8 MAART 2026
De H. Geest aan het werk in onze zielen
Jezus heeft ons niet als wezen achtergelaten. Als Hij zich van ons heeft teruggetrokken, dan was dat juist om ons des te beter bij te staan door zijn Geest. Op het Woord dat vlees is geworden en onder ons heeft gewoond als een broeder, volgt de H. Geest: een ongrijpbare adem, een immaterieel leven dat helaas zo weinig gekend is, dat de zielen binnendringt en in hen woont zonder zich via de zintuigen kenbaar te maken. Laten wij Hem niet vragen zich aan ons te openbaren zoals andere wezens, met een gelaat, een stem of gebaren. Zijn zending is een andere: de ziel van onze ziel zijn, haar de beste bewegingen ingeven en samen met haar werken aan haar heiliging.
Dit is de voltooiing van Gods weldoende liefde: dat de Geest van de Vader en de Zoon, de uitstraling van hun liefde, blijvend in ons woont, deelneemt aan de geringste daden van ons leven en zich erop toelegt elke stap die wij zetten te leiden. Ja, wat een getuigenis van Gods liefde is deze toewijding van zijn Geest aan onze geest, zó innig dat wij in onze werken nauwelijks kunnen onderscheiden wat van Hem komt en wat uit onszelf voortkomt! De manier waarop God zich bij wijze van spreken wegcijfert uit het hart van zijn schepsel is indrukwekkender dan wat ook.
De keerzijde daarvan, zegt Jezus, is dat de wereld niet in staat is deze onzichtbare Geest, die de innerlijke zielen tot leven wekt en de Kerk bezielt, te zien of te kennen. Ook wijzelf lopen het gevaar Hem lange tijd te negeren, omdat zijn werking in ons er nooit op gericht is zichzelf te tonen, maar ons te hechten aan Jezus Christus en ons terug te voeren naar de Vader.
Hoe traag zijn wij om te geloven in deze heiligmakende Aanwezigheid! De oorzaak van een dergelijk gebrek aan vroomheid moeten we zoeken in de hoogmoed, die grote plaag van de moderne tijd. De mensen van vroeger, nederiger van hart, herkenden zonder verwondering de onzichtbare goddelijke Persoon die in hen aan het werk was, even nabij aan iedere gelovige als Jezus dat was aan zijn apostelen.
Jezus onderwees de mensen en riep hen tot zich. De H. Geest brengt hun zijn woorden in herinnering en wekt in hun hart de grootmoedigheid om aan zijn oproep te beantwoorden. Zoals Jezus zijn apostelen tijdens zijn aardse leven nauwelijks heeft verlaten en zich onafgebroken aan hun vorming heeft gewijd, zo woont de H. Geest in ons en zet elke dag zijn stille werk voort om onze heiliging tot stand te brengen, dwars door de vele tekortkomingen en hindernissen heen die wij Hem in de weg leggen.
Dichterbij dan welke mens ook helpt Hij ons en gaat Hij zelfs onze bewegingen vooraf. Wanneer wij zuchten onder onze ellende is Hij het die — nog meer en beter dan wijzelf — ons naar God drijft met “onuitsprekelijke verzuchtingen” (Rm 8, 26). Elke beweging van onze geest, elke impuls van ons hart vindt in Hem zijn ware oorsprong. En vooral wanneer wij een andere ingeving volgen, van onze slechte natuur of van de Boze, voelen wij dit goddelijke contact van een zachte en heilige wil die zich tegen de onze aandrukt. Ja, misschien is het juist daar dat wij het meest, en pijnlijk, ontdekken hoe nabij Hij ons is, hoe volhardend die liefde is wanneer wij haar weerstaan!
Hoe meer de ziel zichzelf leert kennen, hoe nederiger zij wordt en des te duidelijker, blijvender en krachtiger zij in zich de werking van de H. Geest ervaart. Hij vult haar aangeboren zwakheid aan en laat in haar een verbazingwekkende grootheid verschijnen. Dan wordt de ziel niet langer krenterig met deze rijkdommen, die zij tot dan toe vreesde snel uit te putten of onherroepelijk te verliezen, maar durft zij ze werkelijk te gebruiken. Dat wil zeggen: zij verheugt zich in de genaden van het huidige ogenblik, zonder zich nog zorgen te maken over waarvan zij morgen zal leven, want de gaven van de H. Geest zijn onuitputtelijk.
