Maria Middelares doorheen de eeuwen

« God wil dat wij alles via Maria krijgen »

(Sint-Bernardus)

De nota Mater Populi fidelis van de dicasterie voor de Geloofsleer, ondertekend door paus Leo  XIV en gepubliceerd op 4 november 2025, verzet zich tegen de toekenning van de titels “ Middelares van alle genaden ” en “ Medeverlosseres ” aan Onze-Lieve-Vrouw. We mogen geen « overdreven verering » voor haar koesteren, want dat zou de verstandhouding met onze protestantse “ broeders ” hypothekeren... Deze nota is in volledige tegenspraak met het gewone leergezag van de Kerk, met alles « wat altijd, overal en door iedereen geloofd werd » (H. Vincentius van Lérins). En dat zullen we bewijzen door in dit artikel de visie van de heiligen doorheen de eeuwen, van Sint-Ireneüs tot de H. Jacinta van Fatima, te citeren.

ONZE vader, abbé de Nantes, sprak over de bemid-  deling van de Allerheiligste Maagd als het “ eerste mariale dogma ”, omdat de Kerk, lang voordat deze term werd gebruikt en uitgelegd, vanaf haar oorsprong een beroep heeft gedaan op deze bemiddeling. We vinden er sporen van in de Romeinse catacomben :

« De genade ontspringt uit het goddelijke Hart van Jezus en daalt langs uw moederlijke handen over ons allen neer » (H. Maximiliaan-Maria Kolbe).

« In de iconografie van de catacomben, in overeenstemming met de vroege liturgieën, komt de bemiddeling van Maria tot uiting in een vitale eenheid die de Moeder en de Zoon met elkaar verbindt. Er zijn minstens veertien dergelijke schilderingen, daterend uit de 2de tot de 4de eeuw, die in de mysterieuze duisternis van de begraafplaatsen van het christelijke Rome ontcijferd werden [...]. In de catacomben van Priscilla vinden we, niet ver van een bijna onzichtbaar geworden Goede Herder, een zittende Maagd met het Kind op haar schoot. Iemand die ongetwijfeld een profeet voorstelt, staat vlak naast haar en wijst naar een ster ; links zijn drie smekelingen afgebeeld : vader, moeder en kind, duidelijk de familie die eigenaar is van het graf. Deskundigen dateren deze schildering uit het begin van de tweede eeuw » (Robert Javelet, Marie, la femme médiatrice, 1984, pp. 54-55).

Zo plaatste de Kerk vanaf haar ontstaan de Maagd Maria niet onder de smekelingen, de verlosten : de christenen hebben altijd geloofd dat Zij meer aan de kant van God staat dan aan die van de mensen, onlosmakelijk verbonden met haar Zoon die Zij ons ter verering aanbiedt.

In diezelfde tweede eeuw legde de theologie van de H. Ireneüs al de onvergelijkbare rol van Onze-Lieve-Vrouw uit. In de conceptie en het ter wereld brengen van Christus door Maria toonde hij de bron van de wedergeboorte van het menselijke geslacht in God, door Haar : « Hoe zal de mens bevrijd worden van het geslacht dat de dood toebehoort als hij niet overgaat naar een nieuw geslacht, dat door God op wonderbaarlijke en verrassende wijze is gegeven als teken van verlossing, naar een wedergeboorte die voortkomt uit een Maagd door het geloof ? » (Adv. her. 4, 33, 4). Zo luidt de wil van « Hem die rein is [het Woord dat vlees wordt] en die op zuivere wijze een zuivere schoot opent, de schoot die de mensen in God vernieuwt, de schoot die Hij zelf rein maakt » (ibid., 11).

Aangezien de H. Maagd het leven heeft geschonken aan de mensgeworden Zoon van God, is Zij het die het goddelijke leven moet schenken aan de mensen die Hij komt redden. Onze vader legde uit dat het goddelijke moederschap van Maria impliciet haar universele bemiddeling bij haar andere kinderen inhoudt. Dit blijkt uit het gebed van het Concilie van Efeze (431), waarin juist het dogma van Maria, Moeder van God, Theotokos, werd afgekondigd. Dit gebed wordt toegeschreven aan de H. Cyrillus van Alexandrië († 444) :

« Wij groeten u, Maria, Moeder van God, eerbiedwaardige schat van de hele wereld, licht dat nooit dooft... Door U wordt de H. Drie-eenheid geheiligd, heilig verklaard, driemaal heilig ; door U wordt het Kruis in de hele wereld aanbeden en vereerd... Door U wordt het gevallen schepsel tot de Hemel verheven ; door U is de hele schepping tot kennis van de Waarheid gekomen ; door U ontvangen alle gelovigen de doop en de olie van de vreugde ; door U zijn kerken gesticht in de hele wereld ; door U worden alle volkeren tot bekering gebracht. »

