De Maagd en de Draak

EEN TEKEN AAN DE HEMEL

VOLGENS de Apocalyps van Sint-Jan vond de grote strijd tussen de legers van Satan en die van de Onbevlekte en haar engelen eerst plaats in de Hemel : « Een indrukwekkend teken verscheen aan de hemel : een Vrouw, bekleed met de zon, de maan aan haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren ; zij was zwanger en kreet in haar weeën en barensnood » (Ap 12, 1-2).

Bedevaartbeeld van Pontevedra

« Laten wij eraan denken dat Jezus Christus een zeer goede Zoon is en dat Hij niet toestaat dat wij zijn Allerheiligste Moeder beledigen en verachten... » (zuster Lucia van Fatima).

Dit « teken » volgt op de verschijning van de ark van het Verbond (Ap 11, 19), die er de voorafbeelding van was. Het visioen dat Johannes in de hemel van Patmos ontvangt, « onthult » – dat is de betekenis van het Griekse werkwoord apokaluptein – dat de ark van het Verbond het beeld was van deze « Vrouw ». Op de dag van de Aankondiging had de engel Gabriël Maria al laten verstaan dat haar schoot de eerste « tent » was : « Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons zijn tent opgeslagen (eskènoosen, van skènè, tent). En wij hebben zijn glorie aanschouwd » (Jo 1, 14).

Wanneer de Hemel zich echter opent voor de ogen van Johannes, is het niet Christus die zich aan hem toont, maar zijn Moeder, de Koningin van barmhartigheid. Zij komt tussenbeide op het moment dat een « aardbeving » (Ap 11, 19) het oordeel van God aankondigt. De messiaanse geboorte die hier beschreven wordt, is dus niet die van Jezus in Bethlehem, maar die van de ochtend van Pasen ; en de barensweeën zijn die van Golgotha, aangekondigd door Jezus vóór zijn lijden : « Wanneer een vrouw moet baren, is zij bedroefd omdat haar uur gekomen is » (Jo 16, 21).

De eerste smarten zijn die van het medelijden van haar Onbevlekte Hart, doorboord met een zwaard aan de voet van het Kruis, volgens de profetie van Simeon : « Een zwaard zal ook uw eigen ziel doorboren opdat de gedachten van veler harten worden ontsluierd » (Lc 2, 35). Op het moment dat Jezus lijdt om een mensheid te verwerven die geheiligd is door zijn kostbaar Bloed, baart Zij een heel volk in de persoon van Johannes : « Vrouw, ziedaar uw zoon » (Jo 19, 26), volgens de profetie van Isaïas : « Wie heeft ooit zoiets gehoord, wie heeft ooit zoiets gezien ? Werd ooit een land op één dag gebaard, een volk in één keer voortgebracht ? Nauwelijks was Sion in barensnood of zij baarde haar zonen » (Is 66, 8). Maria verpersoonlijkt Sion.

Zo is Maria niet alleen de Moeder van Jezus. Zij is de Bruid van deze nieuwe Adam, die op zijn Kruis alle mensen redt door zijn kostbaar Bloed te vergieten om hen tot de genade te baren. Zij is zelf Middelares van die genade, want Zij schenkt het leven aan dit « Kind van het mannelijke geslacht » (Ap 12, 5) : Christus in zijn Mystiek Lichaam. Dezelfde H. Geest is in Haar en in Hem werkzaam om samen met Hem een ondeelbare functie van vaderschap-moederschap uit te oefenen, om hun kinderen te verlichten en te redden.

Zo is dit grootse visioen van de apostel Johannes één van de op de Schriften gebaseerde grondslagen van het geloof dat de Kerk al sinds altijd heeft in Maria als Medeverlosseres en Middelares van alle genaden. Dat wil zeggen dat Zij niet enkel de « eerste van de verlosten » is, het « prototype en model van wat God in elke verloste persoon wil volbrengen », in een « duidelijk ontvankelijke houding » ten opzichte van de Verlosser, zoals kardinaal Fernández beweert in zijn minimalistische nota Mater ­Populi fidelis. Bovenstaande passage uit de Apocalyps toont Haar als actief meewerkend aan de Verlossing, weliswaar ondergeschikt, maar onafscheidelijk van haar Zoon, God onze Heer, om de mensheid te verlossen.

