Een slachtoffer van het anglicanisme:
 de H. Oliver Plunkett, martelaar

Als het over de godsdienstoorlogen van de 16de en 17de eeuw gaat, lijkt het tegenwoordig wel of alleen de katholieken fanatiek en wreed waren, terwijl de belaagde en onschuldige protestanten hun afwijkend geloof met hun bloed moesten betalen. Maar de manier waarop een Ierse aartsbisschop in 1681 door de Engelsen uit de weg geruimd werd uit pure haat jegens het katholicisme, toont ons een heel andere realiteit.

OLIVER PLUNKETT werd geboren in het Ierse Loughcrew, in het graafschap Meath (ten noorden van Dublin), op 1 november 1625. Zijn hedendaagse biograaf, Desmond Forristal (1975), stipt aan dat de latere martelaar behoorde tot de oude Normandisch-Ierse adel – Normandiërs uit de omgeving van Willem de Veroveraar hadden zich in de 12de eeuw in Ierland gevestigd – en dat hij daar fier op was. In een aanbevelingsbrief geschreven door de rector van het Iers college in Rome wordt hij beschreven als « afkomstig uit een katholiek geslacht en afstammend van illustere families : de zeer beroemde graven van Fingal langs vaderskant en de niet minder beroemde graven van Roscommon langs moederskant. »

Description
De Ierse martelaar Oliver Plunkett ( 1625-1681 ),
heiligverklaard in 1975.

Over zijn jeugd in een gezin van vijf kinderen – hij was de tweede oudste – weten we heel weinig. Er heerste in die periode een relatieve kalmte in het meestal zo zwaar beproefde Ierland. De Engelse vorstin Elizabeth I (reg. 1558-1603), die ook koningin van Ierland was, had er het anglicanisme als staatsgodsdienst opgelegd, maar onder Karel I (reg. 1625-1649) van het huis Stuart werden de antikatholieke wetten niet in heel hun gestrengheid toegepast. Bovendien beschermden de familiale relaties van Oliver hem tegen de godsdienstige discriminatie en de armoede waaronder het merendeel van de katholieke Ieren gebukt ging.

De opvoeding van de jongen werd toevertrouwd aan een familielid, Dr. Patrick Plunkett, die hem onder zijn hoede nam in zijn eigen woning. Deze oom was pastoor en bracht het later tot bisschop van Ardagh en vervolgens van Meath. Oliver zou altijd met groot respect en diepe genegenheid over hem spreken.

In 1641 kwam abrupt een eind aan de rust in Ierland. In dat jaar kwam de katholieke adel in Ulster in opstand en eiste meer rechten van de Engelse kroon. De moe getergde en verarmde plattelandsbevolking greep de gelegenheid aan om wraak te nemen op de zgn. planters, protestantse kolonisten uit Engeland en Schotland die de beste gronden ingepalmd hadden ; er vielen heel veel slachtoffers. De leiders van de rebellie, die de wreedheden veroordeelden, kwamen op 17 maart 1642 bijeen op het kasteel van Trim voor een plechtige proclamatie gericht aan koning Karel I. Vijf dagen later gaf de katholieke hiërarchie van Ierland haar zegen aan de opstand die zij gerechtvaardigd noemde. Zo kwam de Confederatie van Kilkenny tot stand : er werd een zelfstandig Iers parlement opgericht dat trouw zwoer aan de Engelse koning, al stuurden verschillende leden aan op volledig zelfbestuur en een eigen staat.

Dr. Patrick Plunkett werd opgeroepen om in dit parlement te zetelen en kon daardoor niet langer voor zijn pupil zorgen. Hij stuurde Oliver weg uit het rumoerige land naar het Iers college in Rome, om er te studeren en zich voor te bereiden op het priesterschap. Want de jongeman had inderdaad te kennen gegeven dat hij zich door God geroepen voelde.

Maar hoe moest hij in de Eeuwige Stad ­geraken ? In Engeland was een bloedige burgeroorlog uitgebroken tussen de aanhangers van de koning en die van het parlement. In Europa woedde volop de Dertigjarige Oorlog tussen katholieke en protestantse naties. Piraten maakten de zeeën onveilig, bandieten overvielen de reizigers te land.

Een gunstige gelegenheid deed zich voor in de persoon van pater Pierfrancesco Scarampi, de pauselijke legaat bij de Confederatie van Kilkenny. Zijn zending liep af in 1646 en hij stelde voor om op het schip richting Rome enkele studenten voor het Iers college mee te nemen. Zo ging Oliver Plunkett in december 1646 aan boord, samen met onder meer John Brennan, de toekomstige aartsbisschop van Cashel, met wie hij een levenslange vriendschap sloot.

CROMWELL, DE BEUL VAN IERLAND

In Engeland eindigde kort daarna de burgeroorlog. Het republikeinse leger onder leiding van Oliver Cromwell, lid van de protestantse sekte van de puriteinen, behaalde de eindoverwinning op de troepen van de vorst. Cromwell kreeg gedaan dat het parlement Karel I ter dood veroordeelde ; de koning werd op 30 januari 1649 onthoofd. De monarchie werd afgeschaft en de meedogenloze overwinnaar nam de teugels van de macht in handen.

De Engelse royalisten sloten daarop een bondgenootschap met de Ieren van de Confederatie. Restauratie van het koningschap, zelfbestuur voor Ierland : het hoofddoel van elk van beide partijen in de alliantie was niet hetzelfde, wat door hun gemeenschappelijke vijand zou uitgebuit worden.

Description
De puritein Cromwell, « God’s Executioner », liet in 1649 een bloedbad aanrichten in de Ierse stad Drogheda.