DE MOEDER VAN GOD, ALMACHTIGE MIDDELARES VAN DE CHRISTENHEID

« Het mysterie van het moederschap van Maria plaatst haar zo op het niveau van de goddelijkheid van Christus », aldus abbé de Nantes. « Zij deelt in zijn oneindige barmhartigheid, zijn almacht, zijn goddelijke alwetendheid en kent al onze noden om erop te kunnen inspelen. Daarom werd de voorspraak van Maria geleidelijk aan een van de gewoonten van de christelijke vroomheid. Wanneer we in al die archeologische vondsten of in de gebeden en preken van de eerste kerkvaders zien dat christenen een beroep doen op Maria voor hun duizend en één behoeften, zowel tijdelijke als geestelijke, hoe is dat dan bij hen opgekomen ? Heel eenvoudig uit het mysterie zelf dat hun werd onderwezen. Door te mediteren over Maria in het Evangelie begrepen zij dat Zij een zorgzame Moeder was en dat Zij, zoals elke moeder, bereid was ons tegemoet te komen. »

Naarmate de genade werd ontvangen en gebeden werden verhoord, zijn de theologen steeds beter in staat geweest dit mysterie te doorgronden en onder woorden te brengen. De H. Andreas van Kreta († 720) is de eerste van wie we met zekerheid weten dat hij de term “ Middelares ” heeft gebruikt : « Wanneer U ons verlaat om naar God te gaan, krijgen wij een middelares... voor alle zondaars een werkelijk goede bemiddeling » (Serm. 3, De Dormitione).

Kort daarna formuleerde de H. Germanus van Constantinopel (715-729) heel duidelijk deze bemiddeling, gebaseerd op het maagdelijke moederschap van Maria, die tot uiting komt in de wijze waarop Zij de goddelijke zegeningen uitdeelt : « De Maagd, goddelijk stralend en vol van genade, was allereerst Middelares omdat zij als moeder de Verlosser gebaard heeft en nu door de voorspraak van haar moederlijke bescherming. » Hij zei ook : « U bent de Moeder van het enige ware leven. Niemand wordt verlost dan door U, Moeder van God, niemand verkrijgt de gave van barmhartigheid dan door U, die God hebt gedragen. U geniet over God een moederlijk gezag, U verkrijgt de uitmuntende genade van vergeving, zelfs voor hen die enorme zonden begaan. U kunt niet anders dan verhoord worden, want God schikt zich in alle dingen en door alle dingen naar de wil van zijn ware en zeer zuivere Moeder. »

Zo zijn « vanaf de achtste eeuw de gewoonte om Maria boven alle andere heiligen aan te roepen voor alle noden en de overtuiging van haar universele en noodzakelijke tussenkomst onwrikbaar verankerd in de oosterse christenheid » (Eugène Druwé, S.J., La médiation universelle de Marie, verschenen in Maria, dl. I, p. 545).

De H. Germanus betoonde een geweldig enthousiasme voor de bemiddeling van de Moeder Gods, in het bijzonder na de wonderbaarlijke bevrijding van Constantinopel nadat de Saracenen de stad een jaar lang bezet hadden. Die bevrijding, op 15 augustus 718, werd vervolgens elk jaar herdacht door het zingen van de Akathistos-hymne ter ere van haar. Op dezelfde manier droeg in het Westen de wonderbaarlijke bescherming tegen de barbaarse invasies in hoge mate bij aan de verspreiding van de verering voor de H. Maagd, bv. de bevrijding van Chartres in 911, dankzij de relikwie van haar heilige Sluier.

SINT-BERNARDUS, 
LERAAR VAN HET MIDDELAARSCHAP VAN MARIA

« De Latijnse middeleeuwen leefden vanuit hetzelfde geloof dat de oosterse vroomheid bezielde : de universele, soevereine en doeltreffende bescherming van Maria. De liturgie getuigt hiervan : Maria wordt er algemeen aangeroepen als de schenkster van al wat goed is, onze bijzondere Voorspreekster en Middelares, onze enige hoop samen met Christus, haar Zoon, Zij die almachtig is door haar smeekbeden. Het is het hele Westen, van de Scandinavische landen tot Spanje en van Ierland tot de uiterste grenzen van het Duitse Rijk, dat in zijn hymnen zijn onbegrensde vertrouwen in de universele bescherming van de Moeder Gods bezingt » (Druwé, op. cit., p. 547).

de H. Albertus de Grote

Tijdens de mystieke renaissance van de 12de eeuw werd het de H. Bernardus van Clairvaux gegeven om deze bemiddeling van de Maagd Maria, waarvan iedereen leefde, uit te leggen. Zijn leer had een zeer grote invloed op de christenheid van zijn tijd en vervolgens door de eeuwen heen in de hele Kerk ; ook onze vader putte er rijkelijk uit. Maar dit was helemaal geen nieuwe theorie, het was slechts de uitwerking van de gemeenschappelijke, katholieke, duizendjarige devotie van het gelovige volk.