Dat is precies wat de H. Louis-Marie Grignion de Montfort bevestigde : « Wat ik in absolute termen zeg van Jezus Christus, zeg ik in relatieve zin van de H. Maagd. Omdat Jezus Christus haar heeft gekozen als de onafscheidelijke metgezellin van zijn leven, zijn dood, zijn glorie en zijn macht in de Hemel en op aarde, heeft Hij haar uit genade, in verhouding tot zijn majesteit, al dezelfde rechten en voorrechten gegeven die Hij van nature bezit. »

En paus Pius XII schreef in 1950 in zijn dogmatische bul Munificentissimus Deus, waarmee hij onfeilbaar het dogma van de Tenhemelopneming van Onze-Lieve-Vrouw definieerde : « De verheven Moeder van God was van alle eeuwigheid door één en hetzelfde besluit van voorbestemming op geheimvolle wijze met Jezus Christus verenigd, onbevlekt in haar ontvangenis, volmaakt Maagd in haar goddelijk moederschap, edelmoedig verbonden met de goddelijke Verlosser die een volledige overwinning behaalde op de zonde en haar gevolgen. Zij heeft tenslotte verkregen [...] met lichaam en ziel te worden opgenomen in de hoogste heerlijkheid van de Hemel, waar zij als Koningin straalt aan de rechterhand van haar Zoon, de onsterfelijke Koning der eeuwen. »

Zij is dus tegelijk in de Hemel en op aarde wanneer Johannes Haar ziet, glorieus en lijdend. Zoals Jezus zelf die « aanwezig [is] in alle tabernakels van de aarde » en tegelijkertijd ook in de Hemel. Zo nemen zij beiden deel aan de strijd die op aarde wordt gevoerd en die in de volgende verzen wordt beschreven : « Nog een tweede teken verscheen aan de hemel : een grote rossige Draak met zeven koppen en tien horens en op elke kop een diadeem » (Ap 12, 3). Het is de slang uit Genesis, de verleider, die de tekenen van macht draagt die passen bij zijn rang als vorst van de demonen. « Zijn staart veegde een derde van de sterren des hemels weg en wierp ze op de aarde » (Ap 12, 4). Een toespeling op de val van de slechte engelen die in het begin door Satan werden meegesleept. En een waarschuwing : zij zijn aan het werk « op de aarde »!

DE ZONDE TEGEN DE H. GEEST

De door paus Leo XIV goedgekeurde nota van de Dicasterie voor de Geloofsleer, gericht tegen Maria Middelares en Medeverlosseres, laat zien dat de strijd zich nu afspeelt binnen het besloten terrein van de hiërarchische Kerk en dat deze strijd plots offensief, frontaal en ongenadig op aarde wordt gevoerd. Wij worden openlijk mee betrokken in deze oorlog – de laatste – in een gevecht van één op één tegen Satan zelf, die nauwelijks moeite doet om zich achter het document Mater Populi fidelis te verbergen : zo’n tekst kan alleen van hem komen. Het is als een vervulling van de waarschuwing van de eerbiedwaardige zuster Lucia aan pater Fuentes :

« De Allerheiligste Maagd heeft mij niet woordelijk gezegd dat wij in de laatste tijden van de wereld leven, maar ik heb het om drie redenen begrepen.

« De eerste reden is omdat Zij me zei dat de duivel bezig is een beslissende strijd te leveren tegen de Maagd. En een beslissende strijd is een eindstrijd waarin duidelijk zal worden aan welke kant de overwinning ligt en aan welke kant de nederlaag. Daarom geldt vanaf nu : ofwel zijn wij voor God, ofwel voor de duivel ; er is geen middenweg.

« Ten tweede omdat Zij zowel aan mijn neef en nichtje als aan mijzelf heeft gezegd dat God de wereld de twee laatste redmiddelen heeft gegeven : de heilige rozenkrans en de devotie tot het Onbevlekte Hart van Maria. En omdat dit de twee laatste middelen zijn, betekent dit dat er geen andere meer zullen zijn.

