6 APRIL 2025

Jezus toont barmhartigheid
aan de overspelige vrouw

OP deze vijfde zondag van de Vasten geeft de Kerk ons een erg ontroerende Evangeliepagina uit Johannes te lezen. Het doet ons goed om deze tekst over de overspelige vrouw te overwegen met grote aandacht en tederheid en met veel godsvrucht tot het zeer unieke Hart van Jezus en Maria, dat overloopt van barmhartigheid.

De scène komt uit het achtste hoofdstuk van Johannes, dat een verslag geeft van de vreselijke polemiek tussen Jezus en de Farizeeën. De Heer worstelt met zijn tegenstanders. Deze Joden die de Wet uitstekend toepassen, houden Hem in de tang. Ze willen weten of Jezus voor of tegen hen is, wat tot eindeloze controverses en discussies leidt. In deze context zullen we zien dat het Hart van Jezus de Farizeeën een geweldige, meesterlijke les geeft, omdat Hij de Goedheid zelf is en zij zich, doorheen die controverses, als echte demonen openbaren.

«En Jezus ging naar de Olijfberg. Maar ‘s morgens vroeg begaf Hij zich weer naar de Tempel en al het volk kwam naar Hem toe. Hij ging zitten en onderrichtte hen.»

Het was zijn taak om in deze laatste weken van zijn leven op aarde de mensen te onderwijzen, om pal te staan tegen iedereen die in opstand kwam tegen God. Hij was in de voorhof van de Tempel, een plaats van religieuze bijeenkomsten. Alle mensen kwamen naar Hem toe, namelijk de goede mensen die op zoek waren naar de volmaaktheid van het hart. De meesten van hen waren Essenen.

«Nu brachten Schriftgeleerden en Farizeeën een vrouw naar Hem toe die op overspel was betrapt; ze plaatsten haar in de kring en zeiden tot Hem: Meester…» Dit was om Hem uit te dagen: “Gij die uzelf Meester noemt.”

«Mozes heeft ons in de Wet geboden (om de eer van God te wreken, om de orde in de stad te garanderen) dergelijke vrouwen te stenigen. Wat zegt Gij nu?»

«Dergelijke vrouwen»: het zijn vrouwen van niets, ondergedompeld in de ondeugd, terwijl zijzelf toezien op de eerbied voor Gods Wet… meer bij de anderen dan bij zichzelf!

«Dit zeiden ze om Hem een valstrik te spannen en tegen Hem een aanklacht te hebben.» Johannes zegt het duidelijk: het zijn misdadigers, moordenaars, leugenaars en huichelaars. Jezus overlaadde hen met zijn raadgevingen om te proberen hen uit de ziekte van leugens en perversiteit te halen die hen naar de hel zou leiden.

«Maar Jezus boog zich voorover en schreef met de vinger op de grond.» Dit zouden we op onze knieën moeten overwegen, het is zo grandioos! Ik dank broeder Bruno dat hij dit heeft gevonden door in de Bijbelconcordanties te zoeken. “De grond” is het plaveisel van de Tempel, heilige grond. “Jezus die zich voorover buigt” is Jezus die zo goed is onder ons te willen komen; Hij komt om zijn werk te doen, namelijk zijn Wet te schrijven zoals zijn Vader deed op de berg Sinaï. Op de Sinaï was het de oude Wet, de Wet van de angst, een onvolmaakte Wet die de weg moest bereiden voor het Evangelie, terwijl het nu de Zoon van God is die het einde van zijn aardse bestaan heeft bereikt en die nogmaals dit koppige volk met het dorre hart wil onderwijzen.

Het schrijven op de grond is een manier voor Hem om te zeggen: “Ik ben God.” Ik doe wonderen zoals het Mij behaagt, Ik schrijf met mijn vinger op de steen zoals Ik het mijn Vader zag doen, om jullie te laten zien dat Ik God ben, zodat jullie naar mijn oordelen zullen luisteren, die oordelen van barmhartigheid zijn.

«En toen ze aanhielden met vragen (zij hadden geen enkele eerbied voor Jezus, ze waren alleen maar bezeten door de passie om Hem te doden) richtte Hij zich op en sprak tot hen (vriendelijk overigens): “Wie van u zonder zonde is, werpe de eerste steen op haar.”»

“De eerste steen werpen” is als uitdrukking  opgenomen in onze taal. In feite was de eerste steen een speciale steen: het was de steen die iemand zou durven opnemen om het teken te geven voor de steniging. Omdat Jezus zonder zonde was, had Hij de steen zelf kunnen nemen en naar deze arme vrouw gooien, maar Hij deed het niet.

«Toen ze dit hoorden, gingen ze heen, de een na de ander, maar de oudsten het eerst…»

… omdat Hij de Farizeeërs moest duidelijk maken dat Hij zonder zonde was en hun zonden beter kende dan zijzelf. Ze lieten Jezus alleen met de vrouw, in het midden. Deze woorden zijn zo heerlijk. Hij is de Rechter, de enige Rechter. Alle mensen zijn verdwenen. Het is God die van Hart tot hart met deze vrouw gaat spreken. Als zij niet heel haar leven de herinnering aan de woorden van Jezus bewaard heeft, wie dan wel? Hoe mooi! Mijn God, hoe mooi!

«“Heeft niemand u veroordeeld?”» Dit zijn echte woorden van liefde. Er is een band tussen hen beiden, omdat Hij haar Redder is en omdat zij verloren is en haar enige redding in Hem vindt. «“Vrouw, waar zijn ze gebleven? Heeft niemand u veroordeeld?” Ze zei: “Niemand, Heer.”»

Het is prachtig. Hebben de mensen je niet veroordeeld? Ik, die je God en je Verlosser ben, veroordeel je ook niet. Het «Ga heen en zondig niet meer» is een herinnering aan de plicht van het schepsel om onderdanig te zijn aan God de Vader, omdat Gods heilige Rechtvaardigheid geen enkel compromis kan tolereren. De H. Maagd noch Jezus kiezen de kant van de ongerechtige ten koste van Gods glorie, maar het is omdat het een grotere glorie voor God is dat zijn barmhartigheid het wint van zijn rechtvaardigheid.

Laten we ons verheugen in de gedachte dat Gods barmhartigheid in alle opzichten zwaarder weegt dan de slechtheid van de mens. Door deel te nemen aan de liturgische diensten van de Goede Week zullen we beseffen hoezeer het pijnlijke en bloedige lijden van Jezus ons hoop geeft op oneindige barmhartigheid, terwijl zijn Verrijzenis op Paasdag een vaste waarborg is voor eeuwig geluk in de Hemel voor alle nederige en middelmatige kerkgangers die we zijn.

Abbé Georges de Nantes
Fragmenten uit de preken van 9 maart 1997 en 14 maart 1999