Zijn preek getiteld Het Aquaduct, die door generaties heiligen en mystici zal worden gelezen en geciteerd, bevat zijn mooiste uitleg over de universele bemiddeling van Onze-Lieve-Vrouw. Hij begint met een beschouwing van het goddelijke Leven in de H. Drie-eenheid, wat abbé de Nantes de “ rondom rond gaande liefde ” (la circumincessante charité) zal noemen : « Het eeuwige leven is de onuitputtelijke bron die het gehele oppervlak van het Paradijs bevloeit. Niet tevreden met alleen maar te bevloeien, bedwelmt zij en is zij de fontein van de tuinen, het reservoir van levend water waarvan de onstuimige stromen uit de Libanon neerdalen (Hooglied 4, 15) en de rivier die de stad van God bereikt (Psalm 45, 5). Wat is deze bron van leven anders dan Christus, onze Heer ? »

Maar « de hemelse waterstraal stroomt via een aquaduct dat ons niet al het water uit zijn bron schenkt, maar de genade druppel voor druppel in onze uitgedroogde harten laat sijpelen, bij de enen meer, bij de anderen minder. Het aquaduct zelf is vol, zodat iedereen zich uit zijn overvloed voedt, zonder deze echter in zijn geheel te ontvangen. Jullie hebben, neem ik aan, al begrepen over welk aquaduct ik spreek, een waterleiding die haar volheid ontvangt uit de bron die uit het hart van de Vader opwelt en die ons vervolgens niet de gehele overvloed schenkt, maar wat wij kunnen ontvangen. Jullie weten heel goed tot wie deze woorden gericht waren : Wees gegroet, vol van genade. »

Daarmee is alles gezegd. De Maagd Maria ontleent haar volheid van genade aan de bron die uit het hart van de Vader stroomt, namelijk Christus, en Zij is het die dit leven gevende water druppel voor druppel in onze uitgedroogde harten laat vloeien.

Kon God zijn genade dan niet rechtstreeks schenken ? « Zeker, God had de macht, als Hij dat had gewild, om ons zijn genade te schenken zonder via dit aquaduct te gaan. Maar Hij stond erop ons dit middel te geven om het tot ons te brengen. » Waarom dan ? Omdat Hij wil dat alle genade via de H. Maagd gaat, omdat Hij wil dat wij haar liefhebben, dat wij devotie koesteren voor haar moederlijke Hart :

« Om het menselijke geslacht te verlossen heeft Hij de hele losprijs in Maria gelegd. Maar waarom ? Laten we dieper op de zaak ingaan en ons afvragen welke oneindige liefde God ons voor Maria wil inboezemen. Hij heeft haar de volheid van alle genaden geschonken. Zo zullen wij, als er in ons ook maar de geringste hoop is, het zwakste sprankje genade of heil, goed weten dat dit altijd de overvloed is die over ons wordt uitgestort door haar die vol vreugde ten Hemel is opgevaren. Laten we Maria dan met heel ons hart, met al onze liefde en met al onze wensen vereren. Dat is de wil van Hem die heeft gewild dat wij alles via Maria zouden ontvangen. Het is zijn wil, zeg ik, maar Hij wil dit in ons belang. Wend je tot Maria. [...] De Zoon zal naar zijn Moeder luisteren en de Vader zal naar Zijn Zoon luisteren. Mijn kinderen, ziedaar de ladder voor de zondaars, waarin al mijn zekerheid ligt en de reden voor mijn hoop. »

Zo weet en belijdt de Kerk, dankzij de heilige abt van Clairvaux, dat God wil dat wij alles via Maria verkrijgen. Wat Onze-Lieve-Vrouw op 13 juni 1917 in Fatima heeft herhaald ! « Deze zo tedere woorden van de H. Bernardus hebben werkelijk de basis gelegd voor de hele moderne vroomheid. Men kan zeggen dat de Kerk zich nooit meer zal verwijderen van deze zeer tedere, zeer kinderlijke en tegelijkertijd zeer eerbiedige en van poëzie overvloeiende manier van spreken » (abbé de Nantes).

VAN DE H. ALBERTUS DE GROTE
TOT SINT-BERNARDINUS VAN SIENA

Na de eeuw van de mystiek brak de eeuw van de theologische wetenschap aan. De H. Albertus de Grote († 1280) herhaalt in zijn verhandelingen de leer van Sint-Bernardus : alle genaden, zonder uitzondering, gaan door de handen van de Maagd Maria (Mariale, q. 164). Sterker nog : « Maria is de poort van de Hemel waaruit alles voortkomt wat aan genade, geschapen of ongeschapen, ooit in deze wereld is gekomen of nog moet komen » (q. 197). In strikte zin is Zij dus werkelijk Middelares van alle genaden, in eeuwigheid !

Na hem lijkt de scholastiek moeite te hebben om de uitdeling van alle genaden door de Maagd Maria te verklaren en om in haar rationele syntheses een plaats te geven aan de vurige devotie tot Onze-Lieve-Vrouw die toen door de hele christenheid werd beleefd. Het lijkt er op dat het de H. Bonaventura (1221-1274) was die dit mysterie het best doorgrondde. « Hij laat de vroomheid van de 12de eeuw tot bloei komen in de 13de, ondanks de aristotelische gestrengheid. Hij zorgt zo voor een mystieke continuïteit » (Javelet p. 129).

De serafijnse kerkleraar had een zeer diepgaand begrip van het moederschap van de H. Maagd, als de bron van onze gehele verlossing : « Uit deze gezegende Maagd is de Prijs gekomen die ons in staat stelt het koninkrijk der hemelen te verkrijgen. Hij is van haar, dat wil zeggen uit haar voortgekomen, door haar betaald en in haar bezit. Uit haar voortgekomen bij de Incarnatie, door haar betaald bij de Verlossing van het menselijke geslacht en ten slotte in haar bezit in de glorie van het Paradijs » (De septem donis, VI, 5).