Cromwell nam zich voor zo snel mogelijk af te rekenen met de monarchisten en met wat hij het meest van al haatte : het paapse Ierland. Op 3 september 1649 stond hij met een troepenmacht van twaalfduizend man en elf zware kanonnen voor de middeleeuwse wallen van Drogheda, aan de Ierse oostkust. Een week later had hij de stad in handen en begon een gruwelijke slachtpartij. De tweeduizend verdedigers, die geweigerd hadden zich over te geven, werden tot de allerlaatste man over de kling gejaagd. Aan tweehonderd strijders die zich in het fort van Millmount verschanst hadden, werd beloofd dat ze gespaard zouden worden ; toen ze hun wapens afgaven, liet Cromwell hen afmaken. Een kerk waar Ierse soldaten zich verscholen, werd langs buiten gebarricadeerd en in brand gestoken. Ook meer dan achthonderd burgers werden vermoord. Elke geestelijke die men in Drogheda te pakken kon krijgen, werd doodgeknuppeld. « A righteous judgement of God », noemde de puritein zijn optreden.

De Confederatie van Kilkenny viel in chaos uiteen. Cromwells leger plunderde en verwoestte de ene stad na de andere. Overal werden de kerken en kloosters aan het vuur prijsgegeven, religieuzen werden vermoord of als slaven naar het eiland Barbados op de Antillen verscheept.

In 1652 was elk streven naar Iers zelfbestuur de nek omgewrongen. De katholieke godsdienst werd buiten de wet gesteld en op het hoofd van geestelijken werd een prijs gezet. De leider van Engeland liet het land en de bezittingen van de katholieke edelen verbeurd verklaren. Zijzelf werden gedood of verbannen naar de onvruchtbare gebieden in het westen van Ierland : « To hell or Connaught ! » was de keuze die Cromwell hen voorhield. De geconfisqueerde gronden wees hij toe aan Engelse lords, zodat uiteindelijk nog slechts 15 % van het land in Ierse handen was. Ierland was letterlijk Engels bezit geworden.

« ROMA AMOR »

Ondertussen waren pater Scarampi en zijn jonge metgezellen in maart 1647 aangekomen in Oostende, na een woelige reis met stormen en bedreiging door piratenschepen. Op weg naar Parijs vielen zij in handen van dieven die hen van alles beroofden. Gelukkig bleef verdere rampspoed hen bespaard en in de maand mei bereikten zij tenslotte de Eeuwige Stad.

Zoals veel landgenoten vóór hem vatte Oliver een grote liefde op voor Rome en voelde hij er zich heel snel thuis. De vrede en de orde die er heersten, maakten op hem een diepe indruk en de schittering van de Romeinse kerken stak sterk af tegen de soberheid van de Ierse godshuizen. De nieuwe Sint-Pietersbasiliek was net voltooid en Bernini, het grote barokgenie, was op het hoogtepunt van zijn kunnen. De jonge Ier woonde vol bewondering de indrukwekkende liturgische plechtigheden bij. Rome zou voor altijd zijn tweede vaderland zijn.

Op 1 januari 1654 werd Oliver in Rome tot priester gewijd. Zijn leermeesters waren uiterst tevreden over hem : ze beschreven hem als « een model van vriendelijkheid, integriteit en vroomheid ».

Overeenkomstig een gelofte die alle studenten aan het Iers college hadden afgelegd, moest de jonge geestelijke terugkeren naar zijn vaderland om daar zijn religieus dienstwerk te verrichten. Maar het klimaat dat in Ierland heerste, maakte dat onmogelijk : de havens werden streng bewaakt en overal liepen spionnen van Cromwell rond die een katholieke priester onmiddellijk zouden aangeven. Op aandringen van zijn oversten vroeg en kreeg Oliver daarom dispensatie.

In Rome blijven was zeker de voorzichtigste keuze. Toch kunnen we ons voorstellen dat hij er niet bijzonder fier op was, in het besef dat zijn medegelovigen in Ierland zo brutaal vervolgd werden. Daarom verklaarde hij zich schriftelijk bereid om zonder dralen naar zijn vaderland terug te keren van zodra zijn oversten het licht op groen zouden zetten.

In afwachting van die dag vervolgde Oliver zijn studies. Hij behaalde doctoraten in canoniek en burgerlijk recht en werd in 1657 benoemd tot hoogleraar theologie aan het college van de Propaganda Fide, het beroemde instituut voor de voortplanting van het geloof. In zijn vrije tijd legde hij zich toe op werken van barmhartigheid : in het hospitaal van de H. Geest verzorgde hij de zieken en de behoeftigen, van wie velen onder het ongedierte zaten ; hij waste hen en kocht op eigen kosten kleren en eten voor hen.

AARTSBISSCHOP VAN ARMAGH

Van oudsher was Ierland verdeeld in vier provincies : Munster, Leinster, Connacht en Ulster. Die indeling kwam overeen met de kerkelijke indeling in vier kerkprovincies met elk een aartsbisschoppelijke zetel. De aartsbisschop van Armagh        ( Ulster) was de primaat van Ierland.

(Klik op de afbeelding om te vergroten)

In 1658 stierf Cromwell, Lord Protector van Engeland, Schotland en Ierland. Zijn zoon volgde hem op, maar bleek niet in staat zijn gezag te handhaven : in 1660 werd de monarchie hersteld in de persoon van Karel II van het huis Stuart.

Ondanks de persoonlijke sympathieën van de koning voor het katholicisme – hij zou zich op zijn sterfbed bekeren – veranderde de situatie in Ierland niet essentieel. De kleine Engels-protestantse minderheid die het gezag over het eiland uitoefende, hield de katholieke Ieren stevig onder de knoet. Zij controleerde alle belangrijke sectoren van de economie, bezat het overgrote deel van de landbouwgrond en vaardigde alle wetten uit. Zij genoot bovendien de volledige steun van het machtige parlement in Londen, waarvoor Ierland slechts « een achterlijke kolonie » was.

