15 FEBRUARI 2026
De actualiteit van Fatima:
de zielen vallen in de hel
De actualiteit van de boodschap van Fatima, honderd jaar na de verschijningen, is de afschrikwekkende dreiging van de eeuwige verdoemenis die op de zielen weegt.
Het spreekt vanzelf dat Onze-Lieve-Vrouw de Poort van de Hemel is, de Toevlucht voor de zondaars die daar moeten binnengaan. Meer nog: Zij is de Morgenster, de Dageraad van het komende heil.
Dat is de kern van de actualiteit van de boodschap van Fatima: wij leven in de eindtijd en Zij kondigt de definitieve Morgen aan. De keerzijde van deze, laat ons zeggen, wonderbare medaille is echter de openbaring van de hel. Vele zielen gaan verloren.

Daarin ligt precies de actualiteit van Fatima. En dat verzwijgen is misdadig.
«Het is misschien de eerste keer», zei onze vader abbé de Nantes, «dat mensen met hun eigen ogen de hel hebben gezien en diegenen die zich daar bevinden. Heiligen, zoals de H. Teresia van Avila, hebben er wel een zekere ervaring van gehad, maar niets is te vergelijken met wat deze kinderen hebben gezien en gehoord, voordat zij hun spel hervatten en hun gewone leven weer opnamen. Het feit staat vast en getuigt met uitzonderlijke objectiviteit van mysteries die ons verstand te boven gaan. Dit zijn geen kinderfantasieën, maar het dogma van het Geloof zelf, uitgedrukt met een helderheid en een precisie die in ieder van ons een heilzame vrees zou moeten wekken, opdat wij niet in dat vuur zouden vallen.»
Sommige gebeurtenissen geven ons als het ware een voorproef van de hel. Denk bv. aan het lot van Sodom en Gomorra, dat de hel tot aan de poorten van het Beloofde Land brengt. Op de kaart liggen Sodom en Gomorra vlakbij Jeruzalem: verlaten gebieden rond de Dode Zee, met overblijfselen van de verwoeste steden die bedolven zijn ten gevolge van een aardbeving die historisch heeft plaatsgevonden, maar die de Bijbel verklaart als een straf van God.
Jezus heeft niets afgezwakt. Over het huis of de stad die de apostelen niet ontvangt of niet naar hen luistert, zegt Hij dat het voor het land van Sodom en Gomorra op de dag van het oordeel draaglijker zal zijn dan voor die stad (Mt 10,15). Daarom heeft Hij reeds zijn vloek uitgesproken over Betsaïda en Kafarnaüm, schuldiger dan Sodom – een vloek die werkelijkheid is geworden als men bedenkt dat de ruïnes van Kafarnaüm werden teruggevonden, terwijl modernisten beweerden dat die stad nooit had bestaan.
Jezus openbaart zich hier als de gelijke van Jahweh. Het lot van Sodom, meer nog dan een gewone dood, is de ware straf voor de zondaar. Waarin bestaat die? «Hij zal op de goddelozen valstrikken doen regenen, vuur en zwavel; een verzengende wind zal het deel van hun beker zijn.» Sodom is niet Jeruzalem zelf. Toch is de zonde doorgedrongen tot in de heilige stad, zodat zij ook wordt ingelijfd bij de vervloekte gebieden. Dat is de hel.
In de mond van Jezus is de hel de plaats van de eeuwige straf: het Gehenna, gelegen aan de poorten van Jeruzalem. Ooit was het Gehenna een bloeiende tuin, later werd het een vuilnisbelt waar het afval van de heilige stad werd verbrand. Dat vuur bleef onophoudelijk branden. Het is het beeld van wat de verharde zondaars in het hiernamaals te wachten staat. Dat is wat Jezus ons inpepert: «Wie één van deze kleinen die geloven schandaliseert…»
Op een dag heeft abbé de Nantes dit woord uitgelegd, maar op een aangrijpende, dramatische manier: ja, die mensen zullen eeuwig branden omdat zij de oorzaak zijn van het eeuwige ongeluk van de kleinen die door hun schuld het geloof hebben verloren.