Zij treurt niet meer en raakt niet verontrust over de geringheid van haar liefde of over haar gebrek aan vurigheid. In plaats van zichzelf als leeg van alle goed te beschouwen, vergelijkt zij zich liever met een vat van klei waarin een schitterende vlam brandt. Er zal een dag komen waarop dit vat van kristal zal zijn en dit licht vrij zal uitstralen. “De liefde van God is in onze harten uitgestort door de H. Geest die ons is gegeven.”
Onze opwellingen en onze gebeden zijn nu nog slechts de verzwakte, getemperde weerkaatsing van de goddelijke aanwezigheid in ons. Maar eens zal onze natuur, die op elk ogenblik wordt gekneed en hervormd door het krachtige kunstwerk van de H. Geest, geen enkele hinderpaal meer vormen voor de genade.
Dit mysterieuze Wezen dat ons innerlijk bijstaat, is geen duistere kracht, maar een Persoon, met eigen gedachten en wilsbesluiten, geheel anders dan de onze. Hij laat ons niet zomaar onze gang gaan, maar deelt ons van zijn eigen wezen en leert ons geduldig de liefde voor wat Hij liefheeft en de gehechtheid aan Hen van wie Hij uitgaat. Zo boetseert Hij onze geest, met een vurige en tegelijk zachte overreding, naar zijn eigen gelijkenis.
Door zijn gaven te overwegen leren wij Hem kennen, ondanks zijn terughoudendheid. Hij die de uitstraling is van de Vader en de Zoon wekt in ons de vreze Gods: de vrees om op de dag van het Oordeel veroordeeld te worden tot de verdoeming, ver van zijn Aanschijn; maar vooral de kinderlijke vrees om de liefde te verliezen van Hem die ons meer en beter liefheeft dan wie ook. Wij herkennen duidelijk de adem van de Geest die uitgaat van de Vader en de Zoon in de zachte onrust die Hij in ons wekt: de vrees om de immense liefde van God niet te beantwoorden en haar te kwetsen door de povere zwakheid van de onze.
De godsvrucht komt van Hem, die een zo zuivere vreugde in ons uitstort wanneer wij, ver van het lawaai en in de stilte van de vrede, binnengaan in de onuitsprekelijke ontmoeting van hart tot Hart in het gebed. Wij herkennen Hem, de Geest van de Waarheid, in de kracht die plotseling in ons de bekoring radicaal afwijst, terwijl heel ons verdorven wezen ernaar neigt. Evenzeer herkennen wij Hem in de nog bovenmenselijker kracht die ons dagen en maanden lang volgehouden inspanningen doet dragen, inspanningen die voor anderen zo rustig en vanzelfsprekend lijken.
De gave van raad is zijn rechtstreekse invloed, waardoor onze wil een uiterst scherp onderscheidingsvermogen ontvangt, een bovennatuurlijke voorzichtigheid te midden van de ernstige en vaak verwarde omstandigheden van ons leven. Want Hij wil niet dat het werk dat Christus ten koste van zijn Bloed heeft verworven om Hem in ons te voltooien, zou mislukken. Dan openbaart Hij zich als het ware bijna, om ons de beste keuze in te geven.
En wat te zeggen van de gave van wetenschap, die onze geest verrijkt met de schatten van het geloof, zodat wij werkelijk meester worden over ons lot en ontvankelijker voor zijn wijze ingevingen? Of van het verstand, dat ons doet doordringen in de betekenis van alle goddelijke woorden van de Heer, evenals van de sacramenten en de symbolen waarvan de Kerk zich bedient? Ja, terecht kon Jezus zeggen: “Hij zal uit het mijne putten en het u verkondigen.”
Maar wat dan te zeggen van de wijsheid? Die bedwelmende wijn van het mystieke leven, die het schepsel zo innig laat delen in de vreugde van de H. Geest dat Hij het onderdompelt in hemelse verrukking. Dan kent de ziel zichzelf niet meer; zij wordt opgenomen in de wereld van het goddelijke. Zij wordt zuivere lof van glorie voor het Aanschijn van de Vader, in Jezus, zijn geliefde Zoon, door de genade van de Geest.
Frère Bruno de Jésus-Marie
Uittreksels uit de Lettre à mes amis nr. 15