Een eeuw later was een andere zoon van de Poverello, de H. Bernardinus van Siena († 1444), een vurig voorvechter van de schenking van alle genaden door de Maagd Maria. Als prediker die in heel Italië bekend was, legde hij voortdurend de nadruk op deze bemiddeling : « Net zoals de levenskrachten zich vanuit het hoofd via de hals over het lichaam verspreiden, zo worden de genaden doorgegeven aan het mystieke Lichaam door het Hoofd, dat Christus is, via de Maagd Maria. Dit is dus de volgorde van de goddelijke genaden : van God vloeien ze over in Christus, van Christus in zijn Moeder en langs haar om verspreiden ze zich over de Kerk... Ik aarzel niet te zeggen dat de Maagd een vorm van bevoegdheid heeft gekregen over alle genaden... Alle gaven, deugden en genaden van de H. Geest worden door haar handen uitgedeeld, aan wie Zij wil, zoals Zij wil en zoveel als Zij wil » (Ser. in Nat. B. V. 1, 8).

DE CONTRAREFORMATIE TRIOMFEERT 
OVER DE VIJANDEN VAN DE H. MAAGD

In de volgende eeuw hadden de zogenaamde “ gereformeerden ” een bijzondere afkeer van de titel van Maria Middelares. « Luther en Calvijn gingen ermee akkoord dat Onze-Lieve-Vrouw talrijke genaden van God heeft ontvangen, maar net als alle andere mensen, op een uiterlijke manier », legde onze vader uit. « Voor hen is de genade als een schitterende mantel die de smet van de zonde bedekt, maar de mens blijft een zondaar. Ze hadden het lef om Maria in dezelfde categorie als wij te plaatsen. Hoewel Zij meer genade heeft dan wij, ontvangt Zij die op een volkomen passieve wijze, waardoor Zij niet rijk is aan genade en evenmin genade uitdeelt. Luther en Calvijn waren zo fel gekant tegen de bemiddeling van Maria dat zij haar afbeeldingen lieten vernietigen en haar beelden onthoofden » tijdens de beruchte Beeldenstormen.

De H. Petrus Canisius (1521-1597) maakte van de verdediging van de voorrechten van de H. Maagd een van zijn belangrijkste wapens in de controverse tegen de protestanten, met het oog op hun bekering. « Hij is de eerste die over haar een leerstellig geheel heeft samengesteld waarin alles is geordend wat tot dan toe over de Maagd was geschreven. Daarin weerlegt hij meer dan honderd tegenstanders van Maria en citeert hij ter ere van haar meer dan 90 kerkvaders en kerkleraren uit de eerste acht eeuwen en 110 kerkelijke schrijvers uit de daaropvolgende eeuwen » (Javelet p. 223). Hij verdedigde met name de leer van Sint-Bernardus, die toen diep geworteld was in het christelijke volk : « God heeft in Maria de volheid van alle goedheid gelegd en alle genade stroomt uit haar over. »

De minachting voor het middelaarschap van Onze-Lieve-Vrouw, die met het protestantisme was ontstaan, vond nieuwe aanhangers onder de jansenisten en de rationalisten van de Verlichting : in 1673 verscheen een pamflet getiteld “ Heilzame adviezen van de Maagd Maria aan wie haar blind toegewijd zijn ”, waarvan men zou kunnen denken dat het door kardinaal Fernández is geschreven, zozeer stemt de hypocrisie ervan overeen met de nota Mater Populi fidelis ! De auteur liet de H. Maagd zeggen :

« Als je mij eert, doe je goed ; want mijn gebeden hebben veel waarde. Pas echter op dat je mij niet toeschrijft wat alleen aan God toebehoort. Eer mij niet alsof er geen mogelijkheid zou zijn om via Jezus Christus tot God te komen zonder mij. Want er is maar één God en slechts één middelaar tussen God en de mensen, Jezus Christus. »

Dit pamflet leidde tot een langdurige polemiek over de bemiddeling van Onze-Lieve-Vrouw, waarvan de overwinnaar de H. Alfonsus Maria van Liguori (1696-1787) was, kerkleraar en stichter van de redemptoristen. In zijn werk Le glorie di Maria, dat op grote schaal werd verspreid, verdedigde hij in het bijzonder dit universele middelaarschap waarvan zijn jansenistische en rationalistische tegenstanders zo’n afkeer hadden. De degelijkheid en de eruditie van zijn betoog, in combinatie met een vurige vroomheid, overwonnen alle tegenstand en versterkten gedurende de 18de en 19de eeuw het geloof van de Kerk in Maria als Middelares van alle genaden.