De katholieke Kerk in Ierland herstelde zich maar moeizaam van de vervolging onder Cromwell. Op het eind van de jaren 1660 was er op het eiland slechts één bisschop in functie : de moedige Mgr. Patrick Plunkett, de oom van Oliver, die de zetel van Meath bekleedde. De andere bisschoppen leefden in ballingschap. Omdat de kerkelijke discipline erg leed onder het ontbreken van een hiërarchie die ter plaatse kon optreden, besliste Rome om op de vacante zetels nieuwe bisschoppen te benoemen. Zo kregen ook drie van de vier aartsbisdommen – Dublin, Cashel en Tuam – een nieuwe prelaat.

Net op dat ogenblik overleed in Frankrijk de aartsbisschop van Armagh, die tevens primaat van Ierland was. De keuze van een opvolger was uiteraard van kapitaal belang voor de toekomst van de Kerk in Ierland. Mgr. Talbot, de pas benoemde aartsbisschop van Dublin, zond Rome een lijst met drie namen.

Op 9 juli 1669 ging een vergadering van de congregatie van de Propaganda Fide door met op de agenda de aanstelling van een nieuwe Ierse primaat. Paus Clemens IX was persoonlijk aanwezig. De discussie bleek onvruchtbaar, omdat geen van de drie kandidaten over de vereiste bekwaamheden beschikte. De paus verloor zijn geduld. Het was tijdverlies, zo zei hij, om zo’n twijfelachtige kandidaturen te bestuderen terwijl er in Rome een man beschikbaar was die uitermate geknipt was voor het hoge ambt : Oliver Plunkett.

En zo werd de 44-jarige kerkgeleerde aangesteld aan het hoofd van de Kerk in Ierland. De aankondiging van zijn benoeming werd overal op lof onthaald, ook door Mgr. Talbot. Wat de consecratie van de nieuwe primaat betrof, vond de H. Stoel het onvoorzichtig om de Engelse regering uit te dagen door er een te grote publiciteit aan te geven. Daarom werd besloten dat Oliver Rome discreet zou verlaten en dat hij tijdens een privé-ceremonie in de Spaanse Nederlanden zou gewijd worden, om vervolgens naar Ierland over te steken.

Voor zijn vertrek ging Oliver nog één keer langs in het hospitaal van de H. Geest. De overste, pater Mieskow, zei hem : « Monseigneur, u staat op het punt uw bloed te gaan vergieten voor het katholiek geloof. » De aartsbisschop antwoordde : « Ik ben dat lot niet waardig, maar bid voor mij opdat het verlangen ernaar dat in mij leeft werkelijkheid mag worden. »

Cromwell nam de katholieke Ieren systematisch hun gronden af en schonk ze aan protestantse Engelsen.

TERUG NAAR HET VADERLAND

Nog maar nauwelijks had de verkozen aartsbisschop Rome verlaten of hij begon aan de lange reeks brieven en rapporten aan zijn oversten die ons zo’n duidelijk beeld geven van zijn episcopaat. Zijn wijding vond plaats in Gent, in de privékapel van de plaatselijke bisschop, op 1 december 1669. Op het einde van die maand kwam hij aan in Londen, waar hij kon rekenen op de volledige steun van de koningin ; de echtgenote van Karel II, Catharina van Bragança, was Rooms-katholiek en had het in haar huwelijkscontract vastgelegde recht op een eigen bidkapel en een priester.

Die bescherming was niet overbodig, want verschillende protestanten schreven anonieme brieven aan de koning en het hof « vol leugenachtige verhalen over de reden van mijn verblijf hier », aldus Oliver. In een van die brieven stond zelfs dat de aartsbisschop van Armagh waakte over driehonderd priesters die zich in het koninklijk paleis verborgen hadden en die elke nacht in Londen rondtrokken om bekeerlingen voor de paus te maken !

Description
Karel II van Engeland was gehuwd met een Portugese, de katholieke Catharina van Bragança.
De vorst bekeerde zich tot het Roomse geloof op zijn sterfbed.

In maart 1670 zette Oliver Plunkett dan eindelijk terug voet op Ierse bodem, na een afwezigheid van 23 jaar. Hij werd in Dublin hartelijk verwelkomd, niet in het minst door zijn oude oom, de bisschop van Meath. In zijn eigen aartsbisdom, dat het hele noorden van het eiland omvatte, ontving de clerus hem echter heel terughoudend. Had hij geen gemakkelijk leventje in Rome geleid terwijl de Ierse geestelijkheid onder het juk van Cromwell gebukt ging ? En was hij niet afkomstig uit Meath, een bolwerk van de aloude Normandisch-Ierse aristocratie die wel overtuigd katholiek was, maar die de koning van Enge­land als haar legitieme vorst beschouwde ? Dat op een religieuze overste zo’n felle kritiek werd geuit, was een gevolg van de troebelen en het langdurig ontbreken van een hiërarchie : de geestelijkheid was volkomen vrijgevochten en pratikeerde nog nauwelijks de godsdienstige gehoorzaamheid.

Het was duidelijk dat Oliver met veel tact moest te werk gaan om aanvaard te worden. Maar het lukte hem : nauwelijks een half jaar na zijn aankomst schreven de vicarissen-generaal van zes bisdommen een gezamenlijke brief naar Rome om de paus te danken voor zo’n illustere primaat, « zo onvermoeibaar in de goede werken die hij verricht en zo voorbeeldig in zijn levenswandel en acties ».

Mgr. Plunkett werd in zijn vaderland geconfronteerd met een Kerk die voor de helft in puin lag. Hij aarzelde echter niet om de hand aan de ploeg te slaan en met de heropbouw te beginnen.

