5 APRIL 2026

Het historische feit van de Verrijzenis

Aangezien velen hebben geprobeerd ons geloof in de Verrijzenis van Jezus Christus, onze Heer en Verlosser, te ondermijnen door de historische gebeurtenissen in twijfel te trekken die al twintig eeuwen lang door ooggetuigen en dienaren van het Evangelie zijn overgeleverd, heb ook ik – na alles vanaf het begin zorgvuldig te hebben onderzocht – besloten er een samenhangend verslag van te geven. Zo zullen jullie zich niet laten misleiden door de duivelse leugens van afvalligen.

In de nacht van 8 op 9 april van het jaar 30 na zijn geboorte verrijst Jezus Christus uit de dood en verlaat Hij zijn graf. De aarde beeft. Een engel, stralend van licht, daalt uit de Hemel neer, rolt de steen weg die het graf verzegelde en gaat er op zitten. De wachters worden zo door schrik overmand dat zij «als doden werden» (Mt 28, 4).

«Maria van Magdala komt ’s morgens vroeg, terwijl het nog donker is, bij het graf. Zij ziet dat de steen van het graf is weggenomen. Zij loopt dan snel naar Simon Petrus en naar de andere leerling, die Jezus liefhad, en zegt tot hen: “Men heeft de Heer uit het graf weggenomen en wij weten niet waar men Hem heeft neergelegd…”» (Jo 20, 1-2).

Maar wij weten het wel: Hij is in de armen van zijn Moeder. Want Zij is niet mee geweest met de heilige vrouwen die naar het graf gingen «met de geurige specerijen die zij hadden klaargemaakt» (Lc 24, 2). De afwezigheid van Maria is veelzeggend. Zij getuigt van de Verrijzenis van haar Zoon. Wanneer de vrouwen het lege graf vinden, verkondigen de engelen hun: «Wat zoekt ge de Levende bij de doden? Hij is niet hier, Hij is verrezen. Herinner u hoe Hij nog in Galilea tot u gezegd heeft: “De Mensenzoon moet overgeleverd worden in zondige mensenhanden en aan het kruis geslagen, maar op de derde dag verrijzen.” En zij herinnerden zich deze woorden.»

De H. Maagd Maria was dus de enige die deze woorden werkelijk had onthouden. Zij alleen had het geloof bewaard en daarom had Zij de andere vrouwen naar het graf laten gaan.

Wanneer Maria Magdalena Petrus en Johannes waarschuwt, snellen zij naar het graf. Bij het zien van de H. Lijkwade «gelooft» Johannes.

Volgens de constante overlevering is Jezus eerst verschenen aan zijn Moeder. Ook de liturgie van de Kerk bevestigt dit door het feest van de verschijning van Onze-Lieve-Heer aan zijn Allerheiligste Moeder. De H. Johannes Eudes schreef er een prachtig officie voor: «Opgestaan uit de doden ging Christus in allerijl naar Jeruzalem om zijn Allerheiligste Moeder te troosten. Alleluia!»

Intussen zijn Petrus en Johannes weer vertrokken, maar Maria Magdalena is gebleven, haar hart overvloeiend van liefde. Zij verwacht de Verrijzenis niet, maar zij bemint. Zij kan niets anders dan liefhebben en herinnert zich niets anders. Zij zoekt het lichaam van haar Geliefde. Zij weet niet hoe, maar zij blijft bij Hem en zal daarvoor beloond worden.

«Maria stond buiten bij het graf te schreien. En al schreiend boog zij zich naar het graf toe en zag op de plaats waar Jezus’ lichaam gelegen had, twee in het wit geklede engelen zitten, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde. Zij spraken haar aan: “Vrouw, waarom schreit ge?” Zij antwoordde: “Zij hebben mijn Heer weggenomen en ik weet niet waar zij Hem hebben neergelegd.” Toen zij dit gezegd had, keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zonder te weten dat het Jezus was.

Wanneer zij de engelen ziet stralen in het halfduister van het graf en zich omdraait ziet zij Jezus staan. Maar door het tegenlicht van de opkomende dag en door haar tranen herkent zij Hem niet en denkt ze dat het de tuinman is.

«Jezus zei tot haar: “Vrouw, waarom schreit ge? Wie zoekt ge?” In de mening dat het de tuinman was, vroeg zij: “Heer, mocht gij Hem hebben weggebracht, zeg mij dan waar ge Hem hebt neergelegd zodat ik Hem kan weghalen.”

Hem? Wie? Jezus! Zij noemt Hem niet eens bij naam. En omdat de liefde de inspanning niet berekent, biedt zij aan Hem weg te dragen. Om wat te doen? Om Hem eer te bewijzen, om Hem te behoeden voor ontwijding.

«Daarop zei Jezus tot haar: “Maria!” Zij keerde zich om en zei in het Hebreeuws: “Rabboeni!”, dat betekent “Meester!”» Zij werpt zich aan zijn voeten en omhelst Hem, niet om te controleren of Hij werkelijk verrezen is, zoals Thomas zal doen, maar om de heilige stigmata die zij nu verheerlijkt ziet met kussen te bedekken – nadat zij de pijnlijke wonden had aanschouwd onder het Kruis. Zij wil Jezus helemaal voor zich alleen houden, maar Hij wijst haar zachtjes terug:

«Toen sprak Jezus: “Houd mij niet vast, want Ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader, maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God.”» Om een einde te maken aan de liefdesblijken van Maria Magdalena en zich los te maken uit haar armen die Hem teder omstrengelen, geeft Hij haar een zending. Zij laat Hem los en snelt weg: «Maria Magdalena ging aan de leerlingen berichten dat zij de Heer gezien had, en wat Hij haar gezegd had.» Zij is buiten adem; dat hoor je in de letterlijke vertaling van de zin.

De verrezen Jezus is dus verschenen aan Maria Magdalena, nadat Hij zijn Moeder had bezocht – het staat er niet, maar het spreekt vanzelf – om hun liefde te belonen en hun hart met nieuwe vlammen te ontsteken. Daarna heeft Hij zich aan zijn apostelen getoond om hun bediening te grondvesten op een ooggetuigenis waaraan ook wij geloof mogen hechten, opdat wij zouden behoren tot de zaligen die niet gezien en toch geloofd hebben.

Dit apostolische getuigenis betreft feiten die “tekenen” zijn, lichtend en door Gods eigen hand geschikt: hun eenvoudige vertelling is zó vol inzicht, wijsheid en barmhartigheid dat het hart van wie luistert er het Hart van God in ontmoet en er het Leven vindt, badend in zijn Waarheid, bezegeld door zijn Bloed.

Broeder Bruno van Jezus-Maria
Uittreksels uit de preek van 6 mei 2023