Een heiligverklaring is niet onfeilbaar

Paulus VI creëerde Karol Wojtyla in 1967 tot kardinaal.

EEN heiligverklaring (of een zaligverklaring) is geen onfeilbare pauselijke uitspraak, om verschillende redenen. Zeker, er zijn theologen geweest die beweerd hebben dat dit wel zo was ; zelfs paus Benedictus XVI heeft het geschreven en er zijn tegenwoordig “traditionele” geestelijken die het verkondigen en zo de gelovigen op een dwaalspoor brengen. Ze hebben ongelijk, ze vergissen zich.

Toen het Eerste Vaticaans Concilie (1870-1871) de pauselijke onfeilbaarheid definieerde, omlijnde het nauwkeurig het domein waarop die onfeilbaarheid geldt : het gaat om een plechtige uitspraak van het pauselijk leergezag met betrekking tot het geloof of de moraal.

Een heiligverklaring valt daar niet onder omdat het niet gaat om het definiëren van een leerstellige waarheid inzake geloof en moraal. Ze maakt geen deel uit van de apostolische openbaring, dat wil zeggen van de geloofsschat die alle waarheden bevat die Jezus Christus heeft geopenbaard en die voltooid werd bij de dood van de laatste apostel. Een zalig- of heiligverklaring is van een heel andere aard : het is een uitspraak die volgt op een historisch proces met betrekking tot gebeurtenissen die niet behoren tot de apostolische openbaring. Door zijn materie zelf kan het proces tot heiligverklaring van een dienaar Gods dus niet leiden tot een onfeilbare uitspraak.

Bovendien is het onderzoek tijdens een historisch proces feilbaar : men kan altijd vergissingen begaan. Het onderzoek kan tekort geschoten zijn of zelfs van bedrieglijke aard zijn. Het is altijd mogelijk dat men achteraf nieuwe getuigen of documenten vindt die de heldhaftigheid van de deugden van een dienaar Gods in vraag stellen. Dat is ook de reden dat Rome bij een zalig- of heiligverklaring vroeger altijd met de grootste zorg tewerk ging en werkelijk alles grondig uitspitte.

In 1983 werd de procedure voor de zalig- en heiligverklaringsprocessen echter hervormd en vereenvoudigd : de nieuwe regels geformuleerd door paus Joannes-Paulus II in Divinus perfectionis magister hebben de deur geopend voor alle mogelijke misbruiken.

Om de oude regels te kennen moet men teruggrijpen naar de Dictionnaire de théologie catholique, artikel Canonisation, kol. 1643-1644. Dan stelt men de essentiële rol vast van de "advocaat van de duivel", officieel de promotor fidei, die tot doel had de heiligverklaring van een kandidaat te weerspreken door ontkrachtende bewijzen te verzamelen en voor te dragen. Sinds de hervorming van Joannes-Paulus II is de functie van die advocaat van de duivel zo goed als volledig uitgehold : de debatten pro en contra de heiligverklaring van een kandidaat – waarbij dus de argumenten tegen een kandidaat uiteengezet werden – zijn eigenlijk verdwenen uit de procedures.

Verschillende oudgedienden van dergelijke processen waren erdoor gealarmeerd. Mgr. Luigi Porsi, die twintig jaar ervaring had met het juridisch systeem van de Kerk, vond dat de hervorming veel te ver ging : « Er is geen plaats meer voor een tegenspreker », luidde zijn klacht in een brief aan Joannes-Paulus II die zonder antwoord bleef (Kenneth L. Woodward, Making Saints : How the Catholic Church Determines Who Becomes a Saint, Who Doesn’t, and Why, New York 1992).

Vroeger maakte de theologale deugd van het geloof het voorwerp uit van een zeer streng onderzoek ; als op dat vlak twijfel rees, leidde dat automatisch tot de definitieve opschorting van het zaligverklaringsproces : « Om een zaak van heiligverklaring voorgoed te beëindigen is het zelfs niet noodzakelijk dat de werken van de dienaar Gods formele dwalingen tegen de dogma’s of de moraal bevatten ; het volstaat dat men er verdachte nieuwlichterijen, frivole kwesties of bijzondere opinies tegengesteld aan het onderricht van de kerkvaders en het gemeenschappelijk aanvoelen van de gelovigen [de sensus fidei] in terugvindt opdat de voortgang van een zaak definitief stopgezet wordt » (D. T. C., art. Canonisation, kol. 1644).

De heiligverklaring – volgens de nieuwe procedure – van de pausen Paulus VI en Joannes-Paulus II heeft uiteraard alles te maken met het Tweede Vaticaans Concilie : door deze Opperherders tot de eer van de altaren te verheffen hoopt men Vaticanum II zelf een aureool van heiligheid te geven en zo het onderricht ervan door te drukken, ondanks het feit dat het om een pastoraal en geen dogmatisch concilie ging. Men beweert dat door de heiligverklaring van de genoemde pausen al hun gesproken en geschreven onderricht automatisch dezelfde onfeilbaarheid gekregen heeft als het plechtig en buitengewoon leergezag ex cathedra. Dat houdt totaal geen steek, omdat tijdens de respectievelijke processen geen rekening gehouden werd met de formele aanklachten tegen dit onderricht geformuleerd door abbé de Nantes in zijn Libri accusationis I, II en III. Het negeren van die Aanklachtenboeken is een ernstige vorm van onregelmatigheid en plichtsverzuim... maar zal omgekeerd een belangrijk argument zijn voor de kerkelijke rechters die op een dag in de toekomst die heiligverklaringen teniet zullen doen !

redactie KCR