« En de derde reden is omdat God, in de plannen van de goddelijke Voorzienigheid, eerst alle andere middelen uitput wanneer Hij de wereld gaat straffen. Wanneer Hij dan ziet dat de wereld op geen enkel van die middelen acht slaat, biedt Hij ons – zoals wij dat in onze onvolmaakte manier van spreken zouden zeggen – met een zekere schroom het laatste middel tot redding aan : zijn Allerheiligste Moeder. Want als wij dit laatste middel verachten en afwijzen, zullen wij geen vergeving meer uit de Hemel ontvangen, omdat wij dan een zonde hebben begaan die het Evangelie de zonde tegen de H. Geest noemt : het openlijke afwijzen, met volle kennis en wil, van de redding die ons wordt aangeboden » (broeder François van Maria ter Engelen, Soeur Lucie, confidente du Coeur Immaculé de Marie, p. 354).

Het afwijzen van het heil dat ons wordt aangeboden door een eeuwenoude traditie van toevlucht tot de universele en noodzakelijke Bemiddeling van het Onbevlekte Hart van Maria, is werkelijk de zonde tegen de H. Geest. Want de oneindige liefde die onophoudelijk stroomt tussen de drie goddelijke Personen, van de Vader naar de Zoon en uit hun gemeenschappelijk beginsel naar de H. Geest, vindt haar “ opvangbekken ” in het Onbevlekte Hart van Maria, ons aller Moeder, voor altijd. Het is in dit Hart, zo teder aan onze dorst aangeboden, dat wij door de broederlijke liefde toegang hebben tot het goddelijke leven. De H. Maagd is de Dochter van God de Vader, de Moeder-Bruid van God de Zoon en de Duif van de H. Geest, de derde Persoon van de Allerheiligste Drie-eenheid.

« ZIJ HEBBEN NIET NAAR MIJN VERZOEK WILLEN LUISTEREN »

Zuster Lucia vervolgde : « Laten wij eraan denken dat Jezus Christus een zeer goede Zoon is en dat Hij niet toestaat dat wij zijn Allerheiligste Moeder beledigen en verachten... » In Pontevedra had Onze-Lieve-Heer zelf haar getoond hoe gevoelig Hij is voor beledigingen tegen het Onbevlekte Hart van Maria :

« Het Kindje Jezus zei tegen mij : “ Heb medelijden met het Hart van je Allerheiligste Moeder, overdekt met doornen die de ondankbare mensen er voortdurend in drukken, zonder dat er iemand is die eerherstel doet om ze eruit te trekken. ” Daarna sprak de Allerheiligste Maagd tot mij : “ Aanschouw, mijn dochter, mijn Hart dat omringd is met doornen die de ondankbare mensen er op ieder moment in steken door hun godslasteringen en ondankbaarheid... ” »

Nooit had de zieneres van Fatima zich dit toppunt van ondankbaarheid kunnen voorstellen : de ontkenning door de H. Stoel van de “ hoofdrol ” van het Onbevlekte Hart van Maria, dat één is met dat van haar Zoon, in onze verlossing.

De verschijning in Pontevedra op 10 december 1925 herinnert ons aan een andere, tragische waarschuwing van Jezus aan zijn vertrouwelinge : « Maak mijn dienaren bekend dat zij, omdat zij het voorbeeld van de koning van Frankrijk volgen door de uitvoering van mijn verzoek uit te stellen, hem ook in het ongeluk zullen volgen. »

Onze Zaligmaker verwijst met deze woorden naar de Franse Zonnekoning. Op 17 juni 1689 openbaarde het H. Hart aan de H. Margaretha-Maria Alacoque zijn verlangens en beloften met betrekking tot Lodewijk XIV. Maar de trotse koning sloeg er geen acht op. Dag op dag honderd jaar later, op 17 juni 1789, kwam de straf : de derde stand (burgers, boeren en ambachtslui) riep zichzelf uit tot “ nationale vergadering ”, waarbij zij de volkssoevereiniteit opeiste tegenover de absolute soevereiniteit van de monarchie van goddelijk recht. De Franse Revolutie was begonnen. Zo had de Hemel de mensen een eeuw van geduld en barmhartigheid gegeven, vóór de uitvoering van de grote straf voor hun weigering. De Franse troon zou ten onder gaan in een orgie van bloedvergieten...

