11 JANUARI 2026
Jezus’ doopsel in aanwezigheid
van zijn Vader en van zijn Moeder
In de eerste dagen van oktober van het jaar 28 «trad Johannes op in de woestijn en doopte; hij predikte een doopsel van bekering tot vergiffenis van zonden. Heel de landstreek Judea en alle inwoners van Jeruzalem trokken naar hem uit en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden» (Mc 1, 4-5).
Nadat Hij afscheid had genomen van de Maagd Maria en Nazareth had verlaten, begaf Jezus zich eveneens naar die plaats, in de eerste dagen van januari 29.
Tussen de menigte die naar Johannes de Doper toestroomt, vormt Hij een uitzondering. Hij alleen komt niet uit Jeruzalem of Judea: «En het gebeurde in die dagen dat Jezus kwam uit Nazareth in Galilea, en Hij werd door Johannes in de Jordaan gedoopt» (Mc 1, 9). Jezus legt dus opnieuw dezelfde reis af, van Galilea naar Judea, zoals achtentwintig jaar eerder, toen Hij nog in de schoot van zijn Moeder was (Lc 2, 4).
Dit verband is niet overbodig; het herinnert ons eraan dat Jezus van geboorte een Judeeër is: Judea is zijn vaderland. Daarom hoeven we ons er niet over te verbazen dat Hij zich aansluit bij «heel de landstreek Judea en alle inwoners van Jeruzalem» die gekomen waren om het doopsel van Johannes te ontvangen «terwijl zij hun zonden beleden».
De H. Marcus benadrukt inderdaad dat de mensenmassa’s worden gedoopt «terwijl zij hun zonden beleden», maar niet Jezus: ook hierin vormt Hij een uitzondering. Wat is dit mysterie dan? Wat brengt Jezus ertoe zich te laten dopen, terwijl Hij de zonde niet heeft gekend? Het antwoord komt van God de Vader zelf, die zijn stem laat klinken in een Theofanie of Godsopenbaring: «En op hetzelfde ogenblik dat Hij uit het water opsteeg, zag Hij de Hemel openscheuren en de Geest als een duif op zich neerdalen. En er kwam een stem uit de Hemel: “Gij zijt mijn Zoon, mijn veelgeliefde; in U heb Ik welbehagen”» (Mc 1, 10-11).
Het lijkt erop dat alleen Jezus de Hemel ziet openscheuren en de duif van de H. Geest op Hem ziet neerdalen. Maar ook Johannes de Doper heeft dit gezien, zoals de evangelist Johannes bevestigt: «Verder getuigde Johannes: “Ik heb de Geest als een duif uit de Hemel zien neerdalen en Hij bleef op Hem rusten”» (Jo 1, 32). Wat is deze Duif? Is het een echte duif, door een wonder daarheen gebracht zoals de duiven van Fatima? Of is het een verschijning in de gedaante van een duif?
Hier is de uitleg van abbé de Nantes: de H. Maagd Maria is daar aanwezig, meegevoerd door de H. Geest van wie Zij de woonplaats is, zoals de bruid uit het Hooglied (5, 2; 6, 9); niet als Middelares, maar als de lamp waarin het licht is geplaatst, «schoon als de maan, stralend als de zon» (Hoogl. 6, 10).
De H. Geest komt in haar en Maria openbaart zich zo onder datgene wat haar het meest eigen is: haar zuiverheid, haar heiligheid, waarvan de duif het symbool is, om te getuigen dat Jezus werkelijk de Zoon van God is, op maagdelijke wijze door Haar ontvangen door het werk van de H. Geest.
Zij kon bij deze Theofanie niet afwezig blijven. Zij is er op een bepaalde manier aanwezig, waargenomen door Jezus en door Johannes de Doper en misschien ook door de menigte: het gaat niet om een echt dier, zoals de duif van Noë of de wonderbare duiven van Fatima; het is een visioen van een Duif. «Als een duif», schrijft Sint-Lucas, die dit heeft opgetekend «aan de hand van de gegevens welke ons werden overgeleverd door mensen die van het begin af aan ooggetuigen waren en in dienst van het Woord zijn getreden» (Lc 1, 2). Bedoeld wordt de evangelist Johannes en, zonder enige twijfel, ook Maria zelf. Wat Marcus (1, 10) betreft, hij had het van Petrus; Petrus en Mattheüs (3, 16) hadden het van Jezus zelf. Zoals we gezien hebben: het is allemaal heel solide!
Het doopsel van Jezus is zijn wijding, zijn Epifanie die hem aan de wereld “openbaar” maakt, zoals de aanbidding door de Wijzen Hem reeds had geopenbaard in de dagen van zijn geboorte. De H. Mattheüs benadrukt dit op zijn eigen manier door het verzet van Johannes de Doper te vermelden, die zichzelf onwaardig verklaart om Jezus te dopen, want dat is werkelijk de rollen omkeren! «Ik heb uw doopsel nodig, en Gij komt tot mij?» (Mt 3, 14). En toch, ondanks de schijn, is het Jezus die de Meester is; Johannes de Doper begrijpt het en gehoorzaamt: «Maar Jezus antwoordde hem: “Laat het nu zo; want zo past het ons alle gerechtigheid te vervullen.” Toen liet hij Hem begaan» (Mt 3, 15).
Johannes «liet» Jezus het doopsel ontvangen, zoals de duivel Hem even later zal gerust «laten» wanneer Hij drie opeenvolgende bekoringen heeft afgewezen (Mt 4, 11). Het is niet zonder betekenis dat de evangelist dezelfde term gebruikt voor de duivel en voor Johannes de Doper die Jezus “gerust laat”. Zoals Petrus na de aankondiging van het Lijden (Mt 16, 23) is Johannes hier de verleider die de wil van God in de weg staat omdat hij te zeer vertrouwt op zijn louter menselijke kijk op de dingen.
Door zijn doopsel treedt Jezus in zijn koningschap binnen, maar daarmee breekt voor Hem het uur van de strijd aan, want Hij moet zijn rijk heroveren en de vorst van deze wereld, Satan, eruit verdrijven. Daarom wordt Jezus onmiddellijk na zijn wijding door de Geest naar de woestijn gedreven. «Daarna werd Jezus door de Geest naar de woestijn gevoerd om door de duivel op de proef gesteld te worden» (Mt 4, 1).
In de woestijn overwon Jezus de drie bekoringen waaraan Israël vroeger tijdens zijn veertig jaren van omzwervingen had toegegeven. Trouw aan zijn Vader weigert Jezus zijn voedsel buiten Hem te zoeken, weigert Hij Hem te “op de proef te stellen” en weigert Hij Hem te verloochenen om de duivel te aanbidden die de heerschappij over de wereld aanbiedt. Maar pas aan het einde van deze gewonnen strijd zal het verloren paradijs worden hersteld. «Nu liet de duivel Hem met rust en er kwamen engelen om Hem hun diensten te bewijzen» (Mt 4, 11).
Zo wijst Jezus Christus de weg aan zijn Kerk, aan haar leiders zowel als aan de nederigste van haar gedoopte gelovigen: het christelijke leven zal dus een strijd zijn tegen Satan, de wereld en onszelf. Wij zullen die strijd moeten voeren met de almachtige hulp van de goddelijke genade die is ontsprongen uit de doorboorde zijde van de gekruisigde Jezus en die zich in de Kerk verspreidt door de bemiddeling van de Maagd Maria, zijn heilige Moeder, die ook de onze is, de H. Duif van de goddelijke Parakleet.
Broeder Bruno van Jezus-Maria
Uittreksels uit CRC nr. 364, februari 2000