8 MAART 2026

De drievoudige symboliek
van de Gedaanteverandering

Jullie herinneren zich vast, misschien zelfs met enige huiver, de bekoring van Jezus in de woestijn uit het Evangelie van vorige zondag. Het was aangrijpend om Onze-Lieve-Heer te zien alsof Hij in de handen van de duivel was. En dat was Hij ook werkelijk, ondanks wat sommige moderne Bijbeluitleggers en predikers beweren.

Die drie bekoringen waar Jezus als overwinnaar uit tevoorschijn kwam, staan symbool voor de grote verleidingen van het menselijke leven: zinnelijkheid, buitensporigheid en het uitdagen van God, met andere woorden: hoogmoed, waardoor de mens zich aan God gelijk waant of zich zelfs boven Hem plaatst.

Dat alles was zwaar en beklemmend. Het bracht ons meteen in de sfeer van de Vastentijd en plantte een heilzaam wantrouwen in onze geest en ons hart: tegenover onszelf, tegenover de wereld, tegenover het vlees en de duivel. Dat is erg noodzakelijk om onze ziel te zuiveren en ons voor te bereiden op Pasen.

Maar de Kerk weet ook dat men nooit mag blijven hangen in zwaarmoedigheid of wanhoop, maar steeds opnieuw moet opveren. Daarom plaatst het Evangelie van deze tweede zondag, tegenover de waarachtige strijd van Jezus met de helse machten, een ander feit: Jezus in communicatie met de Hemel, gedragen door God, zijn Vader. Dat is de schitterende gebeurtenis van de Gedaanteverandering.

Onze-Lieve-Heer is tegelijk God en mens. Vlak vóór zijn Lijden, vóór het grote schandaal van zijn vernedering tot op het Kruis, wilde Hij aan zijn meest geliefde apostelen – Petrus, Jacobus en Johannes – tonen welke goddelijke heerlijkheid zelfs in zijn menselijk lichaam aanwezig was. Zijn Gelaat straalde als de zon en zijn kleren werden verblindend wit als sneeuw. Wanneer Jezus de menselijke natuur aanneemt, staat die meteen in directe gemeenschap met Gods almacht. Daarom mogen wij ons niet laten misleiden door zijn vernedering, want die leidt naar de verheerlijking. Hij zal verrijzen.

De kerkvaders houden ervan om met symboliek te werken en hier dringt één getal zich op: drie. Alles gebeurt in reeksen van drie, drie groepen van drie elementen, die we speels met elkaar kunnen verbinden.

Eerst is er een onmiskenbare groep van drie personen die van de Gedaanteverandering een echte Theofanie maakt, een Godsopenbaring, net als bij het doopsel van Jezus. De apostelen zien Jezus zelf, stralend in goddelijke heerlijkheid. We horen een stem uit de Hemel, net zoals bij het doopsel van Jezus, en dat is natuurlijk die van de Vader, die zegt: “Dit is mijn geliefde Zoon, luistert naar Hem.”

Er is dus de Vader, er is de Zoon, maar waar is de H. Geest? Is Hij niet aanwezig in de lichtende wolk die de apostelen overschaduwt? Dat “overschaduwen” treffen wij in het Evangelie nog slechts op één andere plaats aan: bij de Aankondiging, wanneer de H. Maagd verbaasd is dat zij geroepen wordt moeder van de Verlosser te worden; ze wijst op de maagdelijkheid die zij aan God beloofd heeft, waarop de engel antwoordt: “De H. Geest zal u overschaduwen.” Het is de H. Geest, de Godheid, die de Maagd in zijn lichtende schaduw opneemt, haar heiligt en haar geschikt maakt om de Zoon van God te baren.

Zo is bij de Gedaanteverandering de derde persoon eveneens de H. Geest. Die lichtende wolk, symbool van de H. Geest, neemt bezit van de apostelen, verlicht hen en heiligt hen, opdat zij de zin van dit mysterie zouden begrijpen. Het is een prachtige Theofanie: de drie goddelijke Personen openbaren zich aan de apostelen. Later zullen zij begrijpen waarom Jezus hun zal bevelen te dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de H. Geest. De H. Geest is zo innig met ons verbonden dat Hij is als een wolk die een landschap geheel in bezit neemt.