Om de kerkelijke discipline te herstellen bond de aartsbisschop allereerst de strijd aan met de dronkenschap, een ondeugd die jammer genoeg erg verspreid was onder de Ierse clerus. Maar de visitaties die hij in zijn bisdommen ondernam, confronteerden hem met een nog groter kwaad : het « praemunire ». Het ging om een oude wet die het geestelijke oversten die hun gezag van de paus ontvangen hadden quasi onmogelijk maakte ondergeschikten te sanctioneren. Een bisschop die bv. een onwaardige pastoor wou afzetten, maakte zich schuldig aan wetsovertreding en kon door de betrokkene voor het gerecht gebracht worden met het risico op gevangenisstraf ! Het praemunire betekende dus een vrijgeleide voor elke priester die het niet nauw nam met de zeden en de discipline...

Zo was er de apostolisch vicaris van Derry, Terrence O’Kelly. Ondanks zijn schandalige levenswijze waren alle pogingen om hem uit zijn ambt te ontzetten mislukt, want zijn aanklagers waren de een na de ander in de gevangenis beland. De twee voorgangers van de aartsbisschop hadden de man in kwestie uit schrik ongemoeid gelaten, maar Oliver Plunkett was van een ander kaliber. Hij trok naar Derry, riep de volledige geestelijkheid samen en kondigde plechtig de afzetting van O’Kelly aan. Daarop werd hij inderdaad aangeklaagd voor de burgerlijke rechtbank, maar het tribunaal van de gouverneur van Ulster – een persoonlijke vriend van de primaat – greep in en verklaarde de klacht van O’Kelly onontvankelijk.

Ook de vicekoning van Ierland, Lord Berkeley, die een katholieke echtgenote had, was Oliver goedgezind. Die maakte dankbaar gebruik van het gunstig klimaat : « Het is nu het moment om goed werk te verrichten, zolang de vicekoning aan onze kant staat. We moeten het voorbeeld van de zeelieden volgen : als er een gunstige wind waait, ontplooien ze alle zeilen en koersen ze voort over de oceaan. [...] Ik zal alles doen wat in mijn macht ligt voor onze geestelijke belangen, vooral de opleiding van de clerus en zijn vorming op wetenschappelijk en theologisch vlak. »

EEN RACE TEGEN DE KLOK

De vier eerste jaren van het episcopaat van Oliver Plunkett, van 1670 tot 1673, waren jaren van een buitengewoon grote activiteit. De aartsbisschop was er zich van bewust dat de toekomst van Ierland onvoorspelbaar was en dat het tij snel kon keren. Er moest dus zonder dralen werk verzet worden !

Omdat er in de periode van de vervolging nagenoeg geen hiërarchie was geweest, hadden veel Ierse katholieken nooit het vormsel ontvangen. Mgr. Plunkett diende in al zijn diocesen persoonlijk het sacrament toe : een gigantische opdracht, gelet ook op de geweldige afstanden en de onherbergzaamheid van veel gebieden. Hij besteedde uiterste zorg aan alle benoemingen, waarvoor hij altijd de meest bekwame kandidaat koos... na hem grondig op het rooster gelegd te hebben. Hij hield diocesane synoden en een provinciaal concilie in de stad Clones, waarop tal van nuttige decreten afgekondigd werden. De jezuïeten werden door hem naar Armagh geroepen om zich bezig te houden met de opvoeding van de jeugd en de dringend noodzakelijke vorming van priesters. Ook de verarmde adel kwam hij te hulp. Na van hun bezittingen beroofd te zijn, waren velen vogelvrij verklaard en waren zij van de weeromstuit een gewelddadig bestaan gaan leiden. Oliver Plunkett overtuigde hen ervan om hun leven te veranderen en bekwam voor hen amnestie.

Uiteraard zagen de Engelse protestanten in Ierland dat alles met lede ogen aan. Vooral de aanwezigheid van de Sociëteit van Jezus, voor wie Oliver een schoolgebouw aangekocht had in Drogheda, was hen een doorn in het oog : de stad lag op slechts vier uur paardrijden van Dublin, waar katholieke scholen streng verboden waren. De druk van de antikatholieken op de tolerante vicekoning nam toe, maar hij bleef de aartsbisschop van Armagh steunen door dik en dun.

Oliver zag de versterking van de band met Rome als een essentiële voorwaarde voor de heropleving van de Kerk in Ierland. Hij bekampte het streven van sommigen van zijn priesters naar een grotere zelfstandigheid van de nationale Kerk als een vorm van (Frans) “ gallicanisme ”. Daarom drong hij er in Rome op aan dat hij een aantal beloftevolle jonge geestelijken naar het college van de Propaganda zou mogen sturen : « Ik vraag met aandrang de toestemming om een half dozijn van mijn jonge priesters te mogen zenden, uitgekozen onder de meest bekwame, opdat zij onderricht zouden worden op dat college. Zo zou mijn beproefde kerkprovincie Ulster bekwame mannen kunnen krijgen voor het bestuur. » En hij voegde er een dringende waarschuwing aan toe : « Als u mij deze gunst niet schenkt, zullen wij weldra zonder leiders en zonder herders zijn en zullen de wolven onze kudde verscheuren. »

OP DE VLUCHT IN VOLLE WINTER

Oliver Plunkett had maar al te zeer gelijk. In 1672 werd Lord Berkeley vervangen als vicekoning door de anglicaans gezinde graaf van Essex. Het jaar daarop raakte in Londen bekend dat de broer en vermoedelijke troonopvolger van de koning, de hertog van York, zich in het geheim bekeerd had tot het katholicisme. Het Engelse parlement was in alle staten : de hertog moest zijn ambt van vlootadmiraal neerleggen en Karel II werd gedwongen tot verstrenging van de antipapistische wetten.

