25 JANUARI 2026
Het blije nieuws
van de goddelijke Barmhartigheid
Het Evangelie spreekt tot ons hart over de goedheid van het Hart van Jezus. Na de tussenpersoon die Sint-Jan de Doper is, treden wij binnen in de volheid, in het ongehoorde wonder van het Nieuwe Testament, zoals het verschijnt op het Gelaat van Onze Heer Jezus Christus.
De profeten hadden zich dit niet kunnen voorstellen. Zij hadden gedroomd van een Rechter die zou komen om de slechten te verdelgen en de rechtvaardigen een eindeloos geluk te schenken. Maar zij hadden niet – of slechts van verre, op een vrij duistere wijze bij Isaïas – die goedheid van het Hart van God kunnen voorzien waarvan het Benedictus zal spreken, die tedere goedheid van het Hart van God die in Onze-Lieve-Heer zal verschijnen en die de menigten van Galilea zal verrukken.
In deze wereld van zonde zendt God tot de ellendige mensen die steeds opnieuw in hun zonden hervallen zijn Zoon om hen te redden. Deze zachtmoedigheid van God wordt beleefd in Nazareth, in een leven dat een leven van gebed, gehoorzaamheid en arbeid is geweest. Dit tijdperk van aardse vrede zal op aarde het Paradijs heropenen dat door de schuld van Adam was gesloten. Dit Paradijs vestigt zich opnieuw op aarde in een klein hoekje van Palestina, in het vergeten Nazareth, in een armoedig huisje. Daar zullen, zoals Adam en Eva in het Paradijs, Jozef, Maria en het Kind Jezus leven en gedijen.
Het is een Paradijs op aarde omdat de genade van God er aanwezig is: zij doordringt de menselijke natuur, herstelt haar in haar oorspronkelijke waardigheid en, zoals een tekst van de Mis zegt, “verheft de natuur” zelfs op een wijze die nog wonderbaarlijker is dan op de dag van de schepping. De gerechtigheid en de goedheid van Adam en Eva zijn niets in vergelijking met deze volheid van deugd, van liefde tot God en tot de naaste die in Nazareth heerst.
Als Jezus dertig jaar lang een verborgen leven heeft willen leiden, dan is dat om ons de nieuwe wet te tonen die Hij voor alle eeuwen, tot het einde van de wereld, wilde instellen. Er is nu genoeg genade op aarde opdat ieder van ons, in zijn dagelijkse leven, in zijn aardse, natuurlijke bestaan, de Wet van God kan gehoorzamen en kan leven vanuit een goddelijk leven.
Daarom hebben de monniken doorheen heel de middeleeuwen hun klooster, hun abdij, bezongen als een hervonden paradijs. Dat is volkomen terecht en het gold allereerst voor de H. Familie. Jezus is gekomen om ons niet alleen het voorbeeld, maar ook de kracht te geven om van ons leven en van onze gemeenschappen levens te maken die geheel goddelijk zijn, gemeenschappen die geheel onderworpen zijn aan de Wet van God en heilig.
Dat is het Evangelie, de Blijde Boodschap. Alle pogingen van de mensen om volgens God te leven waren mislukt, maar met de komst van Jezus in deze wereld bloeit dit op wonderbaarlijke en eenvoudige wijze opnieuw, eerst in Nazareth en daarna veel verder. Wanneer ten slotte de dood van Sint-Jozef intreedt en Jezus meerderjarig wordt, op dertigjarige leeftijd, begint Hij zijn openbaar leven. Wat gaat Hij anders doen dan allereerst deze heiligheid, deze volmaaktheid van het leven uitstralen en andere mensen daartoe roepen? Door zijn wonderen en zijn profetieën bewijst Hij dat Hij de Messias is. Ook hier richt de Jezus van het openbare leven zich tegelijkertijd tot ons verstand en tot ons hart.
Hij richt zich tot ons verstand omdat Hij, terwijl Hij een eenvoudige en gewone mens is onder de andere mensen, ons toch moet bewijzen dat Hij de Messias is en de Zoon van God die mens is geworden. Dat bewijst Hij voor ons verstand door de wonderen en door de profetieën. Deze wonderen zijn echt verbazingwekkend. De eerste wonderen van Onze-Lieve-Heer brengen de volkeren van Galilea in beroering en binden de leerlingen aan Hem. Waarom? Om twee redenen: niet alleen omdat de wonderen buitengewoon zijn, maar ook omdat deze wonderen Hem maken tot de bevrijder van de mensheid.
Er is iets zeer treffends aan de wonderen uit de eerste tijd in Galilea: het grote aantal mensen die van de duivel bezeten zijn en bij wie Jezus de Satan uitdrijft. Onze-Lieve-Heer toont zich als de Meester van de mensen en hun bevrijder uit de macht van de duivel. Hoeveel bezetenen stormen op Jezus af! Met wat een kracht drijft Hij de boze geest uit de bezetene, die zich voor Hem op de grond werpt en luid schreeuwt.
Maar deze bezetene is slechts het beeld van de mensheid die sinds eeuwen door Satan in de zonde gevangen werd gehouden. Net zoals Jezus de duivel uit deze man verdrijft, is Hij bezig de wereld te bevrijden uit de greep van de Boze. Dat is de vreugde van het Nieuwe Verbond, dat is de vreugde van het Evangelie.
Jezus bevrijdt de mensen van de demonen, maar ook van hun ziekten. Als Hij de zieken geneest, is dat om te bewijzen dat Hij de Zoon van God is die mens geworden is. Het is ook om te tonen hoe zijn goedheid zich over de mensheid zal uitstrekken: Hij zal de zielen hun gezondheid teruggeven. Hij heeft het vaak gezegd: «Ik ben niet gekomen voor de gezonden, maar voor de zieken», om hen te genezen. En Hij zal zelfs doden doen verrijzen.
Het zullen grote wonderen zijn om zijn goddelijkheid te bewijzen en het leven terug te geven aan de zielen die de zonde van God had verwijderd en van Hem had afgesneden. Daarin ziet men hoe deze wonderen, die ook ons verstand raken, tegelijk openbaringen zijn van zijn leer. Hij komt om de mensen lief te hebben, om hen te vergeven, om hen uit de slavernij te bevrijden, om hen te redden van hun ondeugden en hun ziekten, die nog meer geestelijk en moreel dan lichamelijk zijn. Hij komt om hun vreugde te schenken.
De Christus van Galilea is een Messias die de menigten aantrekt. Hij bezit zo’n goedheid, zo’n zachtheid en tegelijk zo’n kracht, geheel gesteld in dienst van zijn liefde voor zijn broeders, de mensen, dat Hij op een verbazingwekkende wijze de besten aan zich bindt. Op zijn woord verlaten de eerste leerlingen hun netten, hun boot en hun vader en hechten zij zich aan Jezus Christus. Zij worden van de duivel bevrijd en volgen Hem overal waar Hij gaat. Zij waren zondaars, gebukt onder hun zonden, zoals de overspelige vrouw en zoals Maria Magdalena, en zij worden vergeven. Zij waren met gierigheid en hebzucht aan het geld gehecht, zoals Zacheüs, zoals Levi. Na Jezus te hebben ontmoet, breken zij met deze gehechtheid, worden zij bevrijd en volgen zij Jezus.
Abbé Georges de Nantes
Uittreksels uit de retraite over het Credo S8 1968