29 MAART 2026
O Heilig Kruis, onze enige hoop
VOOR deze grote heilige dagen treedt de Kerk binnen in de bruidskamer, waar haar Bruidegom haar verwacht. Wanneer zij de deur van deze nauwe cel opent, ziet zij niets anders meer dan Jezus en wel de gekruisigde Jezus. Zij werpt zich neer in aanbidding en liefde; zij verdiept zich in de beschouwing van het mysterie van het Lijden en de Dood van haar Heer en Verlosser.
Dan begint een ontroerende samenspraak tussen Hem en haar, zoals in de klaagliederen van Goede Vrijdag. Voor beiden bestaat er nog maar één werkelijkheid: het grote drama van de zonde en de immense ellende die zij, in naam van de menigte, belijdt; en daartegenover het lijden en de liefde die Hij haar als antwoord toont.
Laten ook wij binnengaan, christenen. Laten wij binnengaan met de Kerk, onze Moeder, in dit heiligdom dat overschaduwd wordt door de duisternis van Golgotha. En laten wij, getroffen door het visioen van de lijdende Christus, de pijn voelen dat wij de Liefde niet liefhebben.
Laat ieder zich daarom, in het aanschijn van het H. Kruis, bezinnen en over zichzelf wenen. Dat is onze eerste heilzame daad; zonder die daad is er voor ons geen hoop op vrede, geen liefde, geen enkel waarachtig goed. Het ware drama van de moderne wereld bestaat vóór alles – ja, uitsluitend – hierin dat hij weigert eerbiedig op te zien naar Hem die hij heeft doorstoken.
Hier ligt de openbaring van de harten, de grondslag van onze rechtvaardiging en ons heil. Wie eenmaal het Kruis werkelijk heeft aanschouwd, kan zich niet langer verheffen boven anderen, noch hen bewonderen, hoogachten of beminnen om hun mooie woorden of aantrekkelijk voorkomen. De waarheid gaat doorheen de heldere erkenning van onze gemeenschappelijke ellende. Wij zijn allemaal zondaars. En zoals de Romeinse honderdman doen wij er goed aan ons op de borst te slaan en te bidden: “Parce, Domine, parce populo tuo… Spaar, Heer, spaar uw volk!
Laat uw toorn niet voor altijd tegen ons ontvlammen!”
De tijden die wij beleven zijn gevaarlijk voor de vrienden van het Kruis. Wat wordt er al niet verzonnen om hen te ontmoedigen deze smalle en strenge weg te volgen, waarop zich toch al zo weinigen begeven! Ook wij, die deze moderne theorieën bestrijden, moeten oppassen dat wij niet ongemerkt hun praktijk overnemen, een praktijk die gemakkelijk is, toegeeflijk voor onze zwakheid en verleidelijk voor ons hart.
Christen zijn betekent het mysterie van de Verlossing opnieuw beleven, het eerste artikel van ons geloof. Het is geen vage ideologie aannemen, geen schijn van religiositeit ophouden, geen humanitair sentiment uitstralen.
Zich bedwelmen met theorieën en idealen is niet christelijk. Christen zijn betekent integendeel de wil van God volbrengen door zijn kruis te dragen. De mensen liefhebben om henzelf, in een opwelling van edelmoedige gevoelens, is niet voldoende. De ander dienen ten koste van zichzelf, hem een liefde toedragen die zichzelf vergeet, dát is worden wat alleen het Kruis van Jezus ons kan leren en schenken.
“Christen” is geen bijvoeglijk naamwoord dat men op de broze klei van onze zwakke natuur kleeft. Het is een zelfstandig naamwoord, het fundament waarop heel het gebouw rust – en dat fundament is Christus, de gekruisigde Christus.
De les van deze Goede Week, dringender en krachtiger dit jaar dan ooit tevoren, is dat het Kruis van Jezus onze enige hoop is. Zal er ooit op aarde een vredige en gelukkige mensheid zijn? Dan alleen door de overwinning van het Kruis in alle harten! Maar het is dwaas, ja godslasterlijk, te menen en te verkondigen dat die menselijke stad kan ontstaan en standhouden terwijl zij de gekruisigde Jezus vergeet of veracht. Tot de geringste onder ons evenzeer als tot de grote volkeren spreekt de Kerk dezelfde taal: de taal van het Kruis.
O heilig Kruis, onze enige hoop! Zie hoe wij elke keer opnieuw afdwalen van uw leiding. Prent in ons het gedenken van het lijden van het goddelijke Woord. Mocht uw aanblik onze hartstochten temperen, onze hoogmoed vernederen en al onze werken zuiveren. Houd niet op, o zwaar Kruis, onze overhaaste stappen te vertragen, ons te kwetsen in ons al te gevoelige vlees, de vlucht van onze dromerijen en menselijke redeneringen te breken.
Neig ons ertoe alle gevoelens van godsvrucht en barmhartigheid, van geduld en liefde, van onderwerping en toewijding te omarmen die het Hart van Jezus vervulden toen Hij naar de dood werd gevoerd. Leer ons vreugde, liefde en vrede te zoeken en te vinden op de bodem van uw beker van bitterheid. Mochten wij ten slotte kunnen zeggen, met de H. Teresia van het Kindje Jezus: “O Jezus, is er een grotere vreugde dan te lijden uit liefde tot U?”
Want als wij zover zouden komen, dan zouden wij niet ver meer verwijderd zijn van het volmaakte liefhebben van God en van de naaste, in een nederige en zuivere toewijding.
Abbé Georges de Nantes
Uittreksels uit de Brief aan mijn vrienden nr. 201 van april 1965