Description
Het hoofd van de martelaar wordt bewaard in een schrijn in St Peter’s Church in Drogheda.

Essex haastte zich om ook in Ierland maatregelen tegen de katholieken te nemen. Hij vaardigde een edict uit dat alle katholieke scholen en religieuze huizen sloot en de verbanning uitsprak tegen alle bisschoppen, vicarissen-generaal én de reguliere clerus van het land. De getroffenen moesten zich laten registreren in een van de aangeduide havens en daar wachten op een schip naar een verbanningsoord.

Het was een klap die kon tellen. Oliver besloot echter zich niet te laten registreren. Voor de eerste keer overtrad hij openlijk de wet. Tot dan toe had hij kunnen rekenen op zijn persoonlijke contacten, het aanzien van zijn familie en de tolerantie van het protestants bestuur in zijn vaderland, maar nu stond hij oog in oog met een onverzoenlijke vijand. Aan zijn medebisschoppen schreef hij dat ze stand moesten houden en hun kudde niet in de steek mochten laten ; ze dienden het voorbeeld te volgen van de bisschoppen uit de eerste drie eeuwen van het christendom door zich in een of andere uithoek van hun district terug te trekken en daar het overwaaien van de storm af te wachten. Hijzelf was van plan « een hutje ergens in de bergen van mijn diocees op te zoeken, met een voorraad boeken en kaarsen... »

Halverwege december bereikte hij zijn onderkomen ; de bisschop van Waterford, Mgr. Brennan, kwam hem daar vervoegen. « Het dak van stro is zo slecht gelegd dat we vanop onze slaapstee de sterren kunnen zien en dat onze kussens bij de minste regenbui doorweekt zijn. Maar we zijn vastbesloten van de honger en de koude te sterven liever dan onze schapen in de steek te laten ! » De meeste katholieke gelovigen durfden hun bisschoppen niet helpen, uit schrik hun schamele bezittingen te moeten afstaan en opgesloten te worden.

In januari 1674 verscheen een nieuwe verordening van Essex : de wet tegen de katholieke clerus moest in al zijn gestrengheid toegepast worden. Spionnen werden op pad gestuurd om de bisschoppen die zich nog niet aangemeld hadden en de voortvluchtige monniken uit hun schuilplaatsen te jagen.

Toen Oliver het nieuws vernam, besloot hij zich met zijn medebisschop uit de voeten te maken. Op de feestdag van de Stoel van Sint-Petrus begonnen zij hun zware tocht. Het sneeuwde overvloedig en er vielen felle hagelbuien ; een ijskoude noordenwind geselde hun gelaat. Meer dan eens liepen ze verloren, tot ze uiteindelijk het huis bereikten van een man die hen binnenliet omdat hij zo arm was dat hij niets meer te verliezen had... « God zij geloofd », schreef de aartsbisschop aan Rome, « omdat Hij ons de gunst schenkt te mogen lijden voor de Stoel van Petrus en dan nog wel op de feestdag ervan. Deze Stoel blijft onwankelbaar staan op zijn rots en zal uiteindelijk – daar hoop ik vast op – het geweld van de ontketende golven breken. » Het wedervaren ondermijnde echter voorgoed de toch al wankele gezondheid van de primaat.

En weer trad er een periode van relatieve kalmte in. Het Engelse parlement had andere katten te geselen, zodat bisschoppen en monniken stilletjes konden terugkeren naar hun woonplaats. Maar de katholieke school van de jezuïeten in Drogheda bleef gesloten, waardoor de Kerk in Ierland verstoken bleef van goed opgeleide jonge priesters.

HET « PAAPS COMPLOT »

Engeland was in die periode het toneel van een zeer bizar gebeuren dat de geschiedenis zou ingaan als de « Popish Plot » en dat tot de ondergang van Mgr. Plunkett zou leiden.

Koning Karel II en het parlement stonden al geruime tijd op gespannen voet met elkaar inzake de godsdienstpolitiek. Onder invloed van zijn vrouw en zijn broer was de vorst gewonnen voor tolerantie tegenover de katholieken. De protestantse meerderheid in het parlement daarentegen had in 1673 de Test Act gestemd : iedereen die een openbaar ambt bekleedde, moest schriftelijk verklaren niet in de transsubstantiatie te geloven en diende deel te nemen aan het Avondmaal volgens de anglicaanse ritus.

De vijanden van de koninklijke politiek vonden een intelligente en weinig scrupuleuze leider in de invloedrijke Lord Shaftesbury. Om het gezag van Karel II te ondermijnen besloot deze politicus de antikatholieke vooroordelen van de grote massa van de Engelsen te bespelen om hen op te zetten tegen de monarch en zijn familie. Daartoe bedacht hij een duivels plan...

Begin 1676 arriveerde in Londen een jonge vagebond die al geregeld in aanvaring was gekomen met het gerecht, een zekere Titus Oates. Hij leefde in zo’n miserabele omstandigheden dat enkele brave katholieken in de hoofdstad zich over hem ontfermden. Oates gaf hen te kennen dat hij zelf katholiek wou worden ; hij werd in de Kerk ontvangen in maart 1677. Daarop beweerde hij zich geroepen te voelen tot de Sociëteit van Jezus en slaagde hij er in om toegelaten te worden tot de middelbare school van de Engelse jezuïeten in Saint-Omer (toen in de Spaanse Nederlanden). Na een half jaar zette men hem daar aan de deur, omdat men hem totaal ongeschikt vond om een volgeling van Sint-Ignatius te worden.

