22 FEBRUARI 2026
De bekoring in de woestijn
Na zijn doopsel in de Jordaan stelt Onze-Lieve-Heer opnieuw een daad van groot gewicht: Hij trekt zich terug in de woestijn. Daar neemt Hij bewust de zwaarste beproevingen van het menselijke bestaan op zich: de bekoringen door de duivel.
Wat is de diepere betekenis van deze bekoring? Zij vormt, naar mijn mening, een herneming van het leven van Mozes, die voorafbeeldt wat het Nieuwe Verbond zal zijn: een nieuwe uittocht. Op de doortocht door de Rietzee volgt immers de tocht door de woestijn: Mozes die door de woestijn trekt, Mozes die vast op de heilige berg.
Christus is de nieuwe Mozes. Hij moet zijn volk leiden door de wateren van het doopsel en door de woestijn van het leven, op weg naar de Hemel. Daarom gaat Hij zelf als eerste deze weg. De Leider gaat voorop en ondergaat als eerste de beproeving van de woestijn.
Maar waar Mozes had gefaald – want Mozes heeft in de woestijn gezondigd, net als heel zijn volk – daar zal Jezus niet bezwijken. Hij wordt niet overwonnen door de verleider, die de Messias precies dezelfde bekoringen voorhoudt waaraan het volk en zijn leider in de woestijn waren bezweken.
Het bewijs daarvan is bijzonder treffend in de tekst van de H. Mattheüs. Op de drie bekoringen van de duivel antwoordt Jezus elke keer met een citaat uit Deuteronomium, het boek van het Oude Testament dat als het ware de tegenhanger vormt van het Evangelie volgens Mattheüs. Het is alsof het Woord van God (en Jezus zal zelf zeggen dat de mens leeft van het Woord van God) het enige passende antwoord is: hetzelfde Woord dat God tot zijn volk had gesproken tijdens de tocht door de woestijn.
In tegenstelling tot Adam en Eva, in tegenstelling tot Mozes en het uitverkoren volk, weerstaat Jezus dus de verleider. Ik ga voorbij aan hoe verschrikkelijk het voor Hem moet zijn geweest om zo van nabij door de duivel te worden bekoord, om als het ware zijn adem te voelen. Vast staat echter dat Onze-Lieve-Heer op volmaakte wijze streed, zonder de minste aarzeling uiteraard, maar wel op een harde, bittere en verdienstelijke manier, tegen de zwakheid van zijn menselijke natuur. Niet tegen zondige neigingen, want die had Hij niet, maar door als het ware bergopwaarts te strijden.
Onze-Lieve-Heer heeft de drievoudige bekoring van de duivel afgewezen die kan samengevat worden als een aards messianisme. Net dát was het wat de Joden verwachtten en zich voorstelden bij Hem die zou komen. Deze scène is als het ware een innerlijke meditatie van Christus over de heersende opvattingen van zijn tijd over de Messias. Dat de duivel Hem juist deze ideeën voorhoudt, toont hoezeer het volk zelf op een verkeerde weg was geraakt, meegesleept door zijn droom van een aards messianisme.
Eerste bekoring: zou de Messias een rijkaard zijn die welvaart brengt? Dat is de bekoring van de stenen die in brood moeten worden veranderd. Jezus weigert. Als Hij rijk is, dan is dat door het Woord van God. Hij zal zijn volk niet voeden met het brood van de aarde, maar met Gods Woord: met bovennatuurlijke werken die het volk zullen heiligen.
De tweede bekoring is geraffineerder: zal de Messias een wonderdoener zijn, een soort goochelaar, iemand die spectaculaire tekenen verricht? Ook dit weigert Jezus, zoals Hij later tegenover de Farizeeën zal weigeren tekenen uit de Hemel te geven. Hij is niet gekomen om zijn eigen ijdelheid te bevredigen, noch om de nieuwsgierigheid of de hoogmoed van zijn volgelingen te voeden. Hij is een Messias van eenvoud die geloof vraagt.
De derde bekoring is de meest buitengewone: zal de Messias een heerser zijn, een veroveraar van de wereld? Dat is wat de duivel Hem aanbiedt. Dat was ook wat de Joden hoopten… en nog steeds hopen: roem, een roem die de mens aan God gelijk maakt. Het is dezelfde bekoring die de duivel aan Adam en Eva voorhield: “Gij zult zijn als goden.” Er is slechts één voorwaarde, door de duivel voorgesteld als onbeduidend: “Als Gij u voor mij neerwerpt en mij aanbidt.” Daarmee wordt duidelijk dat wie zich aan God gelijk wil maken, in werkelijkheid in een val trapt en zich uitlevert aan Satan. Ook deze bekoring wijst Onze-Lieve-Heer resoluut af.
Daarop trekt de verslagen duivel zich terug, zo zegt Sint-Lucas, “tot de gunstige tijd.” Die “gunstige tijd” zal het uur van het Lijden zijn. Hij trekt zich terug met het voornemen terug te keren om Christus een beslissende slag toe te brengen. Het moment van het Lijden, zo merkt dezelfde evangelist op, zal “het uur van de macht der duisternis” zijn.
“En de engelen dienden Hem.” We hebben gezegd dat de engelen verder in het Evangelie niet meer verschijnen, behalve in de intimiteit van Jezus. Hier echter, bij het begin van zijn openbaar leven, komen zij Hem bijstaan na deze lange vastentijd, om Hem een door de Voorzienigheid geschonken voedsel te brengen. Zo zullen zij ook aan het einde van zijn leven verschijnen, op het tragische ogenblik van de doodsstrijd, om Hem opnieuw te versterken. Geheimzinnig!
Maar de Heer, die veertig dagen te midden van de wilde dieren had geleefd, beëindigt zijn beproeving als overwinnaar. Zijn beloning is te verkeren in het gezelschap van de engelen. Dat alles toont een diepe geestelijke opgang van Jezus, in zijn menselijke ziel én in zijn lichaam.
Laat ons tot slot vaststellen dat dit verhaal het begin markeert van het openbare leven van de Heer. En wanneer de Kerk ons dit Evangelie laat overwegen aan het begin van de Vasten, dan is dat omdat ook wij, op onze bescheiden schaal, geroepen zijn het woestijnleven binnen te gaan. Wij moeten het initiatief nemen: niet wachten tot de slagen van de duivel ons treffen en neerhalen, maar ons in een houding van innerlijke kracht plaatsen om weerstand te bieden aan zijn vurige pijlen, zoals Sint- Paulus zegt, en als overwinnaars uit zijn bekoringen tevoorschijn te komen.
Deze uitdaging van de duivel aan de Zoon van God die mens is geworden, deze verzoeking in de woestijn, blijft een les voor heel de mensheid. Onze-Lieve-Heer heeft, met goddelijke wijsheid, voorbeeldige situaties gekozen die door de eeuwen heen en ongeacht onze levensstaat voor ons tot maatstaf blijven. Maar dan moeten wij die situaties ook leren herkennen, in veel eenvoudiger vormen, als een uitnodiging om Christus na te volgen. En daarvoor is nodig dat in het diepst van onze ziel het verlangen leeft om gelijkvormig aan Hem te worden, zoals alle heiligen ons daarvan het voorbeeld hebben gegeven.
Abbé Georges de Nantes
Uittreksels uit de conferenties over de Evangelies en uit de preek van 24 februari 1985