«Als uw rechterhand u aanstoot geeft, hak ze af en werp ze van u weg, want het is beter voor u dat een van uw lichaamsdelen verloren gaat dan dat heel uw lichaam in de hel terecht komt.» Jezus zegt dit letterlijk! «En als uw voet voor u een aanleiding tot zonde is, hak hem af: het is beter voor u kreupel het leven binnen te gaan dan met twee voeten in het Gehenna te worden geworpen. En als uw oog voor u een aanleiding tot zonde is, ruk het uit. Het is beter voor u met één oog het Rijk van God binnen te gaan dan met twee ogen in het Gehenna te worden geworpen, waar de worm niet sterft en het vuur niet dooft.»
Angstaanjagend! Op een dag zal Jezus tot hen die de kleinen zo schandaliseren dat ze het geloof verliezen – en dat is wat vandaag ons kerkelijk leergezag doet – zeggen: «Gaat weg van Mij, vervloekten!» Hij die gekomen was om iedereen zonder uitzondering te vergeven, heeft deze woorden toch maar uitgesproken! Het zijn woorden die een totale breuk markeren: hier is geen barmhartigheid meer, het is het einde van de barmhartigheid, het oordeel.
De hel blijft voor de christenen een plaats, zoals de oudtestamentische schrijvers al hadden aangevoeld. Ook in de Apocalyps wordt Satan in de poel van vuur en zwavel geworpen (Ap 19, 20), zoals Sodom, tegenover het hemelse Jeruzalem dat net daarvoor wordt beschreven. Dat is wat de kinderen van Fatima met hun eigen ogen hebben gezien. Verbluffend! En zij hadden de H. Schrift niet bestudeerd…
Onze-Lieve-Vrouw is uit de Hemel neergedaald om de zielen te redden van het vuur van de hel:
«Als men doet wat Ik jullie zal zeggen, zullen vele zielen gered worden.» Helaas is wat Onze-Lieve-Vrouw toen wilde en vandaag nog altijd wil niet gebeurd.
«Omdat men niet heeft gedaan wat Onze-Lieve-Vrouw van ons gevraagd heeft, gaan vele zielen verloren», merkte zuster Lucia met grote droefheid op. «Het is een waarheid die men in deze tijden vaak moet herhalen, omdat men haar vergeet. De zielen worden als in een maalstroom naar de hel meegesleurd.» Zuster Lucia waarschuwde ons daar onophoudelijk voor.
In 1942 zei zij tegen een seminarist: «Span u in om een groot aantal zielen, het grootst mogelijke aantal zielen, aan de hel te ontrukken.» Dat zou de obsessie van elke priester moeten zijn! «Daar terechtkomen, ja, dat is een echte ramp, een eeuwig ongeluk waarover men in dit leven en in het andere eindeloos kan treuren. De rampen van deze wereld zijn soms groot en zij maken ons bang en verschrikken ons, maar alles gaat voorbij net als de bloemen op het veld. Maar de ongelukkige eeuwigheid van zovele miljoenen en miljoenen zielen, die zal nooit voorbijgaan.»
Dat was genoeg om die seminarist zin en richting te geven aan zijn priesterlijke leven!
De gedachte aan de zielen die verloren gaan was de obsessie van onze vader. Dat is wat al onze gebeden, al onze offers moet bezielen. En vooral het verlangen om Onze-Lieve-Vrouw te troosten voor de minachting waarmee men met haar bekommernis omgaat, door die bezorgdheid met haar te delen en, in de mate van onze krachten, onze gebeden en offers te vermenigvuldigen.
Broeder Bruno van Jezus-Maria
Uittreksels uit de ochtendoverweging van 16 september 2016