Het was vanwege Oates allemaal opgezet spel. Hij had nu voldoende kennis opgedaan over zijn beoogde slachtoffers, de jezuïeten, en zette zich aan het schrijven van een tekst over een ingebeeld papistisch complot tegen de koning. Via Lord Shaftesbury kwam dat document terecht bij de koninklijke Raad. Oates werd opgeroepen en herhaalde al zijn leugens, nog wat aangedikt volgens de inspiratie van het moment : de jezuïeten wilden Karel II vermoorden en zijn katholieke broer op de troon plaatsen ; de protestantse godsdienst zou verboden worden, de leiders ervan ter dood gebracht ; in Ierland werd een leger van veertigduizend man op de been gebracht om, met de hulp van een Franse troepenmacht, Engeland voorgoed terug uit te leveren aan de paapse religie.

De complottheorie kreeg de wind nog meer in de zeilen toen een protestantse Londense magistraat vermoord werd aangetroffen : zonder enig bewijs schoof Oates de aanslag in de schoenen van de volgelingen van Sint-Ignatius. Er maakte zich nu een ware hysterie van de Engelsen meester. Overal zag men verdachten of vermoedde men katholieke samenzweringen. Oates werd gehuldigd als een ware held ; hij kreeg een suite in het paleis van Whitehall en een rijkelijke vergoeding. Meteen verschenen overal “ getuigen ” die beweerden ook belastende informatie te hebben, in de hoop een graantje van het succes van de complotbedenker te kunnen meepikken.

Het resultaat was een fanatieke vervolging van al wie katholiek was die drie jaar zou aanhouden. Iedereen die ervan verdacht werd “ paaps ” te zijn, werd uit Londen verdreven en moest op 16 km van de stad blijven. Er volgde een reeks processen die leidden tot de executie van een groot aantal onschuldigen. Negen jezuïeten werden opgehangen, twaalf stierven in de gevangenis.

Oates, niet meer dan een marionet in de handen van Shaftesbury, verklaarde vervolgens dat de koningin zinnens was haar man te vergiftigen. Karel II ondervroeg de bedrieger persoonlijk, betrapte hem op tegenspraken en leugens en beval zijn arrestatie. Maar het oppermachtige parlement dwong de vorst Oates terug vrij te laten. Meer nog, Karel moest zijn broer in ballingschap sturen en de terdoodveroordeling van loyale ambtenaren ondertekenen.

DE ARRESTATIE VAN « MR. MELEADY »

In Ierland werd de aartsbisschop van Dublin, Mgr. Talbot, in hechtenis genomen en verbannen : Oates had zijn naam genoemd. Oliver Plunkett vreesde dat hem hetzelfde lot te wachten stond. Zijn vermoeden kwam uit toen in het voorjaar van 1679 een arrestatiebevel naar de Ierse vicekoning gestuurd werd ; de aartsbisschop van Armagh werd verdacht van medewerking aan het plan om een Frans invasieleger naar Ierland te laten overkomen.

Oliver had zich verscholen in een dorpje ten noorden van Dublin. Hij had baard en snor afgesneden, droeg een pruik en noemde zich Mr. Meleady. Ondanks die voorzorgsmaatregelen werd hij echter in december 1679 herkend, aangehouden en opgesloten in het kasteel van Dublin. Al zijn papieren werden zorgvuldig onderzocht, maar men vond niets dat belastend was.

Op dat moment realiseerde Oliver zich nog niet ten volle wat hem te wachten stond. Hij vermoedde dat men hem zou verbannen naar het vasteland. Pas na verloop van tijd werd het hem duidelijk dat men van hem de hoofdverantwoordelijke voor het Ierse luik van het « paaps complot » wou maken. Shaftesbury en Oates hadden agenten uitgestuurd om op zoek te gaan naar belastende getuigen tegen de aartsbisschop ; drie geestelijken van zijn eigen diocees hadden zich al als judassen aangediend, uit wraak omdat ze indertijd door Mgr. Plunkett wegens wangedrag uit hun functie ontzet waren.

De vicekoning van Ierland besloot dat het proces tegen de aartsbisschop eind juli 1680 zou doorgaan in Dundalk, een stadje gelegen tussen Dublin en Belfast. Oliver beschrijft zelf de gebeurtenissen :

« Op 23 en 24 juli moest ik verschijnen voor het hof. Een lange lijst aanklachten werd voorgelezen, maar McMoyer [een van de drie judassen, een franciscaan] liet zich de 24ste niet zien om de beschuldigingen te bevestigen en te antwoorden op mijn verdediging. Ik had 32 getuigen, priesters, religieuzen en leken, die allemaal bereid waren om te weerleggen wat die broeder onder ede verklaard had, namelijk dat ik 70.000 katholieken bij de hand had om alle protestanten te vermoorden en hier [opnieuw] de Roomse godsdienst en het “ papistisch bijgeloof ” te vestigen ; dat ik agenten had gestuurd naar verschillende koninkrijken om hulp te verkrijgen ; dat ik de Ierse forten en zeehavens had bezocht en aan een grondig onderzoek onderworpen ; en dat ik in 1678 een provinciaal concilie had gehouden met de bedoeling de Fransen in Ierland binnen te laten. »

Oliver besefte dat de beschuldigingen konden leiden tot de doodstraf, maar hij was er gerust in dat geen enkele jury in Ierland – ook al had de aanklager gedaan gekregen dat er geen katholieken in mochten zetelen ! – hem schuldig zou verklaren aan de opgesomde absurditeiten.

Jammer genoeg voor Oliver gaf ook Lord Shaftesbury zich daar rekenschap van. Hij stelde alles in het werk om het proces in Londen te doen doorgaan. De Ierse vicekoning protesteerde tegen dat manoeuvre, dat volkomen onwettelijk was omdat het ging om “ misdaden ” in Ierland begaan. Maar Shaftesbury trok aan het langste eind : eind oktober werd Oliver Plunkett op een schip met bestemming Engeland gezet en vijf dagen later belandde hij in de gevangenis van Newgate, in Londen.

