Christus, de albeheerser
OP deze vijfde zondag van de Vasten geeft de Kerk ons het Evangelie van de opwekking van Lazarus ter overweging. Dit wonder is een voorafbeelding van de Verrijzenis van de Heer op Paasdag. De opwekking zal Jeruzalem in opschudding brengen: sommigen bereiden de bescheiden triomf van Christus op Palmzondag voor, terwijl anderen – Farizeeën, Sadduceeën, Schriftgeleerden en hogepriesters – zijn dood beramen.
We schrijven februari van het jaar 30. Martha en Maria uit Bethanië sturen Jezus de boodschap: “Heer, hij die Gij liefhebt, is ziek.” Het gaat om hun broer Lazarus. Jezus laat antwoorden: “Deze ziekte voert niet tot de dood, maar is om Gods glorie, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt wordt.” Martha en Maria mochten dus een wonderbare genezing verwachten. Toch vertrekt de Heer niet onmiddellijk naar zijn vriend, hoewel Sint-Jan uitdrukkelijk vermeldt: «Jezus hield veel van Martha, haar zuster en Lazarus.»
Twee dagen later zegt Hij eindelijk tot zijn leerlingen: «“Laat ons weer naar Judea gaan.” De leerlingen zeiden: “Rabbi, nog pas probeerden de Joden U te stenigen en gaat Gij er nu weer heen?”» Kleingelovigen! Jezus antwoordt hun met een beeld: zij moeten Hem volgen, Hij die het Licht van de wereld is, vóór de nacht valt… «En Hij voegde er aan toe: “Onze vriend Lazarus is ingeslapen, maar Ik ga er heen om hem te wekken.” Zijn leerlingen merkten op: “Heer, als hij slaapt, zal hij beter worden.”»
Als hij kan slapen, denken zij, dan gaat het niet zo slecht met hem; waarom zouden wij ons leven dan gaan riskeren in Judea? Maar het slapen waarover Jezus spreekt, betekent iets anders: «Daarom zei Jezus hun toen ronduit: “Lazarus is gestorven, omwille van u verheug ik Mij dat Ik er niet was, opdat gij moogt geloven. Maar laat ons naar hem toegaan.” Toen zei Thomas, bijgenaamd Didymus, tot zijn medeleerlingen: “Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.”»
Jezus heeft alles in handen. Het ongeloof en zelfs de wanhoop van zijn vrienden doen zijn soevereine macht over leven en dood des te sterker uitkomen.
«Bij zijn aankomst bevond Jezus dat hij al vier dagen in het graf lag. Bethanië nu was dichtbij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën. Vele Joden waren dan ook naar Martha en Maria gekomen om hen te troosten over het verlies van hun broer. Zodra Martha hoorde dat Jezus op komst was, ging zij Hem tegemoet; Maria echter bleef thuis.» Verpletterd door wanhoop? Of door onbegrip? Jezus had laten zeggen dat de ziekte van haar broer niet tot de dood zou leiden… Waarom heeft Hij hem dan niet gered?
«Martha zei tot Jezus: “Heer, als Gij hier waart geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik dat wat Gij ook aan God vraagt, God het U zal geven.” Jezus zei tot haar: “Uw broer zal verrijzen.” Martha antwoordde: “Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag.” Jezus zei haar: “Ik ben de Verrijzenis en het Leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?” Zij zei tot Hem: “Ja, Heer ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon Gods, die in de wereld komt.”»
«Na deze woorden ging zij haar zuster Maria roepen en zei zachtjes: “De Meester is er en vraagt naar u.” Zodra zij dit hoorde, stond zij vlug op en ging naar Hem toe. Toen Maria op de plaats kwam waar Jezus zich bevond, viel zij Hem te voet zodra zij Hem zag en zei: “Heer, als Gij hier was geweest zou mijn broer niet gestorven zijn.”»
Zij spreekt zoals haar zuster. Maar het zijn de tranen van Maria Magdalena die het Hart van Jezus raken. «Toen Jezus haar zag wenen, en eveneens de Joden die met haar waren meegekomen, doorliep Hem een huivering en diep ontroerd sprak Hij: “Waar hebt gij hem neergelegd?” Zij zeiden Hem: “Kom en zie, Heer.” Jezus begon te wenen, zodat de Joden zeiden: “Zie eens hoe Hij van hem hield.” Maar sommigen onder hen zeiden: “Kon Hij, die de ogen van een blinde opende, ook niet maken dat deze niet stierf?”
«Bij het graf gekomen overviel Jezus opnieuw een huivering. Het was een rotsgraf en er lag een steen voor. Jezus zei: “Neemt de steen weg.” Martha, de zuster van de gestorvene, zei Hem: “Hij riekt al, want het is al de vierde dag.” Jezus gaf haar ten antwoord: “Zei Ik u niet, dat gij Gods heerlijkheid zult zien als gij gelooft?” Toen namen zij de steen weg. Jezus sloeg de ogen ten Hemel en sprak: “Vader, Ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt. Ik wist wel dat Gij Mij altijd verhoort, maar omwille van het volk rondom Mij heb Ik dit gezegd, opdat zij mogen geloven dat Gij Mij gezonden hebt.” Na deze woorden riep Hij met luider stem: “Lazarus, kom naar buiten!” De gestorvene kwam naar buiten, voeten en handen met zwachtels omwonden en met een zweetdoek om zijn gezicht. Jezus beval hun: “Maakt hem los en laat hem gaan.”»
Een ontzagwekkend wonder, voltrokken voor vele getuigen, op minder dan drie kilometer van Jeruzalem! Door zijn vriend aan het aardse leven terug te geven, openbaart Jezus het geschenk van zijn goddelijke Leven, dat Hij wil uitstorten in alle mensen die door de zonde sterven. Voor Hem is de lichamelijke dood slechts een rust, waaruit Hij alle mensen zal wekken op de dag van het Laatste Oordeel, om hen binnen te voeren in het eeuwige Leven – of in de afgrond van de eeuwige dood.
Broeder Joseph-Sarto van Christus-Koning
Fragmenten uit Het Evangelie van Jezus-Maria, IER nr. 254