DE WARE DEVOTIE
TOT HET ALLERHEILIGSTE HART VAN MARIA

Enkele decennia tevoren, tijdens de triomf van de Contrareformatie in de 17de eeuw, had Frankrijk twee grote apostelen van de universele bemiddeling van Maria voortgebracht, met zeer vernieuwende inzichten. De eerste was de H. Jean Eudes (1601-1680), door paus Leo XIV in zijn brief aan de bisschoppen van Frankrijk (28 mei 2025) bijzonder aanbevolen aan onze studie en devotie.

de H. Jean Eudes

De H. Jean Eudes onderscheidde zich van de Franse School waaruit hij voortkwam door de vurigheid van zijn liefde voor de HH. Harten van Jezus en Maria en door zijn diepgaand inzicht in de liefde die heerst tussen Onze-Lieve-Vrouw en de H. Drie-eenheid : « Totius media Trinitatis : Zij bevindt zich in het midden, dat wil zeggen in het diepste van het aanbiddelijke Hart van de Allerheiligste Drie-eenheid [...]. Zij is als het hart, de liefde en de vreugde van de Vader, de Zoon en de H. Geest » (Het bewonderenswaardige Hart, boek V, hoofdstuk XII).

Deze heilige stond dus ver boven de theologische discussies die erop neerkwamen de kracht van de bemiddeling van de Maagd Maria en haar bevoegdheid over de genaden te “ meten ”. Voor hem is Zij werkelijk meer goddelijk dan menselijk : « De drie goddelijke Personen hebben zichzelf in het Hart van Maria gegrift, met hun hoogste volmaaktheden » (ibid., V, IX).

En nog : « De Vader van alle goeds houdt van haar als zijn enige en uiterst beminnelijke Dochter, die ter wereld is gekomen vol schoonheid, vol zuiverheid, volledig onbevlekt... Hij houdt zo veel van haar dat Hij haar zijn goddelijk Hart heeft geschonken, namelijk zijn enige Zoon, met de bedoeling haar Zoon, haar Hart, haar liefde, haar schat, haar glorie, haar leven, haar vreugde en haar alles te zijn. Hij houdt zo veel van haar dat Hij haar alle werken van zijn handen heeft geschonken, waardoor Hij haar tot soevereine Vrouwe van alle geschapen wezens heeft gemaakt... Laten we nu eens kijken naar de liefde van de Zoon voor zijn zeer waardige Moeder. Hij houdt van haar als zijn Moeder, als zijn Zus, als zijn Dochter en als zijn Bruid, alles in één. Hij houdt zo veel van haar dat Hij haar zijn grootste schat heeft geschonken, namelijk zijn Kerk, die Hij met de prijs van zijn Bloed heeft verworven » (IX, XII).

De H. Jean Eudes ziet tussen Jezus en Maria zo’n eenheid van wil en gevoel, zo’n gemeenschap in de H. Geest, dat Zij werkelijk slechts één Hart vormen : « Weet je niet dat Jezus niet alleen voortdurend in het Hart van Maria woont en verblijft, maar dat Hij zelf het Hart van Maria is, het Hart van haar Hart en de ziel van haar ziel ? » Hij werkte dan ook zijn hele leven, ondanks onafgebroken vervolgingen en tegenslagen, aan de invoering van de liturgische verering van het Allerheiligste Hart van Jezus en Maria, om de zielen deze toevlucht te bieden en ze van de hel te redden.

Waar haalt Fernández het dan vandaan om de H. Maagd absoluut te willen scheiden van haar goddelijke Zoon ? Weten ze op de dicasterie voor de Geloofsleer dan niet dat « naar het Hart van Maria komen hetzelfde is als naar Jezus komen » ?

AD JESUM PER MARIAM

De tweede Franse apostel van Maria Middelares was de H. Louis-Marie Grignion de Montfort (1673-1716). Ook hij begreep op bewonderenswaardige wijze de innige inwoning van de H. Geest in Maria, wat hij vergeleek met de vereniging van een echtgenoot en zijn echtgenote. Deze metafoor is echter niet passend, zoals pater Kolbe later zou begrijpen. Niettemin is de werkelijkheid die deze heilige met dit onvolmaakte beeld trachtte uit te drukken van cruciaal belang, in die mate zelfs dat abbé de Nantes ze beschouwde als het geheim, de “ ontbrekende schakel ” van de rondom rond gaande liefde.

de H. Louis-Marie Grignion de Montfort

De H. Louis-Marie schreef : « God de H. Geest heeft aan Maria, zijn trouwe Bruid, zijn onuitsprekelijke gaven geschonken en Hij heeft haar gekozen tot de uitdeelster van alles wat Hij bezit. Zo deelt Zij aan wie Zij wil en wanneer Zij wil al zijn gaven en genaden uit ; en er wordt geen enkele hemelse gave aan de mensen geschonken die niet door haar maagdelijke handen gaat » (Verhandeling over de ware vroomheid, nr. 25). Hoewel hij zich ruimschoots baseerde op de traditie van de kerkvaders, aarzelde Grignion de Montfort niet om te schrijven dat « de goddelijke Maria tot nu toe onbekend is gebleven en dat dit een van de redenen is waarom Jezus Christus niet bekend is zoals Hij zou moeten zijn » (nr. 13).

Zijn belangrijkste inzicht is dan ook de noodzaak van de devotie tot de Allerheiligste Maagd om tot Jezus Christus te komen. Hij legt uit dat men Jezus alleen door de bemiddeling van Maria werkelijk kan vinden en liefhebben, omdat « het door de Allerheiligste Maagd Maria is dat Jezus Christus ter wereld is gekomen en het is ook door haar dat Hij in de wereld moet regeren » (nr. 1).

