23 FEBRUARI 2025

De sublieme leer van het christendom

IN het Jeruzalem van de jaren 30 bestond er een gemeenschap zoals er nooit één gezien was in het Oude Testament, laat staan in de heidense wereld. Ze bestond uit «zij die met Jezus waren» (Hd 4, 13), zijn apostelen, een paar heilige vrouwen en zijn Moeder, verder een klein aantal leerlingen dat al snel aangroeide. Dit was het begin van de grote katholieke Kerk. Ze wordt gedefinieerd door slechts een paar woorden: trouw aan de gemeenschap tot in de vervolging toe.

Die vervolging breekt plots uit in het vierde hoofdstuk van de Handelingen en bereikt een  hoogtepunt in het zesde en zevende hoofdstuk met het martelaarschap van Sint-Stefanus. Intern is er dus de gemeenschap en aan de buitenkant de vervolging, die overigens opgezet wordt door de joodse autoriteiten. De ziel van deze gemeenschap is de Persoon van de H. Geest en het hoofd ervan is de Persoon van Jezus, «de Mensenzoon». Hij is er het fundament van, het beginsel, de onuitputtelijke bron. In dezelfde Persoon manifesteren zich de goddelijke kracht en de menselijke zwakheid, het sterfelijke falen en de onsterfelijke overwinning van deze Koning, het Kruis maar ook de Verrijzenis.

Wat het “christendom” onderscheidt van elke gnose en ideologie is dat het vastgehecht is aan een sterfelijk lichaam, aan een historisch menselijk wezen, aan zijn leven en aan zijn aardse bestemming, terwijl het zichzelf tegelijkertijd voorstelt als universeel, katholiek, definitief en  “eschatologisch”, want aan het begin van de «laatste tijden». Het staat in de tijd en heerst over alle tijden, het is geworteld in het vlees en helemaal geestelijk, het is zichtbaar met daarin het onzichtbare. Het Koninkrijk dat is Jezus Christus, die aan het begin was en die ook aan het einde is, die aan het einde van de tijden zal terugkeren om alles te vervolmaken (Hd 1, 11).

In afwachting van de wederkomst van de Heer moeten de apostelen alle volkeren tot zijn leerlingen maken en hun een sublieme leer verkondigen in opdracht van een soevereine liefde van God, een liefde die zo waar en zo sterk is dat zij heel het denken, willen en doen van de zonen van het Koninkrijk stuurt... Het is de liefde van een God die als het ware nieuw is of in ieder geval toch nieuw geopenbaard in zijn ultieme Aanschijn, dat van een liefdevolle en barmhartige Vader, die de bozen vergeeft en goed doet aan hen die Hem beledigen. Een verrassende en overweldigende openbaring... Een openbaring die alle andere zogenaamde “godsdiensten”, die helemaal geen “godsdiensten” zijn, naar de vergetelheid verwijst.

Hieruit vloeit in de leerlingen van Christus een onvoorwaardelijke liefde over, naar het beeld en de gelijkenis van God, een naastenliefde die bestaat uit onvoorwaardelijke vergeving en grenzeloze barmhartigheid: «Als iemand u op de ene wang slaat, keer hem ook de andere toe; en als iemand uw bovenkleed van u afneemt, belet hem niet ook uw onderkleed te nemen. Geef aan ieder die u iets vraagt, en als iemand wegneemt wat u toebehoort, eis het niet terug» (Lc 6, 29-30).

En hier het toppunt: «Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden» (Jo 15, 13). Met inbegrip van de vijanden en vervolgers, die worden gerekend tot «zijn vrienden»! Jezus deed het. Maar hoe kan dit de wet worden van een aardse samenleving?

Jezus deed wat Hij zei, in tegenstelling tot de Schriftgeleerden en Farizeeën die van alle tijden zijn.

«Maar deze wonderlijke heerlijkheid zou met Jezus verdwenen zijn als Hij de wereld niet had verlost door zijn H. Kruis en – dit is het centrale mysterie van ons geloof, dat wij niet bewijzen, maar dat we belijden – als Hij niet, door dit unieke, onvergelijkbare, oneindige Offer, aan het sociale lichaam van de herstelde mensheid «het vermogen om kinderen van God te worden» (Jo 1, 12) had teruggeschonken, als Hij niet «het stenen hart had verwijderd en hun een hart van vlees gegeven» (Ez 11, 19), niet door zijn voorbeeld alleen, maar door de gave van zijn leven in ruil voor het onze, door het mysterie van onze Verlossing» (CRC nr. 155, p. 6).

Onze vader, abbé de Nantes, heeft nooit opgehouden dit mysterie te verkondigen, zonder hetwelk het permanente wonder van de Kerk onverklaarbaar en onbegrijpelijk blijft voor de christenen zelf.

Noch de goddelijke aanwezigheid van het vleesgeworden Woord onder de mensen, noch zijn woord van waarheid, zijn openbaring, noch het voorbeeld van zijn bewonderenswaardige leven zouden voldoende zijn geweest om de mensheid tot de grootste deugden in staat te stellen, als deze aanwezigheid niet gepaard was gegaan met een goddelijke genade, een kracht die over de hele wereld is verspreid, door Jezus Christus verworven met de prijs van zijn Bloed.

Twintig eeuwen lang heeft deze genade haar doeltreffendheid getoond in wonderbaarlijke successen.

Maar de grote geloofsafval van vandaag is misschien een nog groter bewijs van de juistheid van de woorden van Jezus: «Zonder Mij kunt gij niets doen», nu de mensheid is teruggevallen in totale machteloosheid, want «Mij hebben ze verlaten, de bron van levend water, en ze hebben regenbakken gehouwen, vol barsten en die geen water houden» (Jer 2, 13).

Daarom: «De Falanx waartoe jullie behoren, is door zo’n grote hoop aangestoken dat zij niet zit te klagen over de slechte tijd of te treuren over een verleden dat voorbij is. Zij blikt naar de toekomst, met haar beschavingsproject in de hand, en bidt tot de H. Geest om een steeds duidelijker kennis van wat Hij zijn Kerk ingeeft voor haar roemrijke opgang. En dan met vreugde aan het werk: “Caritas Christi et Mariae urget nos!”» (punt 48 van de 150 punten van de Falanx van de Onbevlekte).

Broeder Bruno van Jezus-Maria
Uittreksels uit de preek van 30 mei 2004