TER DOOD VEROORDEELD

De aartsbisschop verbleef zes maanden in eenzame opsluiting in een cel, van oktober 1680 tot mei 1681. Het was een van de koudste winters sinds mensenheugenis. De vuiligheid in de gevangenis was met geen woorden te beschrijven, het karige voedsel was niet te eten en zware kettingen omknelden Olivers benen. Zijn gezondheid ging snel achteruit en zijn haar werd wit als sneeuw.

Description
De stoffelijke resten van Oliver Plunkett werd in 1683 in het geheim opgegraven en overgebracht naar de benedictijnerabdij van Lamspringe in Duitsland, waar ze plechtig in de crypte begraven werden. Op de feestdag van de heilige worden zijn relieken daar in processie door de stad gedragen.

Het was voor hem de tijd van de ultieme beproeving en zuivering, waaruit hij sterker zou oprijzen. Het was Gethsemane in afwachting van Calvarië. De innerlijke deugden waarvan hij blijk gaf, weerspiegelden de omvorming van zijn ziel : nooit tevoren waren zijn eenvoud, nederigheid en zelfvergetelheid zo groot geweest, nooit tevoren was hij zo nauwgezet geweest in het zich onderwerpen aan de wil van anderen. In die vochtige cel, tijdens die lange weken en maanden van onafgebroken gebed en vrijwillige boetedoening, bereikte hij het vermogen om de marteldood geheel en al te aanvaarden.

Terwijl de aartsbisschop op zijn proces wachtte, werkten Shaftesbury en Oates koortsachtig aan hun dossier. Ze hadden getuigen nodig en kregen die ook : ongure types die uit waren op een geldelijke beloning of kwijtschelding van de straf voor hun wandaden. Ze moesten in staat zijn om een verhoor te doorstaan en hun tussenkomst werd daarom tot in de puntjes voorbereid en uit het hoofd geleerd...

Op 3 mei verscheen Oliver voor de eerste keer voor de koninklijke rechtbank. De rechters bepaalden dat het proces zou aanvangen op 8 juni. De gevangene voerde de onwettelijkheid aan van een proces in Londen voor feiten gepleegd in Ierland : dat werd verworpen, net zoals een ruimere voorbereidingstijd om de getuigen à décharge te laten overkomen en het mogen zien van een priester...

Toen Oliver Plunkett op 8 juni 1681 voor het hof in Westminster Hall verscheen, stond hij er helemaal alleen voor, zonder advocaat en zonder getuigen ten gunste. Zoals zijn biograaf treffend opmerkt : het gerecht ontplooide bij die gelegenheid al zijn pracht en praal, het enige wat ontbrak was de gerechtigheid zelf... Drie opperrechters zaten de zitting voor. Er waren niet minder dan vijf aanklagers. De leden van de jury waren uitgekozen door agenten van Shaftesbury en het Engelse volk was vertegenwoordigd door het gepeupel van Londen, dat men aangeleerd had de beschuldigde te beschimpen.

De zes eerste getuigen à charge waren slechts bijkomstige figuren ; ze spraken van vage geruchten over complotten en geheimzinnige bijeenkomsten, met de bedoeling dat zo een samenzweerderige sfeer geschapen werd. Belangrijker waren de drie Ierse geestelijken die bereid gevonden waren om de aartsbisschop vals te beschuldigen.

De eerste was de franciscaan Hugh Duffy, die het in geuren en kleuren had over onderhandelingen die Mgr. Plunkett zou gevoerd hebben en brieven waarin hij geld vroeg voor zijn rebellenleger. Toen de beschuldigde hem vroeg die brieven te tonen, antwoordde Duffy uit de hoogte : « Ik had ze kunnen meebrengen, maar ik dacht dat het de moeite niet waard was. »

Edmund Murphy, een voormalige pastoor uit Armagh, was een ander geval. Hij begon met zijn uit het hoofd geleerd verhaal over de geplande opstand, maar toen hij Oliver in de ogen keek en zag hoe de primaat al door de dood getekend was, bleven de woorden in zijn keel steken. Hoe de aanklagers ook hun best deden, Murphy kon enkel stamelen : « Ik herinner het mij niet meer... » Waarop de Lord Chief Justice reageerde : « Het is evident dat de katholieken erin geslaagd zijn hem om te kopen ! »

Gelukkig kon John McMoyer, een andere franciscaan, de gebroken potten lijmen. Zonder enige aarzeling vertelde hij over verzonnen gesprekken met de aartsbisschop en brieven die deze zogezegd geschreven had. Even werd hij in het nauw gebracht toen Oliver Plunkett wees op het crimineel verleden van McMoyer, maar de aanklagers schoten de verrader ter hulp en wuifden de beschuldiging weg als niet ter zake.

De jury had slechts een kwartier nodig om het “ schuldig ” uit te spreken. Oliver werd terug in de gevangenis gegooid in afwachting van zijn executie. Alleen de koning kon hem nog genade verlenen. Maar als een nieuwe Pilatus durfde Karel II geen enkele beklaagde in het « paaps complot », van wie hij maar al te goed de onschuld besefte, op vrije voeten stellen.

DE GALG VAN TYBURN

Description
Vastgebonden op een raam wordt Oliver Plunkett naar Tyburn gevoerd om er een gruwelijke marteldood te sterven.

