19 APRIL 2026

Het getuigenis
van de leerlingen van Emmaüs

Het Evangelie van de leerlingen van Emmaüs is zó mooi! Wij gaan dit verhaal met grote vreugde lezen, terwijl wij denken aan die twee bevoorrechte leerlingen. Zoals mijn eerste leraar apologetiek zei: “Wat een les in exegese hebben die twee leerlingen daar gekregen! Wat een les in de H. Schrift! Jezus zelf is de leraar van die twee geworden. Wat een geluk hebben zij gehad!”

«Juist die dag waren er twee leerlingen op weg naar een dorp dat Emmaüs heette en zestig stadiën van Jeruzalem lag. Zij spraken met elkaar over alles wat was voorgevallen. Terwijl zij zo aan het praten waren en van gedachten wisselden, kwam Jezus zelf op hen toe en liep met hen mee. Maar hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen.»

Men heeft de plaats Emmaüs nooit teruggevonden. Ongelovigen maken hiervan gebruik om te zeggen dat dit verhaal verzonnen is. We zien ze nochtans voor onze ogen, die twee mannen die Jeruzalem verlaten en die plots ingehaald worden door een vreemdeling. Het was de verrezen Jezus, «maar hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen». Tweede opwerping: hoe komt het dat deze leerlingen die Jezus goed kenden Hem niet herkennen? Sint-Jan zegt dat hun ogen gesloten waren, dat ze verhinderd waren Hem te herkennen. Dat is mysterieus.

«Hij vroeg hun: “Wat is dat voor een gesprek dat gij onderweg met elkaar voert?” Met een bedrukt gezicht bleven ze staan. Een van hen, die Kleopas heette, nam het woord en sprak tot Hem: “Zijt Gij dan de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat Gij niet weet wat daar dezer dagen gebeurd is?”»

Het is het grote feest van Pascha. Honderdduizenden mensen zijn hiervoor naar Jeruzalem gekomen. Ze kamperen in uit takken gemaakte hutten in het omliggende platteland. De woorden van deze Kleopas tonen aan dat de kruisiging van Jezus in Jeruzalem niet ongemerkt voorbij gegaan is. Het waren dus wel degelijk massa's mensen die riepen: “Kruisig hem!”

«Hij vroeg hun: “Wat dan?” Ze antwoordden hem: “Dat met Jezus de Nazarener, een man die profeet was, machtig in daad en woord in het oog van God en voor heel het volk.”»

Het Lijdensverhaal kennen we door de vier evangelisten, maar nu gaan we zien hoe gewone mensen dit vernomen hebben. We komen te weten wat zich heeft afgespeeld in het bewustzijn van twee heel eenvoudige leerlingen van Jezus. Wat hebben ze van Hem begrepen? Gedurende het openbare leven van Jezus hebben mensen Hem gezien, Hem ooit horen spreken. Iedereen heeft er zich een beeld over gevormd, zich dit of dat ingebeeld. Maar nu is de tijd gestopt en maken ze de balans op.

De Joden hadden een immense voorsprong op de heidenen omdat ze wisten dat God sinds eeuwen tot zijn volk gesproken had door profeten en dat de profeten de toekomst hadden voorspeld en dikwijls het bewijs geleverd hadden van de goddelijkheid van hun zending door buitengewone dingen, mirakels, orakels en profetieën. Voor deze vrome Joden lijkt Jezus dus een profeet, machtig in daad en woord. Dat is juist en iedereen had dat  kunnen vaststellen; Christus had zovele mirakelen en profetieën gedaan gedurende zijn openbare leven!

Onze Emmaüsgangers zijn absoluut te betrouwen en wanneer ze zeggen “heel het volk” wil dit zeggen dat iedereen op de hoogte was.

«De hogepriesters en onze leiders hebben Hem overgeleverd om ter dood te worden veroordeeld en hebben Hem aan het kruis geslagen.» Dat is de ware toedracht van de feiten. Ze waren hierbij aanwezig en weten wat gebeurd is. Het gaat om twee hogepriesters, want er was de echte hogepriester Kajafas en hij die feitelijk de macht uitoefende: zijn schoonvader Annas. Hij deed dat  door toedoen van zijn zeven zonen die elkaar jaarlijks opvolgden op deze post. Annas was dus een tiran die de controle over Jeruzalem had overgenomen. En na zijn zeven zonen was het de beurt aan zijn schoonzoon om als stroman te dienen. Bekleed met de titel van hogepriester restte Kajafas nog slechts te gehoorzamen aan zijn schoonvader die steeds de feitelijke hogepriester bleef. De leerlingen van Emmaüs wisten dit en daarom zeggen ze “onze leiders”, want er waren er dus twee.