Aangezien Onze-Lieve-Heer zich aan Maria heeft onderworpen opdat Zij « Hem zou zogen, voeden, verzorgen, opvoeden en voor ons zou offeren » (nr. 18), is het voor ons noodzakelijk al onze handelingen te verrichten « door Maria, met Maria, in Maria en voor Maria » (nr. 257). Als God ons alles door Maria schenkt, te beginnen met onze Verlosser, dan moeten we in alle dingen een beroep op haar doen en alleen door haar en voor haar leven, opdat Zij ons naar God zou leiden.

Pater de Montfort brandde van verlangen om deze ware devotie overal te verspreiden, omdat hij, onder onbetwistbare inspiratie van de H. Geest, begreep dat de wereld in de onrust van de laatste tijden was beland en dat de Maagd Maria de bemiddelaarster moest zijn van de wederkomst van Christus :

« God wil Maria, het meesterwerk van zijn handen, in deze laatste tijden openbaren en aan het licht brengen. Zij moet gekend en gezien worden, opdat Jezus Christus dat ook wordt. Maria moet in deze laatste tijden meer dan ooit schitteren in BARMHARTIGHEID, in KRACHT en in GENADE : in BARMHARTIGHEID, om de arme zondaars en afgedwaalden die zich bekeren en terugkeren naar de katholieke Kerk, liefdevol terug te brengen en te ontvangen ; in KRACHT tegen de vijanden van God, de afgodendienaars, schismatieken, mohammedanen, Joden en verstokte goddelozen, die op vreselijke wijze in opstand zullen komen om, door beloften en dreigementen, allen die tegen hen zijn te verleiden en ten val te brengen ; en ten slotte moet Zij uitbarsten in GENADE, om de dappere soldaten en trouwe dienaren van Jezus Christus die voor zijn belangen strijden te bezielen en te ondersteunen » (nr. 50).

GOD WIL DAT WIJ ONZE TOEVLUCHT NEMEN
TOT DE ONBEVLEKTE MIDDELARES

De profetie van de H. Louis-Marie kwam al snel uit. Na de gruwelen van de Franse Revolutie vormden de grote verschijningen van de 19de en 20ste eeuw de opeenvolgende fasen in de openbaring van de Maagd Maria, met het oog op de triomf van haar Onbevlekte Hart. Sinds 1830 heeft de goede God de soevereine en universele bemiddeling van de Maagd Maria in al haar omvang willen openbaren, in het bijzonder in de Rue du Bac.

Op 27 november 1830 zag de H. Catharina Labouré de Maagd Maria « die op een heel ontspannen manier de wereldbol in haar handen hield en deze met een helder licht verlichtte ». Zij verscheen in een met sterren bezaaide Hemel, de maan lag onder haar voeten en twaalf sterren kroonden haar hoofd, in vervulling van het visioen van Sint-Jan in de Apocalyps (12, 1). Zij verpletterde het hoofd van de slang, die een andere wereldbol omklemde. De wereld werd dus tegelijkertijd afgebeeld onder de voeten van de Onbevlekte en in haar handen : Zij staat er volkomen los van, Zij is van een andere orde... als tussenpersoon, bemiddelaarster tussen God en de rest van de schepping. Haar ogen waren nu eens naar de Hemel gericht, dan weer neergeslagen naar de aarde.

« Vertellen wat ik toen voelde en alles wat ik heb geleerd op het moment dat de H. Maagd de wereldbol aan Onze-Lieve-Heer aanbood, dat is onmogelijk weer te geven », aldus de H. Catharina. Dit visioen toont de constante, altijd actuele realiteit van de bemiddeling van Onze-Lieve-Vrouw, aangezien Zij in La Salette heeft gezegd dat Zij « ermee belast is om onophoudelijk voor ons te bidden ».

Catharina zag vervolgens hoe het visioen tot leven kwam, alsof het wilde laten zien dat de voorspraak van de Onbevlekte was verhoord : « En toen zag ik plotseling ringen aan haar vingers, bezet met edelstenen die de ene nog mooier waren dan de andere, de ene groter en de andere kleiner, die stralen verspreidden [...] Op dat moment, terwijl ik haar aan het aanschouwen was, sloeg de H. Maagd haar ogen neer en keek mij aan. Er klonk een stem die mij deze woorden zei : “ Deze bol die je ziet, stelt de hele wereld voor, in het bijzonder Frankrijk, en elke persoon afzonderlijk... Het is het symbool van de genaden die ik uitstort over de mensen die mij erom vragen. ” Zij liet mij begrijpen hoe aangenaam het voor God was om ons te zien bidden tot de H. Maagd en hoe vrijgevig Zij was jegens de mensen die tot haar bidden, hoeveel genaden Zij schonk aan de mensen die erom vroegen en welke vreugde Zij ervaart bij het geven ervan » (cf. broeder Thomas, La Rue du Bac, la Vierge Marie, Régente de France, in Il est ressuscité ! nr. 271, nov. 2025, p. 24).

