9 MAART 2025
Waarom vasten?
DE Vasten is een periode van boetedoening en van geestelijke strijd... De Kerk treedt er binnen in de voetsporen van haar goddelijke Bruidegom, de mensgeworden Zoon van God. Hij was de eerste die deze veertig dagen van strijd tegen de duivel voerde; en voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid werd Satan verslagen...
Het is over deze prachtige overwinning dat het Evangelie van vandaag ons in detail vertelt. Gedreven door de Geest trekt Jezus de woestijn in om de duivel in zijn schuiloord te verslaan. Hij bidt er in afzondering en Hij vast. Na veertig dagen staan ze tegenover elkaar, Jezus en Satan, oog in oog. De duivel houdt Jezus de drie grote verleidingen voor waarmee hij de mensheid in zijn greep houdt en domineert: de verleiding van het zinnelijke genot, de verleiding van de trotse extravagantie en de opperste verleiding van de hoogmoedige opstandigheid tegen God. Christus zal alle drie deze verleidingen afketsen, enkel door het woord van God in te roepen.
Maar wij, die veertig dagen lang in de woestijn van het leven in deze wereld zullen rondlopen, hoe zullen wij reageren in het aangezicht van de verleidingen? Wij zijn zo zwak. Wij lijken meer op het Hebreeuwse volk dat veertig jaar door de woestijn zwierf voordat het in het Beloofde Land binnenging. De eenvoudige beoefening van Gods Wet is moeilijk voor ons. Het Hebreeuwse volk was niet in staat dit te doen, maar wij, die gedoopt en gevormd zijn, hebben voldoende genaden ontvangen om een deugdzaam christelijk leven te leiden. Wij zijn nu sterk genoeg om de Wet van God uit eigen wil te beoefenen, geholpen door de genade, zoals de H. Teresia van Avila zei.
Wij dus gaan deze geestelijke strijd weer aan, niet met Mozes en de Hebreeën die allemaal door de duivel werden verslagen, maar met Jezus in de woestijn, die met de veertig dagen strijd zijn zending van Verlossing inluidt. Merk goed op dat Christus Satan nog niet heeft overwonnen; Hij heeft hem enkel schaakmat gezet. Aan het einde van hun woordenwisseling trekt de duivel zich terug, vertelt het Evangelie. Hij zal aan de zijlijn blijven staan tot het uur waarop hij zijn laatste strijd zal voeren tegen Diegene van wie hij voorvoelt dat het de Messias is, de Zoon van God. En het zal pas tijdens de laatste strijd aan het Kruis zijn dat hij definitief verslagen zal worden.
In dit stadium van de Vastentijd kunnen wij zelf nog geen totale overwinning op de duivel boeken, maar enkel een overwinning op de zonde en de verleidingen van de duivel. De Vasten luidt daarom het grote mysterie in van de bekering van onze zielen en van de mensheid. De Kerk leidt ons binnen in de ascetische strijd die ons moet voorbereiden op de zeer intieme vereniging met Jezus in zijn dood en Verrijzenis.
Hen die de beproeving in de woestijn met Jezus Christus te boven zijn gekomen, zal de liturgie niet alleen doen delen in de morele kracht van Christus, maar ook in zijn Leven zelf, zijn goddelijke Leven, zijn hemelse Leven.
Wij zullen boete doen: allemaal samen en ieder van ons apart. De Vasten is een tijd van openbare boetedoening en het woord “openbaar” is heel belangrijk. Het is belangrijk dat we elkaar laten zien wat we zijn: zondaars. Alle christenen doen dus samen boete zonder zich te verstoppen.
Wij zijn nog geen engelen of getransformeerde mensen, wij zijn zondige mensen. De zonde doet elke dag opnieuw haar scheuten in onze zielen tevoorschijn schieten, maar we hebben de nodige kracht en wil in ons om ze te overwinnen. Vandaag gaan we daaraan beginnen. De Vasten is daarom een tijd waarin de ziel zich nederig toelegt op gehoorzaamheid aan Gods Wet en op de goede heilswerken.
Dus als de Kerk ons, samen met de catechumenen en bekeerlingen, vraagt om veertig dagen lang door dagelijkse ascese te strijden tegen onze fouten en slechte neigingen, tegen de zonde of tot uitboeting van onze zonden, dan is dat opdat we op Pasen mystieke genaden zouden krijgen. Welke? Zoals we later zullen zien: een echt afsterven aan de wereld, aan de zonde en aan de duivel, samen met Jezus Christus. Sint-Paulus zegt: «De wereld is voor mij gekruisigd en ik voor de wereld.» Dit betekent dat de wereld voor mij gestorven is en ik voor de wereld.
Als we onze Vasten goed volbrengen door alles te doen wat in onze macht ligt om de Wet en de Wil van God te vervullen, dan zal Hij ons misschien tijdens de drie dagen van Christus’ dood en neerlegging in het graf de mystieke genade geven om onszelf te begraven, om ons met Hem te verbergen, ver van de wereld, in het mysterie van de goddelijke Liefde. En uiteindelijk zullen we verrijzen en zelfs met Hem opstijgen naar de Hemel: een genade van transformatie waardoor we “deelgenoten van de goddelijke natuur” worden, met in ons een andere wet dan de wet van het vlees, zoals Sint-Paulus zegt. We zouden zelfs deel kunnen nemen aan zijn Hemelvaart, niet om nu al naar de Hemel te gaan, maar om onze ogen en harten daarop gericht te houden en niet langer op de dingen van de aarde.
Dat is ons programma voor de komende veertig dagen. Het is een lange tijd voor onze zwakke natuur, maar het is een korte tijd voor onze wil die een programma van boetedoening en bekering heeft uitgestippeld. Het stemt perfect overeen met het ritme van het leven of de menselijke natuur en het is heel goed gezien door de Kerk en de Voorzienigheid. We hebben veertig dagen. Vanaf nu slaan we de hand aan de ploeg en zetten we ons aan dat werk van boetedoening.
Abbé Georges de Nantes
Uittreksels uit de preek van 3 maart 1967