«Ze hebben hem overgeleverd aan de Romeinen.» Men kan de dingen niet nauwgezetter zeggen. Ze hebben Hem aan de Romeinen overgeleverd, enkel om ter dood veroordeeld te worden, opdat Pilatus zou zeggen: “Ik lever Hem aan u uit, doe met Hem wat jullie willen.” Pilatus heeft de beslissing genomen die de Joden van hem wilden en die zij zelf niet het recht hadden te nemen, namelijk: Jezus ter dood veroordelen. Zij zijn het dus die Hem gekruisigd hebben. Pilatus heeft hun de Romeinse beulen, de specialisten in die zaken gegeven. 

De Joden hebben de toestemming van Pilatus afgedwongen en hijzelf heeft hen die, uit lafheid, gegeven; dat was zijn misdaad. Maar zij zijn het die Hem gekruisigd hebben. Wat de beulen betreft, namen de Romeinen Syriërs en Arabieren in dienst om dit onwaardige werk te doen dat een Romein nooit zou hebben willen doen. Ze betaalden huurlingen, professionelen, van wie de Joden zich bediend hebben.

«En wij leefden in de hoop dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen!» Dat is de messiaanse toon. Volgens de aanwijzingen van het boek Daniël wisten de Joden dat men aanbeland was bij het moment waarop de Messias moest verschijnen. Toen de mensen de deugdzaamheid, de wijsheid en de macht van Jezus zagen, vroegen ze zich spontaan af: “Zou hij niet de Messias zijn, de Zoon van David?” Op Palmzondag hadden de leerlingen van Emmaüs samen met al de anderen geroepen: “Hosanna aan de Zoon van David!”

«En dit is nu al de derde dag sinds die dingen gebeurd zijn.» Dit wil zeggen dat de wettelijke termijn van drie dagen, noodzakelijk om de dood vast te stellen, geregistreerd is. Jezus is dus dood, ze hebben geen hoop meer, ze keren terug naar huis, hun pelgrimstocht van Pasen is ten einde.

«Zelfs hebben een paar vrouwen uit ons midden ons in de war gebracht. Ze waren in de vroegte naar het graf geweest, maar hadden zijn lichaam niet gevonden en kwamen zeggen dat zij ook nog een verschijning van engelen hadden gehad, die verklaarden dat Hij weer leefde.» We herbeleven hier de eerste gebeurtenissen na de Verrijzenis. In de vroege ochtend zijn de vrouwen naar het graf gegaan om het dode lichaam te balsemen. Ze hebben zijn lichaam niet gevonden. Twee engelen zijn hun verschenen bovenop het graf. Dat nieuws hebben de vrouwen overgebracht.

«Daarop zijn enkelen van de onzen naar het graf gegaan en bevonden het zoals de vrouwen gezegd hadden, maar Hem zagen ze niet.» De leerlingen van Emmaüs weten niet dat toen Johannes het graf binnenging, hij zag en geloofde. Want de Lijkwade was netjes opgeplooid en de zwachtels waarmee voeten en handen vastgemaakt waren, lagen op de grond. Hij is dus vertrokken? Zonder zijn Lijkwade? Zonder de zwachtels om zijn handen en voeten samen te houden? Als men Hem weggenomen had, zou men Hem genomen hebben zoals Hij was, mét de Lijkwade en de zwachtels, op Hem gemakkelijker te vervoeren.

