9 AUGUSTUS 2026
Wanneer alles verloren lijkt, is er de Eucharistie
Er staat niets in het Evangelie dat niet profetisch als voorafbeelding de grote mysteries aankondigt die de Kerk zal moeten beleven, begrijpen en verkondigen om het geloof, de hoop en de liefde te bewaren.
Na het wonder van de broodvermenigvuldiging, waarover wij vorige zondag hebben nagedacht, stuurt Jezus de menigte weg en trekt Hij de berg op om te bidden. Ondertussen zijn de apostelen, wanneer de nacht is gevallen, midden op het meer. De wind steekt hevig op en zij hebben al hard geroeid. Jezus is alleen, op die verlaten plaats aan de overkant van het meer. Hij ziet hoe zij zich afmatten met roeien, want de wind zit hun tegen. Zo gaat het op het meer van Tiberias: de wind kan plotseling omslaan en meteen verandert het meer in een woeste zee.
Tijdens de derde nachtwake komt Jezus naar hen toe, wandelend over het water. «Toen zij Hem over het water zagen lopen, dachten zij dat het een spook was en begonnen zij te schreeuwen.» De apostelen toch…! Maar wat zouden wij in hun plaats hebben gedaan?
«Allen hadden Hem gezien en waren hevig geschrokken. Maar meteen sprak Hij hen toe: “Heb moed, Ik ben het, wees niet bang!” Petrus stapte daarop uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. Maar toen hij zag hoe hevig de wind was, werd hij bang. Hij begon te zinken en riep: “Heer, red mij!” Meteen stak Jezus zijn hand uit, greep hem vast en zei: “Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?” Toen zij in de boot waren gestapt, ging de wind liggen.»
De apostelen waren verbijsterd. Als zij de les van de broodvermenigvuldiging hadden begrepen, waarbij Jezus uit niets brood had gegeven, dan zouden zij hebben ingezien dat Hij de Zoon van God is. Maar wij mogen hun daarvan geen verwijt maken. Nogmaals: wat zouden wij in hun plaats hebben gedaan?
Waarom leg ik daar zo de nadruk op? Omdat dit het verhaal is van de Kerk in de moeilijkste tijden. Jezus heeft hun een wonderbaarlijk brood gegeven en wandelt over het water; hoe kunnen zij dan bang zijn en Hem niet herkennen? Zij hadden moeten begrijpen dat Hij altijd bij hen zou blijven! De eerste christenen, die dit Evangelie tijdens de Mis hoorden, dachten eraan dat Jezus opnieuw in hun midden kwam om zich als voedsel en drank te geven, zoals Hij dat bij de apostelen had gedaan.
Ook in ons dagelijkse leven, wanneer wij midden in een storm verkeren en het erop lijkt dat wij zullen vergaan, wanneer wij overspoeld worden door de duisternis van ons bestaan en door allerlei angsten, hoeven wij alles slechts aan Jezus toe te vertrouwen. Wanneer er een verschijning uit de Hemel komt, geloven sommigen er niet in, terwijl anderen de vreselijkste verhalen vertellen. Maar Jezus en Maria wachten erop dat wij met een grenzeloos vertrouwen naar Hen toe komen.
Nog een les: de storm moet soms in alle hevigheid losbarsten. De wind moet razen en de golven moeten over de rand van de boot slaan, zodat wij de dood voor ogen hebben. Als er staat dat Jezus zag hoe de apostelen zich afmatten met roeien, betekent dit dat zij uitgeput waren en dat de situatie hopeloos leek. Wanneer je al urenlang tegen de storm vecht, een gescheurd zeil probeert binnen te halen en voortdurend water uit de boot moet scheppen om niet te zinken, dan is de toestand dramatisch. Juist dan moet de nood zo groot worden, opdat de redding door Jezus zich zou tonen zoals zij werkelijk is: een wonder. En wanneer Hij dan verschijnt na zulk een groot gevaar, is dat een ware zaligheid.
De apostelen waren nochtans ervaren vissers. Als zelfs zij op het meer alle hoop verloren, dan was de toestand werkelijk wanhopig. En wanneer Jezus komt, herkennen zij Hem niet eens. Toch redt Hij hen. Dan zeggen zij bij zichzelf: Waarom hebben wij ons toch zo ongerust gemaakt? Hij heeft vandaag nog de broden vermenigvuldigd!
Ook wij moeten zo denken: wij ontvangen de heilige Eucharistie, wij dragen de kracht van Christus in ons en als wij vervolgd worden, zal de wereld toch niet overwinnen. Laten wij volhouden tot het einde. Wij zullen uit deze vervloekte wereld worden weggenomen voordat zij ten onder gaat. En onze vervolgers zullen verloren gaan, tenzij zij zich bekeren.
Plotseling zien wij dan deze geschiedenis in haar ware licht. Wij leven in een wereld die geleid wordt door dwazen, om niet te zeggen door misdadigers. Dat kan niet goed aflopen. Niet dat ik verheugd ben over de ellende en de rampen die de mensheid treffen. Maar wanneer wij op het diepste punt zijn gekomen, zullen wij de hoop bewaren, omdat wij iedere morgen de heilige Communie ontvangen en Christus met zijn Kerk is. Laten wij daarom vasthouden aan het geloof, de hoop en de liefde zodat onze volkeren, terugkerend naar wat goed was, opnieuw de weg vinden naar een gelukkige toekomst, zowel op aarde als in de Hemel.
Frère Bruno de Jésus-Marie
Fragmenten uit de preek van 24 februari 1996