Toen opende Onze-Lieve-Vrouw haar armen en strekte ze uit naar de aarde, terwijl uit haar handen stralen van een betoverende schittering tevoorschijn kwamen... Er verscheen een beeltenis die de goede God aan iedereen bekend wilde maken door middel van de Wonderbare Medaille. Zo bevinden de wereld, Frankrijk en elke ziel afzonderlijk zich in de handen van de Onbevlekte, die ermee belast is ze aan Onze-Lieve-Heer aan te bieden. In deze grandioze visioenen verscheen Zij heel alleen, als enige middelares van de genade van haar goddelijke Zoon, die op fysieke wijze door haar handen en haar glorieuze lichaam stroomt.

Hoe durft kardinaal Fernández zich dan verzetten tegen deze waarheid door te schrijven : « We kunnen toch niet denken dat de gave van de genade, geschapen en ongeschapen, afhankelijk kan zijn van een “ doorgang ” door de handen van Maria ” » (nr. 45). Ketter ! Scheurmaker ! Schandaalverwekker !

Op de achterkant van de Wonderbare Medaille staan de redenen afgebeeld voor een dergelijke macht die aan de H. Maagd is verleend : het Kruis van onze Verlosser is geplaatst op de “ M ” van MARIA ; het geheel heeft de vorm van een altaar waarop Jezus zijn offer wil brengen. Daaronder drukken hun onafscheidelijke Harten de onvergelijkbare liefde uit die ons zo’n barmhartigheid schenkt : de voortdurende hernieuwing van dit offer door de dagelijkse viering van de Mis over de hele wereld.

VAN DE H. PIUS X
TOT DE H. MAXIMILIAAN-MARIA KOLBE

De onvergelijkbare verschijningen van de 19de eeuw en de definitie van het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis in 1854 hebben een grote golf van devotie voor Onze-Lieve-Vrouw teweeggebracht en een vernieuwing van de mariale theologie, vooral wat haar universele bemiddeling betreft.

De encycliek Ad Diem illum (1904) was een van de mooiste vruchten daarvan. De H. Pius X bevestigde daarin zijn voornemen om alles in Christus te herstellen, door de bemiddeling van de Maagd Maria ; hij legde zich dan ook toe op het uitleggen en definiëren van deze universele bemiddeling, waarbij hij zich zeer strikt baseerde op de Schrift en de traditie. Dit is de kern van zijn betoog : « Als gevolg van de gemeenschap van gevoelens en lijden tussen Maria en Jezus verdiende Maria volkomen terecht om de herstelster van de gevallen mensheid te worden en daarmee de uitdeelster van alle schatten die Jezus Christus voor ons heeft verworven door zijn dood en zijn Bloed. »

Vervolgens haalde hij Sint-Bernardus en de H. Bernardinus van Siena aan om te bevestigen dat de Onbevlekte Maagd inderdaad het “ aquaduct ” is van alle genaden en de “ hals ” van het mystieke Lichaam, waardoor alle invloeden van het goddelijke Hoofd stromen. Zij is dus « de hoogste bedienaar van de genadebeschikking » waarvan Jezus Christus de bron is.

Deze encycliek van een heilige paus, nauwgezet gegrondvest op de traditie, geniet ongetwijfeld de onfeilbaarheid van het gewone leergezag van de Kerk. In zijn tijd wekte deze tekst groot enthousiasme op en droeg hij bij tot de verspreiding van het geloof in Maria als Middelares van alle genaden, in die mate dat Pius XII in 1942 kon zeggen : « Alle theologen zijn het er tegenwoordig over eens dat God heeft gewild dat wij alles via Maria zouden ontvangen, volgens de traditie van de kerkvaders » (decreet met het oog op de heiligverklaring van de Z. Grignion de Montfort).

In deze periode hebben zich, dankzij deze leer, vele heilige zielen ingezet voor de verspreiding van de toewijding aan Onze-Lieve-Vrouw, met name de Z. Edward Poppe, maar vooral de H. Maximiliaan-Maria Kolbe, van wie abbé de Nantes zei dat hij in de 20ste eeuw de « voorloper van de heerschappij van Maria » was.

Hij had van zijn leermeester, pater Ignudi, de geestelijke erfenis van de H. Pius X ontvangen, met name de vaste hoop op de overwinning van de Onbevlekte Maagd op de Revolutie. Daarom stichtte hij zijn Militie van de Onbevlekte als een ridderorde ten dienste van de Koningin van het heelal, opdat de leden ervan zich volledig aan haar zouden overgeven, als gehoorzame instrumenten voor de redding van de zielen : « De moderne tijden worden gedomineerd door Satan en dat zal in de toekomst nog meer het geval zijn. Alleen de Onbevlekte heeft van God de belofte van de overwinning op Satan ontvangen. Maar in de glorie van de Hemel heeft Zij vandaag onze medewerking nodig. Zij zoekt zielen die zich volledig aan haar wijden en in haar handen een kracht worden om Satan te verslaan en werktuigen om het rijk van God te vestigen » (brief aan broeder Koziura, 30 april 1931).