In dat licht, nu wij vaststellen hoe fel de tegenstand van onze katholieke hiërarchie is tegen Gods wil om in de wereld de devotie tot het Onbevlekte Hart van Maria te vestigen, moeten wij meer dan ooit het ergste vrezen voor het pausdom, voor de Kerk en voor onze naties. Maar de goddelijke belofte blijft : « Nooit zal het te laat zijn om zijn toevlucht te nemen tot Jezus en Maria. Zoals de koning van Frankrijk zullen zij berouw hebben en zullen zij doen wat Ik wil, maar het zal laat zijn. Rusland zal zijn dwalingen al over de wereld hebben verspreid, waardoor oorlogen en vervolgingen tegen de Kerk ontstaan. De H. Vader zal veel te lijden hebben... »

« VOOR HAAR ZIJN WIJ TOT ALLES BEREID ! »

In 1937 verklaarde de H. Maximiliaan Maria Kolbe, die binnen zijn orde te maken kreeg met hevig verzet tegen zijn devotie tot de Onbevlekte Ontvangenis, dat “ de beproeving van het bloed ” nodig zou zijn om uiteindelijk de triomf van de Onbevlekte te bewerkstelligen. Hij hoopte daar rotsvast op en ging zelfs zover dat hij aankondigde « dat in het centrum zelf van Moskou het beeld van de Onbevlekte zou worden opgericht ». Woorden uitgesproken op het moment dat de bloedige antichristelijke tirannie van Stalin op haar hoogtepunt was !

In 1938 voorspelde pater Kolbe aan zijn broeders in Niepokalanow profetisch de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog : « Mijn kinderen, er zal een meedogenloze strijd plaatsvinden. Ik weet niet precies hoe die er zal uitzien, maar hier in Polen moeten we ons op het ergste voorbereiden. De oorlog is veel dichterbij dan we denken en als hij uitbreekt, zal dat de versplintering van onze gemeenschap betekenen. Jullie moeten voorbereid zijn op een tijd die nog erger is dan de huidige. »

Maar hij voegde eraan toe : « Het zal zeker door de Onbevlekte worden toegestaan voor ons welzijn. We moeten niet treuren, maar ons vastberaden aan de wil van de Onbevlekte houden. We bevinden ons in een positie waarin ons geen kwaad kan worden gedaan ; voor Haar zijn we tot alles bereid, zelfs tot het geven van ons leven als dat van ons gevraagd wordt. Het zal een gratis ticket naar de Hemel zijn ! »

Toen hij voor de eerste keer samen met zijn broeders gedeporteerd werd, naar het kamp Amtitz, zei hij tegen hen : « We weten niet wat er met ons zal gebeuren. Laten we proberen klaar te zijn voor alles wat de Onbevlekte ons zal vragen. Laten we ons volledig aan haar overgeven zodat Zij ons altijd volgens haar wil kan leiden. »

Ten slotte schreef hij op 12 mei 1941 vanuit de Pawiak-gevangenis in Warschau, voordat hij naar Auschwitz zou worden gestuurd : « Laten we beloven ons op de meest volmaakte wijze te laten leiden zoals Zij dat wil en waar Zij ons altijd naartoe wil brengen, zodat we, door onze plichten op heilige wijze te vervullen, alle zielen kunnen redden om Haar te behagen. »

Ja, o Onbevlekte Ontvangenis, beschik over ons zoals U dat wenst, opdat eindelijk wordt vervuld wat uw heilige ridder over U heeft gezegd : « Dan zullen de ketterijen en schisma’s verdwijnen en zullen de verstokte zondaars, dankzij de Onbevlekte, terugkeren naar God, naar zijn Hart vol liefde, en zullen alle heidenen zich laten dopen. Zo zal worden vervuld wat de Z. Catharina Labouré, aan wie de Onbevlekte de Wonderdadige Medaille heeft geopenbaard, had voorspeld : dat de Onbevlekte “ Koningin van de hele wereld ” en “ van ieder in het bijzonder ” zal worden. »

broeder Bruno van Jezus-Maria
Hij is verrezen ! nr. 140, maart-april 2026