verrijken met zijn gaven. Wij moeten ons daarvoor in de juiste gesteldheid brengen, maar niet door moeizame oefeningen van de overeenkomstige deugden; dat werk zou de schijn hebben dat we met geweld willen veroveren wat de H. Geest alleen aan het nederige gebed wil schenken.

Het is verstandiger zich nauw te verenigen met de H. Drie-eenheid door de liefde en, nadat men daarvan door werken getuigenis heeft gegeven, zich in stilte gehoorzaam te houden voor haar werking. Hoe snel zal Zijne Majesteit deze verwachting belonen! Weldra zal de ziel smaken «hoe goed de Heer is» dankzij de gave van wijsheid die haar het eerst zal geschonken worden. Deze wijsheid, nauwelijks geboren in de ziel, is reeds het gevoel en de smaak van de Aanwezigheid van God; vreugde, vrede en diepe ingetogenheid zijn haar onmiddellijke uitwerkingen. Zij wordt gegeven met de eerste genaden van vereniging, al zeer vroeg.

Welnu, alle andere gaven komen spontaan voort uit de gave van wijsheid. Is het de ziel die ze naar haar wil uit deze schat put of is het de H. Geest die haar in deze ontdekking leidt? Het een en het ander, in harmonie. De wijsheid is als dat grote irrigatiebekken vanwaar kanalen vertrekken naar talrijke kleinere bassins, die zich vullen met zijn water onder de zorgende hand van de tuinman. Wanneer een ziel in het gebed gewoonlijk de vreugden van de Aanwezigheid van de Heer smaakt, put zij daaruit de ene dag een grote vrees, een andere dag een tedere vroomheid of een heldhaftige sterkte, een bovennatuurlijke raad of de kennis en het inzicht, eindeloos, naargelang de H. Geest haar zachtjes in die of die richting leidt.

Daaruit maken wij op hoezeer de verwerving, of beter de ontvangst, van de goddelijke gaven verwijderd is van elke bijzondere beoefening van de overeenkomstige deugden. We zien hoezeer het geestelijke leven wezenlijk gelegen is in het stille en liefdevolle gebed en slechts in tweede instantie in het werk van de rede en de constructies van de verbeelding!

Zie welke grote en kinderlijke vrees de ziel zal hebben, zodra haar aandacht zich in die richting richt, de ziel die de goddelijke Aanwezigheid geniet en zich oneindig bemind weet, zodat zij er geheel door gegrepen wordt. Ja, hoe zal zij ervoor vrezen deze schat te verliezen! En ziedaar de gave van vrees, die alleen in staat is haar los te rukken uit bepaalde dwaze bekoringen. Wanneer alle deugden zouden wankelen, zou deze goddelijke vrees ons redden van de dood!

En dan is er de vroomheid, waardoor een ziel op bepaalde momenten de oneindige vrede van de ware vrienden van God smaakt. Deze ingetogenheid is niet het resultaat van een inspanning, maar het gegrepen worden en de zachte zorgen van de liefde. Zelfs een kind dat zijn eerste communie gedaan heeft, kan de liefkozingen van Jezus voelen en daaruit voor lange tijd een onvergelijkelijke en tedere vroomheid putten.

De sterkte ontspringt eveneens uit de gave van wijsheid van zodra de ziel zich in de strijd bevindt. Zij is het spoor, in de actie, van het zaligmakende voorbijgaan van God, zodat niets te zwaar lijkt uit dankbaarheid voor zulke weldaden. En deze sterkte lijkt weinig op de deugd met dezelfde naam die de mens zelf smeedt en die hard en gewelddadig is. Zij is de deugd van de nederigheid, van de zachtmoedigheid, van de overgave in de handen van de boosdoeners — zo tegengesteld aan het karakter van de mens, maar zo gelijkend op dat van Jezus!

De raad behoort zonder moeite toe aan hem die nog geheel bewogen en in zichzelf verzonken uit zijn gesprek met God komt. Anderen hebben niet gebeden, om langer te kunnen overleggen; maar deze mens is dociel en stil gebleven, en zie: hij wordt plots vervuld van een verbluffende geest van onderscheiding. Zijn voorzichtigheid en zijn beslissing wekken bewondering. God heeft zijn oren en zijn verstand geopend om zijn ingevingen te volgen. De ziel, badend in het licht van de wijsheid, komt ertoe om in het handelen als vanzelf te oordelen en te voelen wat het best overeenstemt met de wil van God.

Vervolgens is er de kennis, die aan de geest de nietigheid van de schepselen en van deze voorbijgaande wereld onthult, maar ook de goedheid en de schoonheid van alle dingen als tekenen en symbolen van de verborgen grootheid van God; niemand kan haar verwerven, maar de Geest schenkt haar gemakkelijk aan hem die innerlijk de smaak van de goddelijke Aanwezigheid proeft. Hij gaat door de wereld, zoekend daarin die goddelijke smaak terug te vinden, en veracht elk goed, tenzij hij er “een ik-weet-niet-wat” in vindt dat hem doet denken aan de heerlijkheden van God. Wonderlijke kennis!

Wat het inzicht in de geloofswaarheden en de mysteries van God betreft: wat de H. Geest schenkt is van een andere orde dan dat van de geleerde theologen. Het is de rijkdom van het innige contact met God die eindeloze klaarheid geeft over het zo verheven domein van de goddelijke waarheden. De ziel gelooft ze intens in het licht van haar ervaringsvolle smaak; zij begrijpt ze, zij doorgrondt ze en verkrijgt een nauwere deelname aan het inzicht dat God heeft in zijn mysteries. Ook dat is een bron van vreugde en eindeloze verwondering.

Zo is het verborgen leven in God, waartoe wij niet kunnen komen door verovering, maar dat de drie goddelijke Personen schenken aan de ziel die erin slaagt bij Hen te blijven in de nederige stilte van het gebed.

Abbé Georges de Nantes
Uittreksels uit de Lettre à mes Amis nr. 56, juni-juli 1959