Een tweede vaststelling: Jezus verschijnt in gesprek met Mozes en Elias, Mozes aan zijn rechterzijde, Elias aan zijn linkerzijde. Mozes, de grote wetgever van Israël, en Elias, de profeet, spreken met Jezus. De apostelen horen dat hun gesprek handelt over het lijden dat Jezus in Jeruzalem zal ondergaan. Zo wordt dit ogenblik van heerlijkheid duidelijk verbonden met de vernederingen die zullen volgen. Jezus verschijnt aan zijn apostelen in heerlijkheid, opdat zij later getuigen zouden zijn van deze zaken en opnieuw het geloof zouden wekken bij de andere apostelen en de heilige vrouwen, die door het lijden en de dood van Jezus ontredderd zullen zijn.

Voor kunstenaars ligt het tafereel voor de hand: Jezus in het midden, boven Hem God de Vader die spreekt en naast Hem de twee figuren Mozes en Elias. Mozes vertegenwoordigt de Wet en het Verbond van God met zijn volk, het dogma van het Oude Testament, dat zich naar Christus toekeert. Elias staat voor de profetie en de aankondiging van de komende Messias.

Zo verschijnen hier opnieuw drie figuren: Mozes als fundament van het geloof, Elias als beeld van de hoop op de Christus. Die hoop, door de profeten verkondigd, reikt verder dan Jezus’ eerste komst in deze wereld: zij omspant de hele geschiedenis van de Kerk, die uitziet naar de wederkomst van Christus in heerlijkheid om zijn eeuwig Koninkrijk te vestigen.

Als Mozes het geloof verbeeldt en Elias de hoop, welke deugd is dan eigen aan Jezus? Wij weten volgens Sint-Paulus dat er drie theologale deugden zijn, geloof, hoop en liefde, en dat de liefde de grootste is en dat op de wet van de vrees de wet van de liefde is gevolgd. Jezus is hier dus al het H. Hart, de liefde zelf. Dat vormt de tweede groep van drie.

Het is begrijpelijk dat Petrus zich daar bijzonder goed voelde, overmand door een hemelse vreugde, en iets uitstamelde wat voor Sint-Lucas bijna wat naïef klonk: “Heer, het is goed dat wij hier zijn; laten wij drie tenten maken.” Opnieuw verschijnt het getal drie, waarmee wij de laatste sleutel bereiken.

Onze-Lieve-Heer had Petrus, Jacobus en Johannes meegenomen. In de Kerk is Petrus het geloof. Hij is het hoofd van de apostelen omdat hij als eerste de ingeving uit de Hemel ontving om zijn geloof te belijden in Christus als de Zoon van de levende God en als de Messias.

Jacobus van zijn kant is de hoop. Op het concilie van Jeruzalem zei Jacobus tegen Petrus en Paulus: “Als er geen werken zijn, is het vergeefs dat wij hopen op het eeuwige leven; we zullen het eeuwige leven slechts verkrijgen als we de werken verrichten in de hoop op Gods oordeel.” Jacobus zal schrijven dat men de wet van God moet onderhouden om hoop te hebben op redding. Jacobus is dus de hoop. Hij brengt het geloof van Petrus in evenwicht door de hoop, zoals Elias, profeet van de hoop, antwoordt op het geloof van Mozes.

En Sint-Jan? Iedereen weet dat Johannes de leerling is die Jezus liefhad, hij is de apostel van de liefde. De brieven van Johannes leren ons dat God liefde is.

Alles past dus harmonieus in elkaar. Ik zeg niet dat Jezus deze getallensymboliek absoluut heeft willen aanbrengen, maar zij vormt wel een sleutel die ons helpt dit mysterie beter te begrijpen.

Waarom begrepen de apostelen deze scène toen nog niet? Waarom verloren zij het geloof met Goede Vrijdag, bij de dood van Jezus? Omdat zij de volheid van de Openbaring nog niet hadden ontvangen, die hun pas op de dag van Pinksteren zou worden geschonken.

Wij daarentegen, die in de Kerk leven en de gaven van de H. Geest hebben ontvangen – de theologale deugden van geloof, hoop en liefde en zoveel andere genaden – hebben daarmee, zoals Sint-Paulus zegt, een volledige wapenrusting gekregen om, ondanks de aanvallen van de duivel, het vlees en de wereld, Christus te volgen door zijn beproevingen heen, tot aan zijn glorieuze Verrijzenis.

Abbé Georges de Nantes
Uittreksels uit de preek van 11 maart 1990