«Nu sprak Hij tot hen: “O onverstandigen, die zo traag van hart zijt in het geloof aan alles wat de profeten gezegd hebben!”» Dit toont aan dat de Joden in het Oude Testament voldoende bewijzen, profetieën, lichtpunten hadden om te begrijpen. Het is onvergeeflijk dat de apostelen het geloof niet bewaard hebben. Jezus had hun gezegd dat Hij zou verrijzen, maar ze hadden het niet begrepen. Driemaal had Hij gezegd dat Hij zou overgeleverd worden, ter dood veroordeeld en dat Hij zou verrijzen, maar ze hadden er niets van begrepen. Wat zouden wij in hun plaats gedaan hebben? Dat vragen we ons elk jaar af. We moeten niet prat gaan op onszelf.

«Moest de Messias dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?» Jezus is hard geweest, maar dat was nodig. De ganse Schrift laat ons verstaan dat men vernederingen en dood moet ondergaan om te kunnen verrijzen.

«Beginnend met Mozes verklaarde Hij hun uit al de profeten wat in al de Schriften op Hem betrekking had.» Jezus heeft hun over het offer van Izaäk gesproken, van psalm 21. Hun hart moet toen gebrand hebben. In de H. Schrift zijn er dikwijls allusies op het lijden van Jezus, maar de Farizeeën hadden deze gecensureerd. Ze weerhielden de profetieën van geluk voor het volk, van glorie voor Israël. Over de profetieën van Zacharias over de gekruisigde profeet werd met geen woord gerept, omdat er gezegd werd dat het Jeruzalem was die Hem zou kruisigen en vervolgens zou rouwen en jammeren over Hem die zij gekruisigd had.

«Zo kwamen ze bij het dorp waar ze heen gingen, maar Jezus deed alsof Hij verder moest gaan. Zij drongen bij Hem aan: “Blijf bij ons, want het wordt al avond en de dag loopt ten einde.” Toen ging Hij binnen om bij hen te blijven. Terwijl Hij met hen aanlag nam Hij het brood, sprak de zegen uit, brak het en reikte het hun toe.»

Jezus had niet de bedoeling hen te misleiden, Hij wilde dat zij het initiatief zouden nemen. Hoe charmant is dit! Wat een schilder, die Sint-Lucas, die ons zoveel inlichtingen geeft die ons de scène doen herbeleven. De leerlingen van Emmaüs hadden een hart dat brandde. Het scheelde niet veel of ze zouden Hem gezegd hebben: “We zullen u begeleiden naar de plaats waarheen ge gaat.”

«Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem, maar Hij verdween uit hun gezicht. Toen zeiden ze tot elkaar: “Brandde ons hart niet in ons, terwijl Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?”»

Men haalt zich het schilderij van Rembrandt voor ogen. Jezus die brood breekt en de twee die Hem met verbazing aankijken. Wanneer men de teksten naast elkaar legt, begrijpt men dat Jezus een bepaalde manier had om te zegenen. Hij zegent het brood en, nadat Hij het gebroken heeft, gaf Hij het hun. Men zegt niet dat Hij ervan gegeten heeft. Het is niet de Eucharistie, want de Eucharistie is brood en wijn. Misschien hadden de twee leerlingen Hem al brood zien breken tijdens de vermenigvuldiging van de broden? In elk geval verdween Hij daarna meteen, bewijs dat Hij het wel degelijk was.

«Ze stonden onmiddellijk op en keerden naar Jeruzalem terug. Daar vonden ze de elf met de mensen van hun groep bijeen. Deze verklaarden: “De Heer is werkelijk verrezen, Hij is aan Simon verschenen.” En zij van hun kant vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe Hij door hen herkend werd aan het breken van het brood.»

Nog voor de twee leerlingen de grote gebeurtenis van hun leven kunnen vertellen, vernemen ze dat Jezus aan Petrus verschenen is! Wat hebben ze bij zichzelf gedacht? Het is wonderlijk te bedenken dat Jezus terzelfdertijd in Jeruzalem én in Emmaüs was. Zo hebben de apostelen en de leerlingen vernomen dat een verheerlijkt lichaam zich met de lichtsnelheid kan verplaatsen.

Wij van onze kant gaan meer zien dan de leerlingen van Emmaüs omdat, wanneer de priester het brood gaat breken, het de handen van Jezus zijn die dit gaan doen, het is zijn Woord dat werkzaam zal zijn, het is Jezus zelf die, verrezen, zich te eten en te drinken zal geven aan de arme mensen die we zijn.

Abbé Georges de Nantes
uittreksels uit de homilie van 17 april 1995