Op 15 juni moest de veroordeelde voor de laatste keer voor het hof verschijnen. Bij die gelegenheid viel de Lord Chief Justice het geloof van Oliver Plunkett fel aan :

Lord Chief Justice : « Meneer [sic] Plunkett, u bent gearresteerd voor een zeer grote en hatelijke misdaad, de grootste en meest hatelijke van alle misdaden : die van hoogverraad. Ja, waarlijk, uw verraad is van de hoogste graad, want het is een verraad tegen God, uw Koning en het land waar u geleefd heeft. U hebt al het mogelijke gedaan om uw God in deze zaak te onteren, want de basis van uw verraad was uw wil om uw valse godsdienst op te leggen ; en er is niets dat God meer irriteert en verderfelijker is voor het mensdom dan uw godsdienst, die tien keer erger is dan alle vormen van heidens bijgeloof samen... »

Mgr. Plunkett : « Staat u me toe, Monseigneur, om een woord te zeggen ? Als ik in deze zaak geen zorg zou dragen voor mijn geweten, als ik niet de almachtige God, de Hemel en de hel in gedachten zou hebben, dan had ik mijn leven kunnen redden. Want dat werd mij voorgesteld door verschillende personen hier aanwezig, maar dan zo dat ik, door mijn schuld te erkennen, anderen zou aangeklaagd hebben. Welnu, ik zou liever tienduizend keer sterven dan wie dan ook vals te beschuldigen. En de tijd zal komen dat u zal zien wie die mensen werkelijk zijn die tegen mij zijn komen getuigen. Ja, ik kan uwe hoogheid verzekeren : als ik een man zonder principes was geweest, dan had ik gemakkelijk mijn leven kunnen redden... »

Lord Chief Justice : « Het spijt me te moeten vaststellen dat u volhardt in de principes van die valse godsdienst. »

Mgr. Plunkett : « Het zijn de principes van de almachtige God, Hij kan er ons niet van vrijstellen. »

Daarop maakte de rechtbank de straf van de Ierse primaat bekend. Hij zou doorheen de stad op een houten raam naar de sinistere driehoeksgalg van Tyburn gesleept worden, waar twintig mensen tegelijk konden opgehangen worden en waar onder Elizabeth I en Cromwell al veel katholieke geestelijken geëxecuteerd waren. Daar zou hij de vreselijke procedure voor hoogverraad moeten ondergaan die bekend staat als “ hangen, trekken en vierendelen ” : opgeknoopt tot vlak voor het sterven, daarna « levend opengesneden, uw geslachtsdelen afgesneden en in het vuur geworpen, uw ingewanden vóór u verbrand, uw hoofd afgehakt, uw lichaam gevierendeeld en de stukken verspreid volgens de wil van de koning ».

Het verzoek van de terdoodveroordeelde om een priester werd opnieuw afgewezen. Wel mocht een bediende hem de laatste dagen in zijn cel gezelschap houden.

Die laatste dagen bracht Oliver Plunkett door in innerlijke vrede en geestelijke vertroosting. Veel vrienden, ook Engelse katholieken, brachten hem een bezoek. « Zij dachten hem te sterken », schrijft zijn biograaf, « maar werden veeleer zelf door de gevangene gesterkt. » Dankzij de bediende kon de aartsbisschop corresponderen met een medegevangene, pater Corker. Het was aan hem dat Oliver de dag voor zijn executie zijn laatste brief schreef, waarin zijn zorg uitging naar zijn medegelovigen die zo bitter vervolgd werden :

« Ik hoop dat u de kans krijgt om aan al mijn weldoeners te zeggen dat ik mij hen zal herinneren voor heel de eeuwigheid en dat ik voor hen zal bidden tot zij ook zelf aankomen daar waar ik weldra hoop heen te gaan ; dan zal ik hen bedanken in aanwezigheid van de Opperste Heer. Zij verdienen alle lof in deze wereld en, bij de genade Gods, een glorierijke kroon in de andere wereld. Ik twijfel er niet aan dat hun geloof, hun naastenliefde en hun goede werken waarde zullen hebben bij onze Verlosser en dat er weldra een einde zal komen aan deze vervolging, zodat de ongerechtigheid van velen spoedig weggenomen zal worden.

« Mocht de wil van God geschieden ! Fiat, fiat ! Ik smeek mijn Verlosser om alle katholieken volharding te schenken in het geloof en de werken. En ik smeek Hem mij de genade te gunnen om morgen daar te zijn waar ik voor hen kan bidden, niet meer tastend, maar van aangezicht tot Aangezicht. »

Op 1 juli 1681, zijn dies natalis, werd de Ierse prelaat naar Tyburn gevoerd. Aan de voet van de galg sprak hij het samengestroomde volk toe. Hij vergaf de geestelijken die hem vals beschuldigd hadden en zijn onrechtvaardige rechters. Zijn laatste woorden waren niet meer voor de aarde, maar voor de hemel : « Ik smeek uw goddelijke Majesteit, door de verdiensten van Christus en de voorspraak van zijn heilige Moeder, de heilige engelen en alle heiligen, om mijn zonden te vergeven en mijn ziel de eeuwige rust te schenken. “ Miserere mei Deus... ” »

Zo stierf Oliver Plunkett, martelaar voor de katholieke zaak. Een Engelse jezuïet schreef in een rapport aan Rome : « Iedereen is het er over eens dat dit onschuldig slachtoffer een grote weldaad aan Engeland bewezen heeft en nog altijd bewijst, niet alleen tot stichting van de katholieken, maar meer nog door de wijziging die hij teweegbrengt in de ideeën en gevoelens van veel protestanten. Zij beginnen al die samenzweringen als schadelijke inbeelding te beschouwen en men mag stellig geloven dat de vruchten die door zijn bloed voor Engeland verkregen zijn hiermee niet zullen ophouden. »

Laten wij tot de H. Oliver Plunkett bidden opdat zijn marteldood het Verenigd Koninkrijk mag doen terugkeren in de schoot van de katholieke Kerk !

redactie KCR
Hij is verrezen ! nr. 102, november-december 2019