«O Maria zonder zondesmet ontvangen,
bid voor ons die onze toevlucht tot U nemen» (Rue du Bac)

Voor hem was de universele bemiddeling van Maria een vanzelfsprekendheid : « In de katholieke Kerk bestaat er een vaststaande en onweerlegbare waarheid, ook al is deze nog niet als dogma afgekondigd, namelijk dat de Moeder van God de Middelares van alle genaden is. »

Het belangrijkste is « niet dat we veel verrichten volgens ons eigen idee, maar dat we ons in haar handen bevinden. Niets is volmaakter dan de vereniging van onze wil met de hare. » Het dient gezegd dat Maximiliaan haar minstens één keer had gezien, toen hij tien jaar oud was. Hij kende uit ervaring de barmhartigheid van haar moederlijke Hart, « de zachtheid van haar onbevlekte handen »... Toch bleef hij nadenken en werken om het mysterie te doorgronden van haar die weliswaar zijn “ kleine Moeder ” was, heel dicht bij hem, maar die hij toch als « volledig goddelijk » zag. Door te mediteren over de woorden van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes : « Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis », begreep pater Kolbe dat Zij niet zomaar een vrouw is die uit de massa is gekozen en van de erfzonde is vrijgehouden, maar dat Zij het Concept van God is, het volmaaktste dat Hij in zijn liefde heeft bedacht, vóór heel de schepping.

FATIMA : DE REDDING VAN DE WERELD DOOR DE BEMIDDELING 
VAN HET HART VAN MARIA

In de 20ste eeuw had de Kerk dus een opvatting over de universele bemiddeling van de Maagd Maria die in overeenstemming was met het grote goddelijke plan dat in Fatima werd geopenbaard : « God wil in de wereld de devotie tot het Onbevlekte Hart van Maria vestigen. » Hij wil dat wij onze toevlucht tot haar nemen, met het oog op ons eigen eeuwige heil en het heil van zovele arme zondaars die op weg zijn naar de hel. Ook het tijdelijke lot van de wereld is aan de H. Maagd toevertrouwd : « Ik wil dat jullie elke dag het rozenhoedje blijven bidden ter ere van Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans, om vrede in de wereld en het einde van de oorlog te verkrijgen, want alleen Zij kan jullie te hulp komen » (13 juli 1917).

Haar bemiddeling is dus niet alleen “ universeel ” in letterlijke zin, maar ook noodzakelijk, aangezien alleen Zij ons kan helpen. God, onze Heer, wil het zo.

Heel de boodschap van Fatima draait om haar bemiddeling voor alle genaden, zoals de H. Jacinta dat op bewonderenswaardige wijze had begrepen. Kort voor haar dood, tijdens de laatste gesprekken met haar nichtje Lucia, drong ze er bij haar op aan haar zending goed te vervullen : « Ik heb niet veel tijd meer voordat ik naar de Hemel ga. Jij blijft hier om te zeggen dat God in de wereld de devotie tot het Onbevlekte Hart van Maria wil vestigen. Als het moment daar is om het te zeggen, verberg je dan niet ! Zeg tegen iedereen dat God ons zijn genade schenkt door het Onbevlekte Hart van Maria ; dat we die aan haar moeten vragen ; dat het Hart van Jezus wil dat we tegelijkertijd het Onbevlekte Hart van Maria vereren ; dat we de vrede vragen aan het Onbevlekte Hart van Maria, want God heeft die aan haar toevertrouwd. »

VERBREKING VAN HET VERBOND

Het besluit kan alleen maar zijn dat de universele bemiddeling van de Maagd Maria in de Kerk vanaf haar ontstaan beleefd en geloofd werd. In tweeduizend jaar waren de enige tegenstanders ervan de protestanten en binnen de Kerk enkele jansenisten en rationalisten, die vandaag de dag volledig in de vergetelheid zijn geraakt en destijds werden weerlegd. Integendeel, dankzij grote heiligen en kerkleraren is het begrip van dit mysterie door de eeuwen heen op bewonderenswaardige wijze verdiept, waardoor de vervulling van het grote goddelijke plan werd voorbereid : de verering van het Onbevlekte Hart van Maria in de wereld vestigen.

Dit elan, dat in de vorige eeuw had moeten uitmonden in de triomf van het Onbevlekte Hart van Maria en de dogmatische definitie van haar titel van Middelares van alle genaden, werd echter doorbroken door het Tweede Vaticaans Concilie. Tijdens de voorbereiding van deze kerkvergadering vroegen driehonderd vaders uitdrukkelijk om die definitie, maar hun wens werd met geweld bestreden door de voorvechters van de oecumenische dialoog, vooral kardinaal Montini, de toekomstige Paulus VI, die de titel van Maria Middelares beschouwde als « ongepast en zelfs verfoeilijk » (cf. broeder François, Fatima, joie intime, événement mondial, p. 320) ! En van zo’n paus heeft men een heilige gemaakt ?!

De Maagd Maria werd dus ter zijde geschoven naar het laatste hoofdstuk van de constitutie Lumen gentium over de Kerk, waarbij op beledigende wijze de nadruk werd gelegd op haar “ ondergeschikte rol ”. Dit gebeurde « met de uitgesproken bedoeling om Maria weer in de mensheid op te nemen, aan de kant van de zondaars, terwijl de Traditie en de eeuwenoude devotie haar bij voorkeur plaatsten aan de kant van Christus de Verlosser, als Medeverlosseres, en aan de kant van God, als Middelares... » (abbé de Nantes, CRC nr. 61, okt. 1972, pp. 6-7). Vermaledijd concilie !

broeder Joseph-Sarto van Christus-Koning
Hij is verrezen ! nr. 142, juli-augustus 2026