18 JANUARI 2026
Sint-Jan-De-Doper, de Voorloper
DE teksten van Qumrân werpen een doorslaggevend licht op het leven van Sint-Jan-de-Doper. «Naar alle waarschijnlijkheid», zo stelt broeder Bruno, «is Sint-Jan-de-Doper opgevoed door de Essenen van Qumrân, in afwachting van een meer volmaakte zuivering dan die in de rituele baden van het woestijnklooster, die er slechts de voorafbeelding van waren. Op een dag heeft hij Qumrân verlaten om niet ver daarvandaan, in het levende water van de Jordaan, met gezag één enkel doopsel toe te dienen, als voorafgaand teken van het doopsel in de Geest dat de Messias weldra zou geven.»
Wanneer men het Evangelie opent, bevinden we ons in de herfst van het jaar 28. Johannes, de zoon van Zacharias, dient het doopsel toe «te Bethanië, aan de overkant van de Jordaan» (Jo 1, 28), op de oostelijke oever van de rivier, vlak voordat hij uitmondt in de Dode Zee, enkele kilometers ten noorden van Qumrân dat op de westelijke oever is gelegen.
Deze streek wordt door Mattheüs de «woestijn van Judea» genoemd, maar Lucas gebruikt een andere formulering: «Het woord van God kwam over Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn» (Lc 3, 2), alsof “de woestijn” niet zomaar een willekeurige woestijnstreek aanduidt, maar een welbepaalde plaats. Welnu, “de woestijn” is precies de benaming waarmee de kluizenaars van Qumrân, de Essenen, de streek aanduidden waarin zij zich hadden teruggetrokken onder leiding van de “Leraar der gerechtigheid”, hun stichter.
Na de dood van Herodes de Grote, dat wil zeggen in het jaar 1 van onze jaartelling, keerden de Essenen terug naar Qumrân. Daar werd de kleine Johannes, zoon van de priester Zacharias en van Elisabeth, opgenomen tijdens de tweede kolonisatie van de oevers van de Dode Zee: «Hij verbleef in de woestijn tot de dag waarop hij zich aan Israël openbaarde» (Lc 1, 80).
Daar voedde Johannes zich «met sprinkhanen en wilde honing» (Mc 1, 6). Johannes onthield zich van wijn en van elke gegiste drank; de Essenen dronken alleen niet-bedwelmende, milde druivendrank. Johannes verschijnt als een asceet, in tegenstelling tot Christus, zoals Jezus zelf zal benadrukken, maar overeenkomstig de “monniken” van Qumrân. Johannes was niet getrouwd; het celibaat was een kenmerk van de Essenen.
Tot alle zielen van goede wil, tollenaars en zondaars inbegrepen, sprak Johannes de Doper: «Hoort, iemand roept: “Bereidt Jahweh een weg in de woestijn, in het dorre land een rechte baan voor onze God”» (Is 40, 3). Deze profetie van Isaïas gebruikt de Voorloper om zijn eigen zending te omschrijven. Welnu, de Gemeenschapsregel van de Essenen verwijst tweemaal naar deze zelfde profetie om de vlucht naar de woestijn te rechtvaardigen van hen die zich hadden afgescheiden van het priesterschap van Jeruzalem.
Deze samenloop is niet toevallig. Zij betekent dat voor de “monniken” van Qumrân zowel als voor Sint-Jan de Doper het einde nabij is: de tijd van het heil breekt reeds aan.
De zending van de Doper bestaat erin de harten voor te bereiden op dit bezoek van God, door ze de bekering te prediken (Mt 3, 8) waarvan het teken de ontvangst is van een doopsel van berouw in het levende water van de Jordaan. Afgeleid van het doopsel door onderdompeling dat in Qumrân werd toegepast, bereidt het doopsel van Johannes een definitief doopsel in de H. Geest voor, dat zal worden toegediend door Hem van wie Johannes zegt dat hij niet waardig is de riem van zijn sandaal los te maken en die na hem zal komen.
Volgens Johannes de Doper, evenals volgens de Schriftgeleerden van Qumrân, is bekering dringend nodig, want het oordeel is nabij dat de tarwe zal scheiden van het kaf; dat laatste is bestemd voor het «onblusbare vuur» (Mt 3, 12).
In tegenstelling tot het doopsel van Qumrân wordt dat van Johannes niet herhaald en krijgt het daardoor het karakter van een inwijding. Het voert hen die een actieve verwachting van de Messias belijden binnen in de gemeenschap van de “broeders”, die bereid zal zijn het doopsel van de H. Geest te ontvangen op de dag van Pinksteren, om zijn Kerk te bouwen met “levende stenen”.
Nadat zij aanvankelijk geweigerd hadden in Hem te geloven, gingen de “broeders van Jezus” inderdaad vanaf de dag van Pinksteren in opeenvolgende golven tot Christus over, tot zij verdwenen, opgenomen in de christelijke gemeenschap. Maar de Farizeeën, hun tegenstanders van altijd al, herrezen na de Joodse Oorlog uit de as van Jeruzalem in Jabne, om daar een antichristelijke rabbijnse traditie te vestigen en het “doopsel van de proselieten” in te stellen, ter nabootsing van dat van de christenen, onder de naam tevilah.
Terwijl hij benadrukt hoezeer door deze gemeenschappelijke verwachting «de gelijkenis tussen het milieu van de Doper en dat van Qumran verbazingwekkend is», haast pater Daniélou zich om de eigenheid van de roeping van Johannes de Doper te onderstrepen:
«Moet men dan zeggen dat Johannes slechts een grote Esseense profeet is? Het is mogelijk dat hij een lid van de Essenen is geweest. Het is waarschijnlijker dat hij zich enkel in de sfeer van het essenisme bevond. Maar wat zeker is, is dat hij een persoonlijke roeping heeft gehad. “Onder het hogepriesterschap van Annas en Kajafas kwam het woord van God over Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn” (Lc 3, 2). Hij heeft dus een eigen boodschap gehad; bovendien verschijnen de “leerlingen van Johannes” herhaaldelijk als een groep die duidelijk onderscheiden is van de Essenen (Jo 3, 25).»
Wat is dan deze “eigen boodschap”?
Zij bestaat er niet alleen in de nabijheid van het bezoek van God, de komst van de Messias en de uitstorting van de Geest aan te kondigen, zoals men dat in Qumrân reeds deed. Zij bestaat erin te getuigen dat dit “bezoek” heeft plaatsgevonden, dat de Messias er is, dat de Geest is uitgestort. Zij bestaat erin Jezus aan te wijzen als de vervulling van het verwachte gebeuren. Met dit doel heeft Johannes de Doper op een dag Qumrân verlaten en is hij niet ver daarvandaan, in het levende water van de Jordaan, met gezag één enkel doopsel gaan toedienen, als voorafgaand teken van het doopsel in de Geest dat de Messias weldra zou geven.
De unieke, onvergelijkbare rol van Johannes de Doper, op het kruispunt van het Oude en het Nieuwe Testament, in het hart van de heilsgeschiedenis, is door Jezus zelf verkondigd: «Voorwaar, Ik zeg u: onder wie uit vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan die groter is dan Johannes de Doper. Niettemin is de kleinste in het Rijk der hemelen groter dan hij» (Mt 11, 11).
Broeder Bruno van Jezus-Maria
Uittreksels uit Hij is verrezen! nr. 7, februari 2003